economie

‘Er is in Libië veel goodwill voor Nederland’

Door Gerbert van der Aa - 07 september 2015

De toekomst van Libië is ongewis. Voorzitter Herman Klijnsma (65) van de Dutch Libyan Cooperation Council blijft geloven in het land en in de kansen voor Nederlandse bedrijven.

Zijn optimisme doet geregeld wenkbrauwen fronsen, maar Herman Klijnsma laat zich er niet door van de wijs brengen. Geweld tussen milities en de terreur van IS mogen volgens hem geen reden zijn om de economische kansen in Libië te negeren. ‘Het Nederlandse bedrijfsleven moet plannen klaar hebben als er straks een vredesakkoord is. Anders ben je te laat. Dan gaan bedrijven uit Frankrijk en Groot-Brittannië met de buit ervandoor.’

Klijnsma is voorzitter van de Dutch Libyan Cooperation Council (DLCC), die vooral de zakelijke belangen tussen de twee landen behartigt, en ook politieke en culturele activiteiten ontplooit. De organisatie werd opgericht in 2012, niet lang na de val van dictator Muammar al-Khaddafi.

Met de grootste olie- en gasreserves van Afrika en zijn ligging aan de zuidgrens van Europa is Libië niet alleen interessant voor bedrijven als Shell en BAM. Ook de agrarische sector, zoals veevoer­fabrikant De Heus, heeft er goede contacten. Gemeten naar het gemiddeld inkomen per inwoner was Libië tot voor kort het rijkste land van Afrika.

‘Helaas is de situatie sinds vorig jaar verslechterd,’ zegt Klijnsma. De gekozen regering is verjaagd uit de hoofdstad Tripoli, waarna een coalitie van de Moslimbroederschap en andere islamisten er de macht overnam. Overal in het land vechten gewapende groepen tegen elkaar. Criminelen, ook betrokken bij de mensensmokkel, hebben vrij spel. Buitenlandse bedrijven zijn bijna allemaal vertrokken. De olieproductie, ooit bijna twee miljoen vaten per dag, is ingezakt tot zo’n 400.000 vaten.

Potentie

Het begon allemaal zo mooi. Na de val van Khaddafi nam de handel snel toe. De export uit Nederland steeg van 214 miljoen euro in 2011 naar 474 miljoen euro in 2013. Sinds vorige zomer zakken de investeringen in, maar dat weerhoudt Klijnsma er niet van om te blijven geloven in de enorme potentie. Als er vrede is, kan de export naar Libië volgens hem stijgen tot 2 miljard euro per jaar.

Het pessimisme van veel Libië-kenners staat hem tegen. ‘De Verenigde Naties steken veel energie in vredesonderhandelingen. Ik vermoed dat er voor het eind van dit jaar een regering van nationale eenheid is. Dat zal het startsein zijn voor internationale bedrijven om in te stappen.’

Nederland heeft volgens Klijnsma een uitstekende naam in Libië. ‘We worden veel minder verdacht van een verborgen agenda dan bijvoorbeeld Amerika en Qatar.’ Hij benadrukt dat er historische vriendschapsbanden zijn. Libië was een kolonie van Italië. ‘De Nederlandse VN-diplomaat Adriaan Pelt hielp tussen 1949 en 1951 met het voorbereiden van de onafhankelijkheid. Daardoor is er veel goodwill.’

Behalve Nederlandse belangen in Libië behartigt de DLCC ook Libische belangen in Nederland. Khaddafi investeerde een groot deel van de inkomsten uit de olie- en gaswinning in westerse bedrijven. De Libyan Investment Authority, een staatsfonds met een vermogen van ruim 50 miljard euro, had voor ongeveer 700 miljoen euro belangen in Nederland. Het geld zat onder meer in de bank Fortis en oliemaatschappij Tamoil.

De berichten dat Khaddafi-vertrouwelingen na de revolutie in Nederland geïnvesteerd geld wegsluisden naar hun eigen bankrekeningen, kan Klijnsma niet bevestigen.

Hij kent het artikel uit NRC Handelsblad, dat oud-minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot ervan beschuldigt tegen betaling hand- en spandiensten te hebben verricht voor een zakenman uit de kring van Khaddafi, maar hij zegt de Libiër in kwestie niet te kennen. ‘Ik houd liever afstand tot die mensen. Ze zijn niet ongevaarlijk.’ De schoonvader van de zakenrelatie van Bot, een voormalige minister onder Khaddafi, stierf drie jaar geleden onder verdachte omstandigheden in Oostenrijk.

Malieveld

Klijnsma raakte betrokken bij Libië rond 2000, als eigenaar van een pr- en lobbykantoor in Den Haag. Een vriend vroeg of hij kon helpen bij het beheer van Libische investeringen in Nederland. De internationale sancties – gevolg van de Libische betrokkenheid bij de aanslag op een vliegtuig boven het Schotse Lockerbie – waren net opgeheven.

Khaddafi leek opnieuw te willen beginnen. ‘Als pr-man met een achtergrond in het internationaal recht vond ik het interessant om daarbij te helpen.’

Met twinkelende ogen vertelt Klijnsma dat hij in Den Haag voorstelde om Khaddafi uit te nodigen in Nederland. ‘Het leek mij een mooi plan als hij zijn tent zou neerzetten op het Malieveld. Tijdens een staats­bezoek aan Frankrijk had hij zijn kampement ook in een park opgeslagen.’ De toenmalige minister van Buitenlandse Zaken Uri Rosenthal zag er niks in.

‘Khaddafi was natuurlijk een notoire mensenrechtenschender. Daar stapt Nederland minder makkelijk overheen dan andere landen.’

Een droom van Klijnsma is om ooit de Formule 1 naar Libië te helpen brengen. ‘Tussen 1925 en 1940 werd er jaarlijks een race gereden in Tripoli,’ zegt hij. ‘Libiërs zijn grote liefhebbers van snelle auto’s. Doordat het land relatief rijk is, sluit ik niet uit dat het er ooit van gaat komen. Driften – met slippende banden rondjes draaien op het asfalt – is volgens mij vrijwel nergens zo populair als in Libië.’

Elsevier nummer 37, 12 september 2015

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.