Nederlandse spaarders zijn dupe van Zuid-Europese malaise

25 februari 2014

De geschiedenis leert dat falend monetair beleid catastrofale gevolgen kan hebben. De tegenstellingen tussen noord en zuid in de eurozone raken ook de Nederlandse economie. Hoog tijd voor hervormingen.

Wie Frederick Taylors boek The Downfall of Money leest, begrijpt waar de Duitse aversie tegen inflatie vandaan komt. Duitsland werd in de jaren twintig geteisterd door hyperinflatie, die de economie volledig ontregelde.

Volgens Taylor koos het land aanvankelijk bewust voor het creëren van inflatie, via het drukken van geld, om zijn gigantische oorlogsschuld weg te werken. De gevolgen waren veelal onvoorzien en zeer ingrijpend. Ze lieten een horror-erfenis achter waarvoor op Duitse scholen nog steeds veel aandacht is.

Nazisme

Vooral voor de ‘apocalyptische’ inflatiejaren van de Weimarrepubliek (1919 -1923) die het zaad van het nazisme zouden hebben geplant, is veel aandacht. Maar ook voor de onwerkelijke tijden die Duitsland toen doormaakte.

De Duitse mark verloor eind 1923 zo snel aan waarde dat de gelddrukkerij het werk niet aankon. De Duitse overheid moest honderddertig drukkerijen contracteren om te helpen.

In hetzelfde jaar werd de duizelingwekkende Duitse oorlogsschuld geherwaardeerd. De schuldpapieren, die voor de oorlog 36,7 miljard dollar waard waren, waren in november 1923 minder dan 4 cent waard.

Overvolle reistassen

In de jaren twintig kregen veel Duitsers rugklachten door de overvolle reistassen waarin zij hun salarissen moesten ophalen en door de astronomische bedragen die zij opeens voor eenvoudige zaken moesten betalen.

Het brood dat in januari 1923 250 mark kostte, was in november van dat jaar 200 miljard mark waard. Inflatie in dit tempo hield in dat wie met voldoende geld op zak naar de winkel ging om schoenen te kopen, bij aankomst ontdekte dat die inmiddels veel duurder waren en hij met zijn geld nog maar een pond tomaten kon krijgen.

Dit leidde ertoe dat loononderhandelingen tussen werknemers en werkgevers dagelijks moesten worden gevoerd, om de koopkracht van de werknemers op gelijke voet te houden met de razendsnelle prijsontwikkeling.

Werkende burgers

Inflatie, laat staan hyperinflatie (waarbij het geld maandelijks 50 procent van zijn waarde verliest), is slecht omdat spaartegoeden aanvankelijk slinken om later ook salarissen waardeloos te maken. Zo raakt geldontwaarding zowel de sparende als de werkende burger.

Per saldo loopt iedereen die geld op een spaarrekening zet en zichzelf daarmee tot schuldeiser van de bank maakt, het risico het geld met minder waarde terug te krijgen.

De economische destabilisatie en onzekerheid die hierdoor ontstaan worden – naast het feit dat inflatie de economie verstoort omdat prijzen geen houvast meer bieden en het salaris niets meer zegt over de koopkracht – vergezeld door een oneerlijke verschuiving van inkomens van schuldeisers naar schuldnemers zonder dat hieraan economische activiteit ten grondslag ligt.

De uitdrukking ‘slapend rijk worden’ is hier treffend.

Onthutsend

De onthutsende ervaring en economische gevolgen zorgden ervoor dat het Duitse monetair beleid zich richtte op het beperken van inflatie. Diezelfde fixatie heeft de Europese Centrale Bank (ECB), die wordt gezien als de voortzetting van het Duitse monetair beleid. De inflatienorm van de ECB is maximaal 2 procent.

De huidige inflatie in de eurozone is 0,8 procent: op het eerste gezicht keurig. Maar het Internationaal Monetair Fonds en veel economen denken hier anders over en vinden dat de inflatie in de eurozone te ver onder de ECB-norm ligt, waardoor deflatie (prijsdaling) dreigt.

Nederland kent een inflatie van 1,7 procent, niet ver onder de ECB-norm van 2 procent. Betekent dit dat de Nederlandse beleidsmakers achterover kunnen leunen en waarschuwingen voor deflatie kunnen negeren?

Zuid-Europa

Het ligt zoals vaak ingewikkelder. Door een samenloop van omstandigheden dreigt in de eurozone niet inflatie, maar deflatie. Het nadeel van deflatie is dat hierdoor de schuldenlast van de ‘tekortlanden’ (zoals de Zuid-Europese landen) in reële termen doet toenemen terwijl in feite niet meer wordt geleend.

In ‘normale’ tijden kan dit worden bestreden door de rente te verlagen (zodat het renteniveau onder het deflatieniveau komt). Maar wanneer sprake is van recessie gecombineerd met deflatie, is deflatie lastig te bestrijden met rente-maatregelen. Temeer omdat verdere renteverlaging in de eurozone amper mogelijk is, nu de ECB de herfinancieringsrente op het historisch lage 0,25 procent heeft gezet.

Beheersbaar

Dat is om de zuidelijke landen te helpen hun schulden beheersbaar te houden. Wie door deze lage rentes worden geraakt, zijn de Nederlandse spaarders die in feite negatieve rente ontvangen over hun spaartegoeden. De Nederlandse inflatie is 1,7 procent terwijl de rente veel lager is, waardoor de spaarders in feite de bank betalen om hun geld te hebben.

De economische vervlechting in de eurozone kent nog een andere kant. Ook al ligt de Nederlandse inflatie niet onverantwoord ver onder de ECB-norm en heeft Nederland beheersbare schuldenlasten, de Nederlandse economie wordt op een andere manier geraakt door het deflatie-gevaar.

Export

Nederland exporteert veel naar EU-landen, waarmee 20 procent van ons nationaal inkomen wordt verdiend; 67 procent van die export gaat naar de veertien lidstaten die het langst lid zijn van de EU. Daarbij zitten alle zuidelijke lidstaten die nu in zwaar weer verkeren.

Als de aanhoudende recessie aldaar in combinatie met deflatie de economie blijven teisteren, worden Nederlandse goederen minder afgenomen en wordt onze export geraakt.

De waarschuwingen van het IMF moeten serieus worden genomen, ook door Nederland. De lage rente is niet prettig, maar is wel een belangrijk onderdeel van een totaal-oplossing waarvan structurele hervormingen en het stimuleren van binnenlandse bestedingen onderdeel zijn.

Of dat gaat lukken terwijl de politieke instabiliteit groot is, is maar zeer de vraag.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.