Paul de Hen

Paul Iwan Hogguer: de eerste president van DNB

Door Paul de Hen - 27 maart 2014

Elsevier-medewerker Paul de Hen bespreekt maandelijks een president van De Nederlandsche Bank (DNB). Dit keer: Paul Iwan Hogguer (7 februari 1760-19 november 1816), de eerste DNB-president (1814-1816)

In het jaar 1813 had de 53-jarige Amsterdammer Paul Iwan Hogguer (hij tekende met beide voornamen) geen gelukkige tijd achter de rug. In 1811 was zijn enige kind overleden, een dochter van 21.

Kort daarop stierf zijn vrouw, Anna Maria Ebeling. Zij stond bekend om haar flinke kunstverzameling. Maar in de laatste maanden van 1813 werd Hogguer meegesleept in nieuwe, spannende ontwikkelingen: onverhoeds kwam in november een eind aan de Franse annexatie van Nederland, die drie jaar had geduurd.

Koning

Hogguer nam als prominent inwoner van Amsterdam plaats in de voorlopige ‘regering’ die in november 1813 het dagelijks bestuur van de stad had overgenomen. De pas aangetreden vorst, weldra koning, Willem I benoemde hem per begin 1814 tot een van de vier burgemeesters die gezamenlijk Amsterdam zouden besturen.

Eind maart 1814 was Hogguer tevens lid van de ‘Grote vergadering van notabelen’, die de Grondwet van het net weer soeverein geworden Nederland vaststelde.

In diezelfde periode vroeg Willem I hem om naast zijn burgemeesterschap de leiding te nemen van een nieuw instituut dat de vorst in Amsterdam had opgericht:  vanaf april werd Hogguer de eerste president van de Nederlandsche Bank.

Ook nog in 1814 hertrouwde hij en het jaar daarop werd Hogguer als jonkheer opgenomen in de nieuwe adel die Willem I voor zijn nieuwe koninkrijk aan het vormen was.

Bankier

Waarom Willem I juist Hogguer aanzocht om de nieuwe bank te leiden, is niet bekend. Maar dat de eerste president gekwalificeerd was voor zijn functie staat buiten kijf. Hij was al vele jaren bankier.

Hogguer & Co, zoals de firma die hij leidde sinds 1795 heette, was een van de belangrijkste bankiers- en handelshuizen van Amsterdam geweest (de scheiding tussen handel en bankzaken, waaronder het plaatsen van leningen, was in die jaren niet scherp). Maar dat lag in het verleden. In 1811-1812 had Paul Iwan Hogguer zijn bedrijf vrijwel stilgelegd.

De oorspronkelijk Zwitserse protestantse familie Hogguer (ze kwamen uit Sankt Gallen) hadden een goede eeuw eerder vanuit Lyon in Frankrijk Zweedse staatsleningen geplaatst. Paul Iwans voorvader vestigde zich begin achttiende eeuw met onder meer dezelfde specialisatie als zijn familieleden in Frankrijk in Amsterdam. Een deftige man die een Zweedse adellijke titel droeg en zich aansloot bij de Franstalige Waalse hervormde gemeente.

De Hogguers hoorden al snel bij de regenten en verkeerden in het circuit van clubs en instellingen waar deze regenten informatie uitwisselden en ambten verdeelden.

Broer

Dat gold ook voor Paul Iwan. Zijn vader Daniel had in 1773 het bankiershuis verlaten om de diplomatieke vertegenwoordiging van Nederland in Hamburg te leiden. Een oudere broer van Paul Iwan, Jan Willem, was in de laatste jaren voor de verjaging van de Oranjes en de val van de Nederlandse Republiek in 1795 Nederlands gezant geweest aan het Russische hof in Sint-Petersburg.

Jan Willem correspondeerde ook nadien met de gevallen stadhouder Willem V, de vader van de latere vorst Willem I.

Orangist

Paul Iwan was in 1791 en 1793 schepen van Amsterdam, een functie die in die tijd werd vergeven door de stadhouder. We mogen dus veilig aannemen dat Hogguer een trouwe orangist was. Dat gold overigens niet voor alle leidinggevenden van de nieuwe bank.

Het idee van een voor die tijd zeer grote bank in de vorm van een soort nv die bankbiljetten mocht uitgeven en ook andere bijzondere taken had op basis van een speciaal octrooi, was niet van Willem I afkomstig.

Prof.mr. A.M. de Jong, de eerste geschiedschrijver van de Nederlandsche Bank, memoreerde dat Alexander Gogel, minister van Financiën (zijn titel was ‘agent’) na de omwenteling van 1795, al een compleet plan voor zo’n instelling had uitgewerkt.

Papiergeld

Gogel probeerde er zelfs tweemaal achtereenvolgende parlementen voor te winnen, maar de parlementariërs zagen het niet zitten. De ervaringen in het buitenland met een bank die papiergeld mocht uitgeven, waren niet best. Papiergeld verloor vaak aan waarde ten opzichte van het gebruikelijke zilveren muntgeld.

Nederland had na de komst van de Fransen vanaf 1795 al kennisgemaakt met de steeds waardelozer wordende ‘assignaten’ – papiergeld waarmee de Fransen ook in Nederland betalingen deden.

Anderzijds was tijdens bankencrises in de tweede helft van de achttiende eeuw gebleken dat alleen met noodgrepen van het Amsterdamse stadsbestuur het financiële bedrijf  –  dat ook voor de handel essentieel was  –  draaiende kon worden gehouden. De voormalige Republiek had geen economische regering, vandaar dat het stadsbestuur optrad. Een sterke centrale financiële instelling zoals de Bank of England in Londen zou een uitkomst zijn geweest.

Willem I hoefde zich de eerste maanden van zijn regeerperiode van een parlement niets aan te trekken. Dat was er immers nog niet. De Jong beschrijft dat Johannes Goldberg – Gogels vriend, mede-revolutionair van 1795 en inmiddels hoofdambtenaar bij het nieuwe ministerie van Financiën – het oude plan van Gogel als basis nam voor een voorontwerp ten behoeve van de vorst.

Gesprekken met de prominente Amsterdamse zakenadvocaat  en bankier Jan Bondt en met Hogguer  droegen waarschijnlijk bij tot aanpassingen aan Goldbergs tekst. Zo verdween het door hem voorziene overheidstoezicht op de bank.

Geld

Bondt had kort tevoren zelf ook de stichting van een nieuwe bank bepleit. Amsterdam was toe aan wat nieuws. Het was veruit de grootste stad van Willems koninkrijk.

Ook na de vereniging met België in 1815 overtrof zij met meer dan 180.000 inwoners in omvang veruit de grootste stad in het Zuiden, Antwerpen. Maar de Amsterdamse economie was in de ‘Franse tijd’ vrijwel tot stilstand gekomen en het inwonertal was achteruitgehold: eind achtiende eeuw woonden er nog meer dan 200.000 mensen. Alleen geld was er nog volop, bij een rijke bovenlaag althans. Onder de rest van de stadsbevolking heerste veel armoede.

Centrale kas

Eind maart 1814 maakte Willem I de oprichting van de nieuwe bank en de tekst van het octrooi officieel bekend in een bijeenkomst met de Kamer van Koophandel van Amsterdam. De Nederlandsche Bank kreeg een aantal taken, waarvan het financieren van de handel en het optreden als beheerder van de centrale kas van de staat de belangrijkste waren.

Ook mocht zij zelf handelen in goud en zilver en krediet geven op onderpand van effecten, zogenoemd prolongatiekrediet. Particuliere banken en ondernemers konden geen rekening bij de bank aanhouden en krediet zonder zeer solide onderpand mocht zij niet geven.

Krediet aan de staat mocht de bank niet verlenen, evenmin mocht zij zakendoen met buitenlandse waardepapieren – zelfs niet die uit de Nederlandse koloniën.

Monopolie

De Nederlandsche Bank mocht bankbiljetten uitgeven, maar niet van minder dan 25 gulden. Een officieel monopolie daarop had zij niet. Feitelijk bestond dat monopolie wel, omdat de uit te geven biljetten werden vrijgesteld van het zegelrecht, dat wel gold voor de biljetten die zogeheten kassiers uitgaven. Het zegelrecht was een kleine belasting op kwitanties tot grotere bedragen; alleen met een zegel waren die rechtsgeldig.

Kassiers waren in Amsterdam belangrijke financiële bedrijven waar ondernemers tegen een kleine vergoeding muntgeld konden onderbrengen. Vervolgens kon dan met kassierskwitanties worden betaald, zodat het niet nodig was om bij grotere transacties zakken muntgeld te verslepen.

Als zulke kwitanties ‘aan toonder’ waren uitgeschreven, konden ze van hand tot hand gaan. Net als bankbiljetten.

Kapitaal

Volgens plan diende de Nederlandsche Bank voor 5 miljoen gulden aan aandelen van elk 1.000 gulden te plaatsen. De vorst kon vervolgens nog beslissen of de bank dat kapitaal op 10 miljoen mocht brengen door nieuwe aandelen te koop aan te bieden.

Anders dan toentertijd nogal eens bij andere vennootschappen gebruikelijk was, moesten de aandelen door de aandeelhouders die ze kochten worden ‘volgestort’. Met andere woorden: de prijs van het aandeel moest in één keer volledig worden betaald.

In die tijd werd nogal eens volstaan met het betalen van een beperkt bedrag, waarna de aandeelhouder verplicht was om zonodig de rest van de koopprijs te betalen. De nieuwe bank zou dankzij de voorwaarde van het volstorten dus werkelijk over 5 miljoen gulden kapitaal kunnen beschikken.

De staat steunde de nieuwe Nederlandsche Bank onder meer door haar bankbiljetten te accepteren voor het betalen van belastingen, maar een wettig betaalmiddel waren ze niet. En de staat kocht meteen voor 500.000 gulden aan aandelen.

Loonkosten

Begin april 1814 nam de nieuwe instelling de gebouwen – twee herenhuizen aan de Oude Turfmarkt in Amsterdam – en de zeventien personeelsleden over van de bestaande centrale kas van de overheid.

Om het financiële perspectief te schetsen: een arbeider in de nijverheid verdiende in Noord-Holland in 1819-1820 net geen 1,42 gulden per dag, dus nog geen 500 gulden per jaar. De totale loonkosten van de zeventien bankbeambten van het eerste uur waren volgens De Jong 15.050 gulden, gemiddeld nog geen 1.000 gulden per persoon per jaar. Eén bankaandeel kostte 1.000 gulden.

Aandeelhouderschap was dus alleen voor de zeer rijken weggelegd. Om ze te paaien, werd aandeelhouders die een krediet bij de bank wilden voorrang beloofd evenals vrijstelling van enkele belastingen op het aandelenbezit.

Maar de Amsterdamse financiële wereld bekeek de nieuwe bank met wantrouwen. Het plaatsen van de aandelen verliep zo moeizaam, dat het Rijk op aandrang van Hogguer en zijn twee eveneens door de vorst benoemde mededirecteuren in juli 1814 nogmaals voor 500.000 gulden aandelen nam.

De vorst stak er 200.000 gulden eigen geld in. Zo kwam het geplaatste kapitaal boven de grens van 2 miljoen die in het octrooi was gesteld om de door Willem I benoemde president en twee directeuren aan te vullen met drie door aandeelhoudersvertegenwoordigers  aan te wijzen directeuren, en om een raad van commissarissen te vormen.

Zetje

In maart 1816 gaf de weduwe Johanna Borski-Van de Velde het extra zetje dat de bank populairder maakte onder de Amsterdamse elite. Zij, de belangrijkste firmant van het bankiershuis Wed. W. Borski, nam zoveel aandelen dat het maximum van 5 miljoen gulden werd bereikt – dat kostte haar zelf een kleine 2 miljoen.

Ze heeft er dik aan verdiend, want de aandelen waren al snel met winst door te plaatsen. Er werd een behoorlijk dividend op uitgekeerd.

Honorarium

Bij die transactie speelde Hogguer overigens geen doorslaggevende rol. De tussenpersoon was de bankier en zakenadvocaat Jan Bondt, die een benoeming in de directie van de Nederlandsche Bank had geweigerd, maar door de vorst tot advocaat-consulent ( juridisch adviseur ) van de bank werd benoemd en vaak bij de directievergaderingen aanwezig was. Bondt was ook jarenlang financieel adviseur van Willem I zelf.

De directeuren waren overigens parttimers. Ze konden naast dit werk ook eigen zaken doen. Hogguer deed dat dus niet meer, maar hij was zo vermogend dat hij het zich volgens een andere geschiedschrijver van de Nederlandsche Bank, A.F. Kamp, kon veroorloven om geen honorarium voor zijn bemoeienissen te aanvaarden.

Zo onderstreepte hij zijn onafhankelijkheid. Het directiehonorarium werd trouwens niet door de aandeelhouders of de commissarissen, maar door de vorst vastgesteld. Net als de andere directeuren was Hogguer krachtens het octrooi wel verplicht voor ten minste 10.000 gulden aandeelhouder geworden, en deelde hij dus in de winst (die steeds werd behaald).

Herenhuis

De dagelijkse leiding van de bank hadden de secretaris en de kassier-generaal. De secretaris werd net als de president steeds benoemd door de vorst en vanaf 1821 was deze officieel verplicht om in het herenhuis naast de bank te wonen.

In Hogguers bestuursperiode was de bank nog klein en in opbouw, en vooral bezig met het disconteren van wissels, oftewel het inkopen van wissels tegen een lagere prijs dan de nominale waarde. Daarin zat de winst voor de bank. Het is een tegenwoordig nagenoeg verdwenen vorm van kredietverlening aan de handel en het financieel bedrijfsleven (banken, handelshuizen die ook bankzaken deden, en niet in de laatste plaats effectencommisionnairs).

Het beleid was conservatief, en ook de kredietverlening werd strak in de hand gehouden uit angst dat de bank misschien niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen. De bankbiljettencirculatie stelde nog nauwelijks wat voor.

Bankbiljetten

Volgens historicus Joost Jonker, kenner van de Nederlandse financiële wereld in die periode, prefereerde men in de handel nog lang de vertrouwde kassierskwitanties. Bankbiljetten konden dan ook nog jarenlang met de hand worden uitgeschreven op gedeeltelijk voorgedrukte formulieren. Net als kassierskwitanties.

Voor gewone burgers waren bankbiljetten van geen enkel belang, alleen al niet vanwege de voor die tijd zeer hoge minimale waarde van 25 gulden.

De drukorder voor de bankbiljetten ging naar drukkerij Joh. Enschedé in Haarlem. Die zou tot het eind van het guldentijdperk de vaste bankbiljettendrukker van Nederland blijven.

Krediet

Veel tijd om een persoonlijk stempel op het bestuur van de Nederlandsche Bank te drukken, heeft Paul Iwan Hogguer niet gehad. Bekend is dat onder zijn bestuur de bank in 1815 weigerde om krediet te geven op basis van door de staat uitgegeven schuldbewijzen (‘gouvernementspapier te disconteren’).

Dat kwam de bankbestuurders te dicht in de buurt van de in het octrooi verboden kredietverlening aan de overheid.

Braafheid

Hogguer overleed onverwacht op 19 november 1816 en werd postuum geprezen voor zijn ‘godsvrucht, braafheid en menslievendheid’.

De kunstverzameling van de eerste mevrouw Hogguer werd na zijn dood geveild, zijn twee overlevende broers lieten wat nog resteerde van het huis Hogguer & Co. liquideren.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.