Paul de Hen

DNB-president Jacob Fock: al vroeg met de bank verbonden

Door Paul de Hen - 04 juli 2014

Oud-Elsevier-redacteur Paul de Hen bespreekt maandelijks een president van De Nederlandsche Bank (DNB). Dit keer: Jacob Fock (15 april 1770-21 november 1835), de vierde president (1828-1835).

Geboren in 1770 was Jacob Fock een generatie jonger dan zijn drie rond 1760 geboren voorgangers als president van de Nederlandsche Bank.

Als een van de drie (parttime) directeuren die in 1814 door vertegenwoordigers van de aandeelhouders waren aangewezen, was hij al vanaf het begin met de bank verbonden.

Zakenmilieu

Fock kwam uit hetzelfde deftige Amsterdamse zakenmilieu als zijn voorgangers. Hij  was assuradeur (verzekeraar), lid van de firma Weduwe Jacob de Clercq (zijn moeder was Cornelia de Clercq) en de zwager van de alomtegenwoordige mr. Jan Bondt, advocaat-consulent van de Nederlandsche Bank.

Een van Focks zoons, ook een Jacob, werd op zeker moment partner van Determeyer Weslingh. Dit was het bankiers- en handelshuis waarvan Bondt, naast zijn bezigheden als jurist, de leidende partner was.

Een andere zoon, Abraham, zou later eveneens president van de Nederlandsche Bank worden. Deze zoon was getrouwd met de zuster van Jacobus van Heekeren, die onder eigen naam het bedrijf voortzette van zijn pleegvader: de kortstondige DNB-president Jacques Teysset (1827-1828).

Om nog even in de familie te blijven: Abraham Focks zoon, ook weer Jacob geheten, was op zijn beurt in de tweede helft van de negentiende eeuw een van de parttimedirecteuren van de Nederlandsche Bank. Een functie die hij vervulde naast zijn activiteiten als chef van Determeyer Weslingh.

Doopsgezind

Leden van de familie Fock waren ooit uit Danzig (de Poolse stad Gdansk aan de Baltische Zee) naar Amsterdam getrokken. Daar hoorden ze, ondanks hun welstand en aanzien, echter niet bij de oude regenten die het vóór 1795 in de stad voor het zeggen hadden.

Dat kon niet, want ze waren doopsgezind. Om voor de staatsomwenteling in 1795 in het stadsbestuur actief te kunnen zijn, moest je hervormd zijn. Nadien golden zulke beperkingen niet meer.

In de doopsgezinde kring hoorde de familie Fock tot de prominentste leden, naast families als Van Eeghen, De Neufville en Hulshoff. Jacob Fock zat in de kerkenraad van de Amsterdamse doopsgezinden en was daarnaast curator van het doopsgezind seminarie waar nieuwe predikanten voor het kerkgenootschap werden opgeleid.

Godfried Quack, van 1877 tot 1912 achtereenvolgens secretaris en directeur van de Nederlandsche Bank, schrijft in zijn Herinneringen over de directeuren in zijn tijd dat zij ‘van verschillende hoeken en kanten uit de bedrijfswereld van Amsterdam’ kwamen, maar dat ‘het doopsgezinde element altijd enigszins bleef domineeren bij de keuze van leden der directie’.

Eerder schreef Quack in Herinneringen: ‘Men zal den bloei van Amsterdam in de eerste helft der negentiende eeuw nooit goed begrijpen wanneer men geen rekening houdt met de werkzaamheden in den handel der zeer vermogende Doopsgezinde inwoners van Amsterdam en omstreken (…)’ Bij de Nederlandsche Bank begon dat dus met het directeurschap van Jacob Fock.

Naast zijn activiteiten als assuradeur was Fock van 1804 tot zijn overlijden in 1835 ook een van de onbezoldigde directeuren van de Directie der Oostersche Handel en Reederijen, een college dat zich bezighield met de belangenbehartiging van de vanouds belangrijke Amsterdamse handel met landen aan de Baltische Zee.

Opstand

Tijdens Focks presidentschap kwam het tot een regelrechte confrontatie van de Nederlandsche Bank met koning Willem I. In 1830 was in Brussel een opstand uitgebroken die zich verbreidde over de zuidelijke provincies van het Verenigd Koninkrijk.

Dat leidde tot paniek op de Amsterdamse beurs, waarmee de Nederlandsche Bank zich niet bemoeide, behalve dat zij een besluit uitstelde om beleningen (een vorm van krediet, vooral van belang voor het effectenbedrijf) tijdelijk te staken.

De opstand leidde ook tot geldnood bij de regering. Het leger werd ingezet, en de belastinginkomsten uit het Zuiden – waar meer mensen woonden dan in het Noorden van het koninkrijk – vielen weg.

In februari 1831 werden Fock en zijn mededirecteur Willem Mogge Muilman ontboden bij de Koning en de minister van Financiën, jonkheer Arnold van Tets van Goudriaan. Zij vroegen een voorschot van de bank aan de staat van 5 miljoen gulden, met als onderpand schatkistbiljetten (heel kortlopende leningen) die de staat wilde uitgeven. Fock en Muilman voelden er niets voor, maar op verzoek van de Koning zegden ze toe om de voltallige directie te raadplegen. Ook die wees het verzoek af.

Van Tets vroeg vervolgens om dan desnoods maar 1 miljoen gulden voor te schieten. Fock weigerde opnieuw. Willem I was boos, maar machteloos: hij mocht dan aandeelhouder zijn, evenals de staat, de bank was niet aan de regering ondergeschikt.

Lening

Drie jaar later waren Fock en zijn mede-directieleden toeschietelijker. Willem I weigerde het internationale verdrag te aanvaarden dat België onafhankelijk maakte. Deze patstelling – de ‘volhardingspolitiek’ –  duurde jaren. Al die tijd bleef een groot leger gemobiliseerd, wat miljoenen vergde. De afwijzende opstelling van de Koning kreeg aanvankelijk brede steun van de Amsterdamse financiële elite.

Mogelijk zal ook een rol hebben gespeeld dat het octrooi waarbij Willem I in 1814 de bank had opgericht zijn einde naderde: het gold voor 25 jaar, en liep dus in 1839 af.  De Koning ging over een verlenging.

In 1834 gaf de Nederlandsche Bank de staat een kortlopende lening van 2,8 miljoen, met schatkistbiljetten als onderpand. Dat gebeurde in het diepste geheim, een stroman van de staat tekende het contract.  Maar toen het uitlekte, bleek dat geen effect te hebben op de reputatie van de bank.

Evenmin tastte het haar financiële draagkracht aan, anders dan bij de Nederlandsche Handel-Maatschappij, ook een initiatief van de Koning, die onder druk in deze jaren zulke grote kredieten aan de staat gaf dat zij in de problemen dreigde te raken.

Handel-Maatschappij

De Handel-Maatschappij was minder dan de bank in staat om druk te weerstaan. Dit kwam doordat zij wegens haar positie en activiteiten – in toenemende mate gespitst op de handel met Nederlands-Indië, het huidige Indonesië – voor haar dagelijkse bedrijfsvoering veel meer gebonden was aan de Nederlandse en de koloniale overheid.

Volgens Willem Mansvelt, die de eerste honderd jaar van de Handel-Maatschappij beschreef, deed de directie van die instelling een paar maal een beroep op de Nederlandsche Bank. Zo probeerde zij onder meer om de bank over te halen om wissels die de Handel-Maatschappij trok op het departement van Koloniën in disconto te nemen (dat wil zeggen: ze als basis voor kredietverlening aan de Handel-Maatschappij te gebruiken, die vervolgens het geld doorschoof naar de staat). Daarop reageerde de bank afwijzend.

Vanaf 1834 gaf de Nederlandsche Bank geregeld voorschotten aan het Rijk, met volgens bankgeschiedschrijver De Jong als maximum een bedrag van 6,55 miljoen gulden gedurende enkele weken in juli 1843. Dat was dus ruim na het aftreden van Willem I in 1840.

Vanaf 1836 gaf de bank de staat bovendien een reductie op de rente die de staat op deze voorschotten moest betalen. Maar toen was Jacob Fock al overleden en als president van de Nederlandsche Bank opgevolgd door Muilman.

Leden van de familie Fock hebben nog generaties lang belangrijke functies vervuld in Nederland, onder meer als minister en hoge ambtenaar.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.