economie

Onno Ruding: Luyendijk schetst in boek een zorgelijk beeld

Door Onno Ruding - 16 juni 2015

Joris Luyendijk schetst zorgelijk, maar gechargeerd beeld. De recensent van het boek van Joris Luyendijk, dr. H.O.C.R. Ruding (75), is oud-minister van Financiën (1982-1989) en oud-bankier.

Het boek van Joris Luyendijk beschrijft gedrag en cultuur van bankmedewerkers in Londen. Hoewel dit anoniem gebeurt en niet duidelijk is of het een representatieve steekproef betreft, is het beeld inderdaad zorgelijk.

Deze zakenbankiers hebben te weinig lessen getrokken uit de financiële crisis. Ik meen echter dat de situatie in Nederland verschilt van die in Londen. De ‘cultuur’ van de banken hier is veranderd door maatregelen van overheden en van banken zelf. Dit kost tijd en nog niet alles is in orde. In tegenstelling tot Londen en New York kent Nederland geen ‘zakenbanken’ meer en vele van de zakenbankiers werken niet meer in Nederland.

Wat ik zorgelijk vind, is dat Luyendijk conclusies trekt die feitelijk onjuist zijn. Mijn tweede bezwaar is dat hij in latere artikelen en interviews standpunten inneemt die ten dele afwijken van die in zijn boek. Dat is verwarrend. Mijn belangrijkste kritiek betreft zijn stelling dat er niets is gebeurd en veranderd in de bankwereld om de fouten te corrigeren.

Hij stelt onder meer: ‘Flink hogere kapitaalbuffers zouden banken direct veel veiliger maken, maar zelfs zo’n relatief simpele maatregel is door de mondiale lobby van banken met succes getorpedeerd.’ In feite zijn die kapitaalbuffers terecht aanzienlijk verhoogd en gaan zij waarschijnlijk verder omhoog.

Beloningen

Wat betreft de gekritiseerde beloningen, zijn omvangrijke beperkingen van bonussen opgelegd. Volgens een recent onderzoek van De Nederlandsche Bank (DNB) zijn de beloningen in de Nederlandse banksector nu niet alleen lager dan vóór de ­crisis, maar ook lager dan in het buitenland en dan in het niet-financiële bedrijfsleven.

Ik bepleit een meer actieve rol van aandeelhouders, vooral grote institutionele beleggers zoals pensioenfondsen. Bij bezwaren tegen hoge beloningen is het de taak van aandeelhouders die bezwaren te uiten in aandeelhoudersvergaderingen en tegen te stemmen. Tenslotte dragen zij de kosten van de beloningen. De recente acties ter zake van PGGM hebben mijn steun.

Bonussen als beloning voor goede prestaties hebben goede kanten, maar terecht wordt nu werk gemaakt van strafmaatregelen als later blijkt dat onverantwoord risicobeleid tot negatieve resultaten leidt.

Om onverantwoord gedrag te voorkomen, helpt het als die bonussen niet contant worden uitgekeerd maar worden bevroren (als cash, of in aandelen of, zoals DNB bepleit, in obligaties) en na drie of vijf jaar alsnog kunnen worden geannuleerd (‘claw back‘). Dan ondervinden bankiers persoonlijk nadeel.

Lessen

Een andere belangrijke correctie: het externe toezicht op banken, dat inderdaad onvoldoende effectief was, is aanzienlijk verscherpt, mede door invoering van toezicht op Europees niveau door de Europese Centrale Bank.

Luyendijk vergeet ook dat Europa al lessen heeft getrokken, niet alleen dat meer moet worden gedaan om te voorkómen dat banken – vooral ‘systeembanken’ – failliet gaan maar ook dat niet meer de schatkisten (dus de belastingbetalers), maar de financiële belanghebbenden bij die bank (aandeelhouders en obligatiehouders) moeten opdraaien voor verliezen ter redding van banken die toch failliet dreigen te gaan. Deze verandering in de lastenverdeling, van bail-out naar bail-in, is essen­tieel, ook ter kalmering van de begrijpelijke volkswoede over de betaalde rekeningen van bankproblemen.

Een cruciale oorzaak van de bankencrisis was inadequaat risicobeleid. Het is nodig dat zowel bankmanagers als commissarissen (audit-comité!) niet alleen beter inzicht verwerven in die risico’s, maar ook harder optreden ter beheersing daarvan. Dat vereist versterking van positie en rol van internal controllers en risicomanagers. Het kan gepaard gaan met vervanging van senior bankiers. Voor juiste beslissingen is een combinatie nodig van zowel effectieve(r) wetten en regels als een verantwoordelijk, evenwichtig oordeel van bankiers over wat wel en niet acceptabel is.

Luyendijk benadrukt het verwerpelijke amorele (dus niet: immorele) gedrag van banken en bankiers. Hierbij is echter onderscheid nodig tussen instellingen en personen. In lijn met Adam Smith meen ik dat banken als instellingen, en ook financiële markten, amoreel of neutraal zijn. Dat is anders bij de mensen in die instellingen: het is niet wenselijk dat zij amoreel handelen als norm nemen.

Karakter

De roep om meer ethisch ge­oriënteerd individueel gedrag is terecht. De huidige onvoldoende aandacht voor normen en waarden vergt aanpassing. Die is moeilijk te bereiken in de praktijk en vergt tijd; het is immers subjectief en persoonlijk. Ik bepleit dat bij studies zoals MBA’s meer aandacht wordt besteed aan ethische standaarden voor gedrag in het bedrijfsleven, naast economische, juridische en accountancy onderwerpen. Bij het benoemingsbeleid en bij bancaire opleidingen past ook meer prioriteit voor het persoonlijke karakter en het gedrag in vorige functies van de kandidaat.

Wat betreft Nederland meent Luyendijk dat de City in Londen ook ons financieel centrum is: de Amsterdamse Zuidas is een bijkantoor van Londen. Dat was wellicht zo, maar Luyendijk miskent dat de activiteiten van de grote Nederlandse banken in Londen bijna geheel zijn beëindigd. De invloed in Nederland van het gedrag van Londense bankiers is aanzienlijk verminderd.

Kritiek op banken en bankiers is terecht, gezien de financiële crisis. Het gevaar van critici zoals Luyendijk en anderen, onder wie politici, is ten eerste dat zij ten onrechte de indruk wekken dat velen van de tienduizenden bankmedewerkers ‘graaiers’ zijn en ‘perverse’ activiteiten verrichten. Met bank bashing schieten we weinig op.

Ten tweede dat onvoldoende onderscheid wordt gemaakt tussen het vele dat reeds is verbeterd als reactie op de financiële crisis en datgene wat nog moet worden gecorrigeerd.

Ik bepleit een constructief-­kritische houding. Het is in het belang van de gehele samenleving, waaronder het niet-financiële bedrijfsleven, inclusief het midden- en kleinbedrijf, dat het vertrouwen in banken en bankiers spoedig terugkeert en dat banken voldoende sterk, gediversifieerd, groot en internationaal blijven om hun klanten effectief te kunnen bedienen.

Elsevier nummer 25, 20 juni 2015

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.