Paul de Hen

DNB-president Muilman: de eerste die niet in het harnas stierf

Door Paul de Hen - 28 juli 2014

Elsevier-medewerker Paul de Hen bespreekt maandelijks een president van De Nederlandsche Bank (DNB). Dit keer: mr. Willem Ferdinand Mogge Muilman (22 februari 1778-14 december 1849), de vijfde president (1835-1844).

Willem Mogge Muilman was een zeer deftige Amsterdammer, die van zijn moeder de familienaam Mogge en de heerlijkheid Haamstede op Schouwen-Duiveland had geërfd. Zijn moeder was geboren in Amsterdam, maar de Mogges waren oorspronkelijk regenten uit Zierikzee.

Zijn in 1812 overleden vader Henric Muilman had een befaamde kunstverzameling en behoorde tot de Amsterdamse regenten: hij was voor de Bataafse omwenteling van 1795 schepen en lid van de vroedschap geweest (een adviserende raad).

Baanderheer

Net als zijn voorgangers als president van de Nederlandsche Bank had Willem Muilman deel uitgemaakt van het ‘Provisioneel Bestuur’ van Amsterdam na het vertrek van de Fransen, eind 1813, en daarna van de Notabelenvergadering die de Grondwet van 1814 aannam.

Die laatste positie bekleedde hij namens Zeeland, waar hij immers baanderheer van Haamstede was: oorspronkelijk was dat een edelman die het recht had om zijn mannen onder zijn eigen banier ten strijde te voeren. Of Muilman vaak in Haamstede kwam, is twijfelachtig gezien de reisafstand. Maar hij beschikte ook over een landgoed in de buurt van Amsterdam: Meervliet, bij Velsen.

In de zomer van 1813 gaven de aandeelhouders van de Nederlandsche Bank Muilman een directeursplaats. Dat was een parttimebaan, hoewel Muilman – in 1814 pas 36 jaar – al rentenierde en zich bezighield met zijn ambachtsheerlijkheid. De familie Muilman had namelijk in 1811 het handels- en bankiershuis Muilman & Zn geliquideerd, dat was opgericht in 1727.

Willem Muilman was sinds 1802 in de firma opgenomen. Dit gebeurde na zijn rechtenstudie in Leiden, waar hij promoveerde op stellingen (juristen deden dat in die tijd vaker, een proefschrift was niet nodig om een meestertitel te kunnen verwerven).

Muilman & Zn deed internationale zaken en had kantoren in Amsterdam en Londen, maar zoals veel meer Amsterdamse huizen had het in 1811 weinig meer omhanden als gevolg van Napoleons blokkade tegen de Britten, die de economie van de stad vrijwel tot stilstand bracht.

Nieuw octrooi

Muilman was niet alleen rentenier en parttime bankdirecteur, hij was ook politiek actief. Van 1817 tot 1833 zat hij in de raad van Amsterdam, van 1822 tot zijn dood in december 1849 maakte hij deel uit van Provinciale Staten van Noord-Holland. Dat deed hij dus ook terwijl hij president was van de Nederlandsche Bank.

Als bankpresident kreeg hij te maken met ingrijpende ontwikkelingen. In maart 1839 liep na 25 jaar het octrooi af waarbij koning Willem I de bank had opgericht. Het is goed voorstelbaar dat de directie van de bank hierom in de voorgaande jaren in toenemende mate bereid was om de staat een handje te helpen met zijn uitpuilende schuldproblemen. Voor een nieuw octrooi was de bank immers afhankelijk van de regering. Maar voor octrooiwijzigingen voelde zij weinig.

Voorjaar 1838 was Muilman op audiëntie bij de Koning om over het nieuwe octrooi te praten. Daar keerde hij zich tegen veranderingen. Vergeefs. In de zomer ontving de directie een nota van minister van Financiën jonkheer mr. Gerard Beelaerts van Blokland met een reeks voornemens tot wijziging.

De volgende dag al kwam de minister naar Amsterdam om hierover te praten. Beelaerts wilde onder meer een regeringscommissaris om het toezicht op de Nederlandsche Bank te versterken, uitbreiding van de werkzaamheden die de bank mocht verrichten en gratis dienstverlening ten behoeve van het Rijk. Ook wilde Beelaerts bijkantoren buiten Amsterdam vestigen.

Tegen dat laatste was Muilman persoonlijk gekant, met enige reden. Met de trage verbindingen in die dagen zou elk bijkantoor in grote mate op zichzelf zijn aangewezen, wat de eenheid van bestuur en het beleid van de bank zou bedreigen. Ook zag hij niets in een regeringscommissaris.

Patentbelasting

Muilman had zich tijdens zijn audiëntie bij de Koning niet hard verzet tegen uitbreiding van de werkzaamheden. De bank mocht op dat moment alleen bankrekeningen aanhouden voor de overheid en daarmee verbonden organisaties.

Dat zou kunnen worden uitgebreid tot particulieren – lees: vooral de Amsterdamse handels- en bankiershuizen. Maar de bankpresident was zich ervan bewust dat sommige directeuren en commissarissen tegen die uitbreiding waren, omdat zij de traditionele Amsterdamse kassiers niet wilden beconcurreren.

In juli kwam minister van Financiën Beelaerts ook nog met het idee dat de bank de schatkist zou kunnen spekken door net als andere bedrijven in die tijd een zogenoemde patentbelasting te betalen en daarnaast een jaarlijkse recognitie (heffing). De directie was hierdoor onaangenaam verrast.

Op 9 augustus 1838 ontving Beelaerts bankpresident Muilman, directeur Ananias Willink en de invloedrijke advocaat-consulent van de bank Jan Bondt, die tevens financieel adviseur van de Koning was. De heren kregen te horen wat er in het nieuwe octrooi zou staan.

De bank moest accepteren dat zij haar werk voor het Rijk voortaan gratis zou verrichten, maar kreeg als compensatie nieuwe mogelijkheden: het openen van bankrekeningen voor particulieren en het verstrekken van krediet op zogenoemde promessen: papieren waarop een partij verklaart geld te zullen betalen aan een andere partij, zonder dat een derde partij meetekent  – zoals bij wissels. Promessen bieden dus minder zekerheid dat er werkelijk zal worden betaald dan de wissels die de bank volgens het geldende octrooi uit 1814 uitsluitend als basis voor kredietverlening mocht nemen.

De bank werd verplicht om een bijkantoor in Rotterdam te vestigen en zij verloor haar belastingvoordelen. Aan dat laatste werd later een mouw gepast door de patentbelasting eind 1840 af te kopen voor een vaste uitkering aan het Rijk van 10.000 gulden per jaar. De verplichting om een bijbank te beginnen, werd jarenlang door de directie genegeerd.

Gepikeerd

De veranderingen in het nieuwe octrooi vielen mee, maar Muilman en andere directeuren waren bijzonder gepikeerd over de gang van zaken. Zowat 130 jaar later diepte Piet Spigt, die publiceerde over de Nederlandsche Bank, uit de archieven het vervolg op: Muilman en Willink wilden bij het in werking treden van het nieuwe octrooi niet worden herbenoemd.

Muilmans weigering was zo stellig dat al naar een andere bankpresident werd omgezien. Dat bleek een probleem. Niemand werd eigenlijk ervaren en fysiek fit genoeg bevonden om de functie over te nemen.

Ten slotte haalde de uiteraard te hulp geroepen advocaat-consulent Jan Bondt de Koning en ministers over om de boze bankpresident en bankdirecteur Willink in een vleiende brief te laten weten hoezeer de Koning hun werk waardeerde. Muilman trok zijn aangekondigde aftreden in.

Conflict

Zoals de tegenstanders in directie en raad van commissarissen van de bank al hadden voorzien, waren de kassierskantoren niet blij met het nieuwe octrooi. Al helemaal niet toen Muilman in 1839 een meerderheid meekreeg om particulieren bankrekeningen aan te bieden tegen een provisie van slechts een half promille per jaar.

De kassiers vroegen voor hun diensten meestal het dubbele of zelfs meer; alleen de grootste klanten hoefden ook bij hen slechts een half promille provisie te betalen. Het belangrijkste kassiersbedrijf, de Associatie-Cassa, voerde een groep van elf protesterende kassiersbedrijven aan.

Dit was een conflict binnen de Amsterdamse financiële elite. De oude advocaat-consulent Jan Bondt bijvoorbeeld was in 1806 een van de oprichters geweest van de Associatie-Cassa. Zijn schoonzoon Floris van Hall, prominent zakenadvocaat, stond de kassiers juridisch terzijde. Toen de bank niet wilde wijken, deed de Associatie-Cassa een tegenzet.

Sinds in 1824 een nieuwe zegelwet van kracht was geworden, stond vast dat op kassierskwitanties net als op bankbiljetten van de Nederlandsche Bank geen zegelrecht verschuldigd was. De Associatie-Cassa ging nu kassiersbiljetten aan toonder uitgeven met vaste waarden – sprekend bankbiljetten.

Sommige kassiers waren bereid om deze kwitanties kosteloos in muntgeld te wisselen, terwijl ze voor het wisselen van bankbiljetten van de Nederlandsche Bank een kleine provisie vroegen. De bank sloeg terug door voortaan kassierspapier kosteloos in bankpapier om te wisselen.

Bovendien vroeg de bank de minister van Financiën zijn mening over het uitgeven van ongezegelde kassierskwitanties aan toonder. De minister verklaarde dat die anders dan ‘gewone’ kassierskwitanties niet onder de vrijdom van zegelrecht vielen, waarop de bank de ongezegelde kwitanties weigerde en de minister de Associatie-Cassa een boete oplegde. De Associatie-Cassa ging naar de rechter, de minister verloor zijn zaak.

Na bemiddeling door de prominente bankier Adriaan van der Hoop, een van de firmanten van het toonaangevende bankiershuis Hope & Co, werd het conflict begin 1840 bijgelegd. De Associatie-Cassa zou geen kwitanties aan toonder meer uitgeven, de Nederlandsche Bank zou weer provisie vragen voor het inwisselen van kassierspapier in bankbiljetten, maar de provisie op rekeningen van particulieren bleef een half promille. Niet dat het veel uitmaakte, want de particuliere rekeninghouders stroomden niet toe.

Kassierskwitanties

Ook in Muilmans tijd was de Nederlandsche Bank een op Amsterdam geconcentreerde instelling, geen nationale circulatiebank. Volgens diverse historici was zij bovendien ook in Amsterdam niet erg populair, getuige de relatief beperkte bankbiljettencirculatie ten opzichte van het Nederlandse nationaal inkomen.

Daar kan tegenin worden gebracht dat de kassiers in belangrijke mate voorzagen in de behoefte aan met papiergeld vergelijkbare betaalmiddelen (de kassierskwitanties) en dat de Amsterdamse financiële elite toch maar steeds bestuurders voor de bank leverde en ook, als het aan de orde was, grif nieuw kapitaal beschikbaar stelde.

Op basis van het nieuwe octrooi mocht de bank haar kapitaal verhogen van 10 tot 15 miljoen gulden. Dat lukte in 1840 opnieuw moeiteloos, net als in 1819. De zittende aandeelhouders betaalden 1.150 gulden per aandeel van nominaal 1.000 gulden. Anders dan in 1819 deed de staat als grootaandeelhouder mee, voor 500.000 gulden, maar dat bleek een kortetermijnbelegging. De door de staat nieuw verworven aandelen werden binnen een jaar met winst doorverkocht.

Een teken dat in Den Haag een nieuwe wind waaide.

Sanering

Koning Willem I trad af in oktober 1840 nadat de patstelling rond het verdrag met België was beëindigd (hoewel België zich al in 1830 van Nederland had afgescheiden, weigerde Willem I jarenlang het internationale verdrag dat de scheiding bezegelde te accepteren. Pas in maart 1838 gaf hij zijn verzet op. Een jaar later werd het verdrag tussen Nederland en België alsnog getekend).

Een tweede reden voor de Koning om af te treden, was de felle kritiek van de protestantse publieke opinie op zijn voornemen te hertrouwen met een katholieke, uit België afkomstige, hofdame.

Intussen was duidelijk geworden hoe diep hij de staat in de schulden had gestoken. De Koning had geprobeerd dat te verhullen via het Amortisatiesyndicaat  –  een fonds dat buiten de begroting opereerde  –  en via onder flinke druk verstrekte grote leningen van de Nederlandsche Handel-Maatschappij, die mede door Willem I was opgericht.

Advocaat Floris van Hall was een van degenen die de precaire schuldpositie aan de kaak had gesteld. Hij kreeg tussen 1843 en 1848 de kans om zelf als minister van Financiën een oplossing te vinden.

Dat lukte in 1843-1844 met krasse maatregelen: het deel van de staatsschuld waarop sowieso al geen rente werd betaald, werd omgezet in een nieuwe rentedragende schuld, maar wel in een verhouding van 6,8 op 100. Dat wil zeggen dat elke 100 gulden oude schuld werd omgezet in een nieuwe schuld van 6 gulden en 80 cent. Er werd dus enorm op afgeboekt.

Bovendien werd onder dreiging met een dwanglening van 127 miljoen gulden ‘vrijwillig’ geld door investeerders aan de Nederlandse staat geleend tegen een rente van 3 procent. In die jaren was dat voor de staat een laag rentepercentage.  Bij deze sanering van de staatsfinanciën speelde Muilmans Nederlandsche Bank overigens geen rol.

Willem Mogge Muilman trad in 1844 terug als president, op 66-jarige leeftijd. Hij was de eerste president die niet in het harnas stierf. De heerlijkheid Haamstede werd na zijn dood in 1849 door de erven verkocht.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.