Paul de Hen

DNB-president Pierson: een periode zonder strubbelingen

Door Paul de Hen - 28 november 2014

Elsevier-medewerker dr. Paul de Hen bespreekt maandelijks een president van De Nederlandsche Bank (DNB). Dit keer: Nicolaas Gerard Pierson (7 februari 1839-24 december 1909), de negende president (1885-1891).

In de tweede helft van de negentiende en de beginjaren van de twintigste eeuw hebben generaties Nederlandse scholieren en studenten hun economiekennis vooral opgedaan uit de leerboeken van Nicolaas Pierson.

Zijn Leerboek der Staatshuishoudkunde (deel I verscheen in 1885, deel II in 1890), bedoeld voor de universiteit, was zo’n succes dat het ook in het Engels, Frans en Italiaans is vertaald.

Autodidact

Mr. Nicolaas (Klaas) Pierson was een internationaal gerenommeerd econoom, lid van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen (KNAW) en van Britse en Italiaanse wetenschappelijke genootschappen. In 1904 verleende de Britse University of Cambridge, een belangrijk centrum van economische studie,  hem een eredoctoraat.

Opmerkelijk, voor een autodidact. Klaas Pierson was van 1877 tot zijn benoeming tot president van de Nederlandsche Bank, begin 1885, de eerste hoogleraar economie (‘staathuishoudkunde’ heette dat toen) aan de net opgerichte  Gemeente Universiteit van Amsterdam, maar hij had zelf nooit gestudeerd. Zijn meestertitel ontleende hij aan zijn eerste eredoctoraat, in 1875 door de Universiteit Leiden toegekend.

Zijn naam als econoom had hij toen al ruimschoots gevestigd met tal van tijdschriftartikelen en brochures over economische onderwerpen, onder meer over de Nederlandsche Bank. In een aandachttrekkende publicatie uit 1863, aan de vooravond van de nieuwe Bankwet, had hij het monopolie van de centrale bank op het uitgeven van bankbiljetten verdedigd. Hij was toen 24.

In die tijd was zo’n monopolie omstreden onder economen. Een van degenen die Pierson door diens standpunt zeker opmerkte, was de nieuwe president van de Nederlandsche Bank Willem Mees (1863-1884).

In daaropvolgende jaren publiceerde Pierson in het tijdschrift De Economist bovendien jaarlijks een kritische analyse van Mees’ jaarverslag.

Te ‘rood’

Mees leerde Pierson nader kennen door discussies tijdens vakanties die toevallig op dezelfde plaatsen werden doorgebracht, namelijk het Britse eiland Wight en de Duitse plaats Baden-Baden, bekend om zijn warmwaterbronnen.

Toen in 1868 een directieplaats vrijkwam bij de Nederlandsche Bank, droeg Mees de jonge econoom voor. Pierson haalde zijn eerste plaats op voordracht aan de aandeelhouders maar net: tien leden van de 21 leden tellende raad van commissarissen hadden tegen gestemd. De grote minderheid vond hem vanwege zijn scherpe artikelen en zijn links-liberale sympathieën veel te ‘rood’.

Ook de aandeelhouders waren verdeeld, maar Pierson kreeg in hun vergadering toch een ruime meerderheid. Een zetel in Provinciale Staten van Noord-Holland, die hij net had verworven, nam hij niet in.

Geringe werklast

Lid van de directie van de Nederlandsche Bank moet een ideale baan zijn geweest voor de wetenschapper.  Volgens Piersons biograaf J.G.S.J. van Maarseveen vergde de directiefunctie gemiddeld vier uur per dag (in: Nicolaas Gerard Pierson. Handelsman, econoom en bankier. Eerste periode 1839-1877). De geringe werklast gecombineerd met een riant salaris plus winstaandeel betekende dat er veel tijd overbleef voor wetenschappelijk werk.

Een eveneens goedbetaalde functie van directeur van de nieuwe Openbare Handelsschool te Amsterdam weigerde hij,  juist vanwege het te verwachten beslag op zijn tijd.

Tot 1880 bleef Pierson veelvuldig publiceren, daarna slokte het schrijven van zijn handboek en vervolgens het presidentschap van de Nederlandsche Bank en ten slotte de nationale politiek hem op. Voor het presidentschap legde hij overigens zijn (onbezoldigde) hoogleraarschap aan de Amsterdamse gemeente-universiteit neer.

Nota bene: Pierson was de enige president in de geschiedenis van de Nederlandsche Bank die deze functie voortijdig opgaf om minister te worden, en uiteindelijk zelfs premier.

Protestant

Klaas Pierson had er in zijn jonge jaren zelf voor gekozen om niet naar de universiteit te gaan. Zijn grootvader en zijn beide oudere broers waren predikanten; de broers, Allard en Hendrik, zelfs nationaal gerenommeerd.

Maar Allard gaf het domineesambt op en werd uiteindelijk, net als Klaas, in 1877 hoogleraar aan de nieuwe Amsterdamse Gemeente Universiteit – in zijn geval in onder meer kunstgeschiedenis. (Het naar hem genoemde Allard Pierson Museum is tegenwoordig ondergebracht in het voormalige hoofdkantoor van de Nederlandsche Bank.)

Hun vader was zakenman. J.L. Gregory Pierson maakte de Latijnse school in Alkmaar, waar zijn vader predikant was, niet af. Van Maarseveen vermoedt vanwege financiële problemen in het domineesgezin.  Gregory Pierson ging in de leer bij een familielid die in Amsterdam handelde in venster- en spiegelglas. Hij werd een geslaagde zakenman die naast zijn glashandel ook handelde in effecten en koloniale waren.

Omstreeks Klaas’ geboorte in 1839 raakten hij en zijn vrouw Ida Oyens nauw betrokken bij de protestantse beweging het Reveil, bestaande uit een groep deftige protestanten die zowel hechten aan een persoonlijke geloofsbeleving als aan een actief uitgedragen evangeliserend christendom. Voormannen van het Reveil als Isaac da Costa kwamen bij de Piersons thuis.

Klaas Pierson bleef zijn hele leven een gematigd Nederlands hervormd protestant. Hoe liberaal hij als econoom en als politicus ook mocht zijn, in de schoolstrijd die toen woedde, sloot hij zich volgens Van Maarseveen aan bij de opvattingen van de protestantse partij die ruimte wilde voor eigen confessionele scholen naast het overheidsonderwijs. De liberalen waren voorstander van overheidsscholen.

Een andere constante was zijn koningsgezindheid. Pierson was een aanhanger van de constitutionele monarchie en van het Huis Oranje-Nassau, waarmee hij in de personen van koningin-regentes Emma en haar dochter Wilhelmina als minister en premier ook direct te maken had.

Studiereis

Nicolaas Pierson ging dus niet naar de universiteit, maar op zijn veertiende naar een protestantse Engelse school in Brussel. Daar kon hij zich twee jaar op moderne talen concentreren en besloot hij zakenman te worden, net als zijn vader. Terug in Amsterdam ging hij werken bij een handelsfirma die vooral in katoen handelde en volgde hij lessen op een handelsschool.

Een stage bij een katoenhandelshuis in Liverpool volgde en daarna een reis naar de Verenigde Staten. Via New York reisde hij naar de grote katoencentra in het zuiden.

Zo’n studiereis naar Amerika, en zijn latere jaarlijkse vakanties in het buitenland, zijn nu heel gewoon. In Piersons tijd waren ze alleen betaalbaar voor een bemiddelde elite.

In de zuidelijke staten van de Verenigde Staten bewerkten toen, in 1858, zwarte slaven de katoenplantages. Tot verbazing van zijn ouders, felle tegenstanders van de slavernij, ontwikkelde Pierson er begrip voor dit stelsel. In New Orleans verdiepte hij zich ook in het bankwezen dat in de staat Louisiana in zijn ogen goed georganiseerd was. Terug in Nederland leidde dat tot een publicatie.

Katoenhandel

Maar vooreerst werd Klaas Pierson ondernemer. Samen met Herman Bernard Wiardi Beckman, één jaar ouder, begon hij in 1861 een handelsfirma in katoen en koloniale waren. De firma overleefde de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865), die de katoenhandel ernstig bemoeilijkte en een eind maakte aan de slavernij.

Daarnaast verdiepte Pierson zich steeds verder in economische vakliteratuur en begon hij zich als publicist te manifesteren. Hij was een van de oprichters van de Staatshuishoudkundige Vereeniging, waarin hij andere jonge economisch geïnteresseerden ontmoette, zoals de Groningse advocaat Sam van Houten. De katoenhandel bleek toch niet zijn roeping.

Surinaamsche Bank

In 1864 kwam Nicolaas Pierson in contact met de Surinaamse zakenman Simon Abendanon, die een circulatiebank voor Suriname wilde oprichten om de economie te stimuleren. Deze was na de afschaffing van de slavernij in 1863 vastgelopen. Abendanon kreeg steun van de befaamde Amsterdamse ondernemer, bankier, arts en filantroop Samuel Sarphati.

Zo kwam in januari 1865 de Surinaamsche Bank tot stand, waaraan een octrooi werd verleend om  in de kolonie op te treden als centrale bank met het recht om bankbiljetten uit te geven. Pierson werd een van de twee in Amsterdam zetelende hoofddirecteuren.

Het kostte hem, schrijft biograaf Van Maarseveen, in doorsnee twee werkuren per dag. Kantoor hield hij aan huis, waarvoor het jonge echtpaar Pierson een ruimer huis aan de Herengracht betrok.

Klaas Pierson was in 1862 getrouwd met Catharina (Cateau) Waller, ook afkomstig uit een zakenfamilie. Het huwelijk bleef kinderloos.

Cateau werd Klaas’ ‘vertrouwde in alle zaken’, schrijft politicus Hendrik Willem de Beaufort, minister van Buitenlandse Zaken in Piersons kabinet, na Piersons dood.

Mo-akte

Intussen gaf Pierson tot zijn benoeming bij de Nederlandsche Bank ook een paar uur per week les aan de handelsschool waar hij zelf eerder cursussen volgde en, als die wordt opgeheven, aan de opvolger daarvan. Daarvoor moest hij in 1864 een onderwijsbevoegdheid halen.

De nieuwe school viel namelijk onder de Middelbaaronderwijswet van 1863, die dat regelde. Zo werd Klaas Pierson de eerste Nederlander die een mo-akte economie (‘staathuishoudkunde’) verwierf, als enige van de drie opgekomen kandidaten. Volgens de examinator, professor Buys, wist hij meer van de materie dan de examinator zelf.

Kas-Vereeniging

De Surinaamsche Bank bleef intussen een bescheiden onderneming. Pierson stond in 1865 nog wel met een generatiegenoot, de Haarlemse bankier  Gideon Boissevain, aan de wieg van de Kas-Vereeniging. Deze was bedoeld als een moderne bank, opererend als een naamloze vennootschap die rente gaf op deposito’s.

De Kas-Vereeniging moest het Amsterdamse bank- en kassierswezen opschudden en stuitte dus op flink wat weerstand, maar de oprichters zetten door. Heel groot is de instelling nooit geworden, in 1952 ging zij op in een fusie waarbij de huidige Kas Bank werd gevormd – tegenwoordig een gespecialiseerde bank voor het effectenbedrijf. (Aanvankelijk heette de fusiebank Kas-Associatie.)

Pierson bleef er in de beginjaren lang als commissaris bij betrokken, ook na zijn benoeming bij de Nederlandsche Bank. Hetzelfde gold voor zijn werkzaamheden voor de Surinaamsche Bank.

Bij de Nederlandsche Bank ontwikkelde Pierson zich vanaf 1868 tot de kroonprins van president Willem Mees. Politiek werd hij gematigder: hij bleef trouw aan de deftig-liberale kiesvereniging De Grondwet en stapte niet over naar de radicalere Burgerpligt, die in 1866 was opgericht door minder deftige en radicalere liberalen.

Als Pierson in 1881 op 42-jarige leeftijd wordt benaderd om minister van Financiën te worden, raadt Mees hem die stap af. ‘Wie zijn er onder de bankdirecteuren (…) buiten U en mij, die denkkracht en denklust genoeg hebben om een grondige bankpolitiek te vormen,’ laat hij volgens Mees’ biograaf H.J.M. van de Laar weten.

Niet dat de twee altijd op één lijn zaten. In 1879 blokkeerde Mees Piersons voorstel om het rekening-courantbedrijf van de bank fors uit te breiden, en zo het gebruik van giraal geld te bevorderen. De oude president vond dat de Nederlandsche Bank zich niet op het terrein van de handelsbanken moest begeven.

Staatsaandeel

Eenmaal president van de Nederlandsche Bank, vanaf 1885, kreeg Pierson te maken met een poging van het ministerie van Financiën om het octrooi van de bank tussentijds te wijzigen. Dat was nog net in het laatste levensjaar van zijn voorganger Mees begonnen.

Secretaris-generaal bij Financiën Sjoerd Bartstra publiceerde in september 1884 een brochure waarin hij op persoonlijke titel pleitte voor een staatsaandeel in de winst. Niet zo raar. De bank profiteerde van haar door de staat toegekende monopolie om bankbiljetten uit te geven en keerde zeer hoge dividenden uit. De Nederlandse schatkist stond er bovendien na tientallen jaren van voorspoed niet zo best meer voor.

Na de grote sanering die financiënminister Floris van Hall in 1844 had doorgevoerd, was het aanvankelijk steeds beter gegaan met de staatsfinanciën. Niet in de laatste plaats door de opbrengsten uit de kolonie Nederlands-Indië. Daar was het zogenoemde cultuurstelsel ingevoerd, waarbij boeren werden gedwongen voor de export te werken. Met succes. Het batig slot oftewel de totale winst die de kolonie aan de Nederlandse schatkist leverde, varieerde sterk, maar 13 miljoen gulden in één jaar was wel het minimum.

In het topjaar 1857 kwam er bijna 42 miljoen  binnen. De reguliere inkomsten van de staat beliepen in de jaren vijftig van de negentiende eeuw hooguit 70 miljoen gulden per jaar.

Maar het cultuurstelsel werd in 1870 afgeschaft. Pierson, die zich ook in koloniale vraagstukken verdiepte, was een van de bekende tegenstanders van de uitbuiting van de Javaanse boeren.

Aanvankelijk had de opbloeiende economie in Nederland zelf de financiële terugval opgevangen, maar met de opbloei kwamen ook nieuwe maatschappelijke eisen aan de overheid. De ‘sociale kwestie’ werd een belangrijk discussiepunt: wat te doen voor de armere bevolkingsgroepen, die geen sociaal vangnet hadden en vaak slecht behuisd waren? Vooral van de kant van radicalere liberalen, de kring met wie Pierson toch nog steeds werd geassocieerd, kwamen voorstellen voor meer overheidsingrijpen.  In combinatie met vrijhandel, dat wel.

Pierson zelf zag meer heil in coöperatieve samenwerking van arbeiders, zelfhulp dus. Daarnaast was een goede armenzorg gewenst. Maar de belangrijkste eis van de radicalen steunde hij onverkort: uitbreiding van het in Nederland zeer beperkte kiesrecht, waardoor veel meer mannen politieke invloed zouden krijgen.

Octrooi

Zowel Mees als Pierson was er voorstander van om de staat recht te geven op een aandeel in de winst van de Nederlandsche Bank, ook al was de staat geen aandeelhouder meer sinds Van Hall het staatsaandelenbelang had verkocht.

Mees kreeg het er bij de Bankwet van 1863 niet door. Na Bartstra’s voorzet in 1884 ging Mees in gesprek met het ministerie. In december 1884 stelde minister van Financiën Willem Grobbée officieel een wettelijk winstaandeel van de staat voor.

Na Piersons aantreden als bankpresident, begin 1885, werd het wetsvoorstel verder uitgewerkt: onder meer zou het octrooi van de bank tot 1904 worden verlengd. Volgens de geldende afspraak zou het in 1888 aflopen.

Bij invoering van de Bankwet van 1888 werd het octrooi na veel heen en weer gepraat door een nieuwe regering en een veranderde Tweede Kamer verlengd tot 1904, met daarna telkens tien jaar automatische verlenging. De staat kreeg een aandeel in de winst van de bank. De nieuwe Bankwet maakte het de Nederlandsche Bank mogelijk om actiever te opereren op de markt voor buitenlandse deviezen om zo de wisselkoers van de gulden te beïnvloeden. Dat was een wens van Pierson.

In 1901 zegde het christen-democratische kabinet-Kuyper het bestaande octrooi op in afwachting van weer een nieuwe bankwet.

Minister

Piersons presidentschap verliep zonder grote strubbelingen en economische crises. De internationale discussie over de vraag of geldsystemen het best op goud, op zilver, of op beide edelmetalen moesten worden gebaseerd, duurde voort en Pierson volgde daarin de lijn van zijn voorganger: eigenlijk liefst goud en zilver als basis, maar omdat andere landen meestal goud prefereerden, toch maar goud.

Zo had hij het wellicht graag gecontinueerd gezien, als in de zomer van 1891 de liberalen van diverse stromingen niet samen een verkiezingsoverwinning hadden geboekt. Koningin-regentes Emma vroeg de gematigd liberale burgemeester van Amsterdam Gijs van Tienhoven een nieuwe regering te vormen – wat in die tijd zonder enige publiciteit gebeurde.

Van Tienhoven haalde de invloedrijke voorman van de radicalere liberalen erbij, Johannes Tak van Poortvliet. Zij benaderden Pierson voor het ministerie van Financiën. In zijn boek Liberalen en Radicalen in Nederland, 1872-1901 schrijft Gerrit Taal: ‘voor een man als hij was het ministerschap geen propositie, te meer daar hij zeer gehecht was aan zijn werk bij de Bank’. Maar Pierson bezweek voor de druk van beide formateurs en kandidaat-minister van Justitie Hendrik Jan Smidt, die hem begin augustus 1891 gedrieën opzochten. Zonder hem zou ‘de combinatie instorten’, verzekerden zij hem. Weigering ‘zou een misdaad zijn’, concludeerde Pierson.

Een van de toezeggingen die hij kreeg, was dat hij een belastinghervorming zou mogen doorvoeren, nog voordat het kabinet begon aan wat het als een hoofdopgave zag: een ingrijpende uitbreiding van het kiesrecht.

Op 21 augustus 1891 werd het kabinet-Van Tienhoven-Tak van Poortvliet met Nicolaas Pierson op Financiën beëdigd. Zijn carrière bij de Nederlandsche Bank was voorbij.

Inkomstenbelasting

Pierson geldt als de man die Nederland de inkomstenbelasting bezorgde. In feite ging het om twee nieuwe belastingen: een vermogensbelasting en een bedrijfsbelasting. De vermogensbelasting was anderhalf promille (0,15 procent) over het veronderstelde rendement van het vermogen van 4 procent. De eerste 13.000 gulden vermogen was vrijgesteld.

De bedrijfsbelasting liep van 2 procent tot maximaal 3,3 procent op alle inkomsten, behalve die uit vermogen, vanaf 8.200 gulden. In een tijd waarin een doorsnee jaarloon nog steeds ruim onder de 1.000 gulden per jaar lag, werden dus alleen de allerhoogste inkomens en vermogens belast. De in het bedrijfsleven gehate patentbelasting werd afgeschaft.

Het is opmerkelijk dat uitgerekend Pierson deze belastingvoorstellen deed. Drieëntwintig jaar eerder had hij in een geruchtmakend artikel inkomstenbelasting nog op theoretische gronden afgewezen.

Verschuiving

De wens om in Nederland een inkomstenbelasting in te voeren, leefde al lang. Het Verenigd Koninkrijk bijvoorbeeld kende zo’n belasting. Het gold als een goede methode om hogere inkomens een groter deel van de overheidsuitgaven te laten dragen.

Het bestaande systeem van belastingen bestond vooral uit een veelheid van accijnzen, ook op eerste levensbehoeften, en de zogenoemde patentbelasting die bedrijven en sommige beroepsbeoefenaren moesten betalen, ongeacht de vraag of er winst werd gemaakt.

Ook belangrijk was de grondbelasting, die boeren en andere grondbezitters flink raakte. Door vooral consumptie te belasten, werden mensen met lage inkomens relatief zwaarder belast dan de meer welgestelden.

Wie arm was, had geen keus dan vrijwel zijn hele inkomen te consumeren. Vaak ging 40 procent of meer van een bescheiden huishoudbudget op aan eten en drinken, en daarop werd altijd belasting geheven.

Volgens Christianne Smit in haar dissertatie over de strijd over invoering van de inkomstenbelasting in Nederland (Omwille der billijkheid, 2002) was al vóór Piersons aantreden als minister een verschuiving begonnen van belastingen op consumptie naar belastingen op inkomen uit arbeid, maar niet op vermogen.

Er was wel een welstandsbelasting, de personele belasting, die steeds meer opleverde. Maar wie zijn rijkdom niet uitstalde, kon daaraan deels ontkomen. Diverse gemeenten hieven een plaatselijke inkomstenbelasting. In Amsterdam bijvoorbeeld was dat de belangrijkste gemeentebelasting , met in 1893 een tarief van 3,5 procent van het belastingplichtige inkomen. Maar een rijksinkomstenbelasting ontbrak.

Billijk

In 1871 kwam de liberale minister van Financiën Pieter Blussé van Oud-Alblas met een wetsontwerp voor de inkomstenbelasting. Zijn voorganger Pieter van Bosse had dat ook al voorgesteld, vergeefs.

Destijds keerde Pierson zich tegen het ontwerp-Blussé. Hij vond in die tijd dat gelijke belasting van gelijke inkomens niet zomaar billijk mocht worden genoemd. Van tevoren stond immers niet vast hoe het inkomen was verdiend en hoe het zou worden besteed. Op zijn minst moest worden bekeken hoe inkomens tot stand kwamen om ze daarna per onderdeel te belasten. Pierson verwachtte bovendien niet veel, en wisselvallige opbrengsten van een inkomstenbelasting.

Blussés wetsontwerp haalde het niet in de Tweede Kamer, maar de discussie  over een inkomstenbelasting en andere belastinghervormingen bleef bestaan.

Pierson bleef, als goed wetenschapsman, ook na 1871 nadenken over het onderwerp. Het leidde tot nieuw inzicht. ‘Rond 1880 was hij wel voorstander van een billijke belasting naar welstand,’ concludeert Christianne Smit.

Bovendien had de schatkist meer geld nodig. Pierson zei in de Tweede Kamer dat hij een tekort over 1891 voorzag, ook voor 1892, vooral als gevolg van hogere uitgaven voor het onderwijs.

Niet bezuinigen, maar aanpakken van de staatsschuld en belastinghervorming moesten voor de nodige middelen zorgen. De minister wilde dat laatste stapsgewijs doen. Hij deed het voortvarend en met inzet van zijn aanzienlijke welsprekendheid (Pierson was daarom ook een geliefd en bewonderd docent geweest).

Hervormingspakket

Nog voor de zomer van 1892 had het parlement Piersons eerste hervormingspakket aanvaard, met een belasting op inkomen uit vermogen en hervorming en afschaffing van accijnzen. De accijns op gedistilleerd (sterke drank) werd evenwel verhoogd. In 1893 volgde de bedrijfsbelasting, waarbij Pierson veel steun kreeg van zijn oude bekende Sam van Houten, intussen een doorgewinterd (en eigenzinnig) liberaal Kamerlid.

De opbrengst viel aanvankelijk nogal tegen. In 1895 en 1896 werden slechts 78.700 mensen voor de vermogensbelasting aangeslagen. (Gemiddeld hadden zij een vermogen van 69.000 gulden.) In 1900 leverden de vermogensbelasting en bedrijfsbelasting samen 11 procent van de totale belastingopbrengst.

Voordat Pierson toekwam aan de rest van zijn hervormingspakket (personele belasting, successierechten) viel het kabinet op de kiesrechthervorming. Minister Johannes Tak van Poortvliet was verantwoordelijk voor het wetsontwerp om het mannenkiesrecht flink uit te breiden – zij het lang niet zover als in Duitsland en Frankrijk, waar toen al negen van de tien mannen boven de 25 jaar konden stemmen voor het nationale parlement.

De Kamermeerderheid steunde een amendement dat de uitbreiding weer inperkte. Dat was zozeer tegen de zin van Tak van Poortvliet dat hij het hele voorstel introk om nieuwe verkiezingen te forceren. Behalve van premier Van Tienhoven kreeg hij steun van het hele kabinet, ook van Pierson.

De gok mislukte. Tak van Poortvliet en zijn medestanders kregen bij een matige opkomst niet voldoende steun voor hun ideeën. Pierson was minister-af en werd niet gevraagd voor het volgende, meer rechts-liberale kabinet-Röell (1894-1897), waarin Sam van Houten als verantwoordelijk minister alsnog een beperkter kiesrechthervorming door het parlement wist te krijgen. Piersons opvolger op Financiën, Jacobus Sprenger van Eyk, maakte het fiscale hervormingsprogramma af.

Premier

De ambteloze burger Pierson kon niet terug naar de Nederlandsche Bank en wilde niet opnieuw hoogleraar worden. Na een tijdje werd hij voorzitter van een werkgeversvereniging, maar hij had de smaak van de politiek te pakken en stelde zich in 1896 kandidaat voor de Tweede Kamer.

Hij werd gekozen, maar aanvaarde zijn zetel uiteindelijk niet. In plaats daarvan werd hij premier en tevens minister van Financiën van het kabinet-Pierson-Goeman Borgesius (1897-1901) dat geldt als een van de actiefst hervormende kabinetten in parlementaire geschiedenis. De Woningwet, bedoeld om woonomstandigheden te verbeteren, de Ongevallenwet om de financiële consequenties van arbeidsongevallen op te vangen, de leerplicht – allemaal kwamen zij tot stand onder dit ‘kabinet van de sociale rechtvaardigheid’.

Pierson zelf zorgde voor een nieuwe Muntwet, maar zijn poging om het gebruik van Belgisch en Duits muntgeld in grensstreken te verbieden, stuitte op zoveel verzet dat hij die moest opgeven. Hij schokte zijn vrienden in de beweging voor vrijhandel door de invoerrechten te verhogen. Niet omdat hij van gedachten daarover was veranderd, maar omdat de schatkist vanwege het kostbare sociale programma van zijn kabinet meer inkomen nodig had.

Piersons rol was verder – behalve dat hij als minister van Financiën borg stond voor financiële soliditeit – vooral bindend. De algemeen als beminnelijk omschreven econoom had volgens zijn minister van Buitenlandse Zaken Willem de Beaufort ‘eigenschappen die hem voor premier zeer geschikt maakten: zijne zeer uitgebreide algemeene kennis, zijne grondige bekendheid met de staatshuishouding en zijn onovertroffen rechtschapenheid en openhartigheid. Men kon hem volmaakt vertrouwen (…)’

‘Goedmoedig’

Die betrouwbaarheid was ook zijn zwakte. Mees had Pierson al gewaarschuwd toen die in 1871 voor het eerst voor een ministerschap werd benaderd. Pierson, schreef Mees hem, was te ‘goedmoedig’ en te ‘onvoorzichtig’ voor het ministerschap.

De Beaufort constateerde vele jaren later bij zijn premier ‘naïviteit in staatkundige zaken’, die voortkwam uit Piersons  ‘optimisme’. Pierson, schreef hij, ‘kende de menschen en den staatkundigen toestand te weinig, hij dacht dat alle staatslieden waren als hij: alleen op het algemeen belang bedacht en niet op  het partijbelang of het eigenbelang’.

Een gehaaide beroepspoliticus is de voormalige bankpresident nooit geworden. Zijn kabinet zat de volle vier jaar uit. Daarna wonnen de christen-democratische partijen de verkiezingen. Premier werd Abraham Kuyper, leider van de protestante Anti-Revolutionaire Partij.

Pierson kwam een paar jaar later, in 1905, voor het eerst in de Tweede Kamer voor het kiesdistrict Gorinchem (Nederland kenden toen nog een stelsel van kiesdistricten). Tot zijn dood eind 1909 bleef hij daarvan deel uitmaken. In die jaren was hij commissaris van de Nederlandsche Bank.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.