Paul de Hen

DNB-president Vissering: wellicht de meest omstreden president

Door Paul de Hen - 09 februari 2015

Elsevier-medewerker dr. Paul de Hen bespreekt maandelijks een president van De Nederlandsche Bank (DNB). Dit keer: Gerard Vissering (1 maart 1865–19 december 1937), de elfde president (1912–1931).

Gerard Vissering is wellicht de meest omstreden president die de Nederlandsche Bank tot nu toe heeft gehad. Dat hij de publiciteit niet schuwde, zal daaraan hebben bijgedragen, maar vooral droeg bij dat hij tijdens zijn presidentschap werd geconfronteerd met heel nieuwe problemen.

Die problemen begonnen met de Eerste Wereldoorlog (1914-1918), begin jaren twintig van de vorige eeuw gevolgd door een reeks bankencrises en ten slotte de grote economische crisis die in 1930 uitbrak en de Nederlandsche Bank een monsterverlies bezorgde. Kort daarop, in oktober 1931, trad Vissering af.

Sportman

Gerard Vissering werd geboren in Leiden, als jongste van de zeven overlevende kinderen van hoogleraar staathuishoudkunde en kortstondig minister van Financiën Simon Vissering en Grietje Corver. Hij groeide er op, in een huis aan het deftige Rapenburg, en studeerde er zes jaar aan de juridische faculteit waar ook –  vooral door zijn vader – economie werd gedoceerd. Vissering was praeses van het corps (nu LSV Minerva) en onderscheidde zich als sportman.

Volgens Johan de Vries, die Visserings periode als bankpresident heeft beschreven in De Nederlandsche Bank van 1914 tot 1948 V, was hij ‘een geducht roeier en schaatser’.  Hij bedacht zelfs een nieuw type schaats, dat als Vissering-Ruiterschaats in productie werd genomen.

Zijn actieve beroepsleven begon in Amsterdam, de stad waar zijn vader – zoon van een uit Leer in Oost-Friesland (Duitsland) geïmmigreerde doopsgezinde houthandelaar – was geboren en had gewerkt als advocaat, publicist en journalist. Gerard had zijn studie in Leiden in 1890 afgesloten met een proefschrift ‘Personentarieven van Spoorwegen’, waarna hij zich als advocaat in de hoofdstad vestigde.

In 1894 werd hij secretaris van de Vereeniging voor den Effectenhandel, de toenmalige exploitant van de Amsterdamse effectenbeurs. Deze overstap vormde het begin van een carrière in de financiële wereld. Drie jaar later werd hij directeur van de bank Kas-Vereeniging (later opgegaan in wat nu de KAS BANK heet) en in 1900 – hij was toen 35 – een van de vier directeuren van de veel grotere Amsterdamsche Bank (nu ABN AMRO).

Optimistisch

Vissering was veel meer dan een bankier: een mondaine figuur die in 1891 in de adel trouwde (met jonkvrouw Maria Sandberg), die veel publiceerde over allerlei onderwerpen (zijn artikelenreeks over de grote spoorwegstaking van 1903 trok brede aandacht) en die maatschappelijk zeer actief was.

Acties voor de Boeren – de Afrikaanstaligen – in Zuid-Afrika, de vereniging die een ‘longlijders’-sanatorium tot stand bracht, het comité dat Koningin-moeder Emma een huldeblijk gaf, het Burgerlijk Armbestuur, een voogdijraad…  Gerard Vissering nam er allemaal aan deel. Politiek was hij actief in het centraal comité van de Amsterdamse vrijzinnige kiesvereeniging Vooruitgang, die zowel behoudende als radicale liberalen omvatte.

Hij was blijkbaar een stimulerende, optimistische man. Misschien wel te optimistisch. De Vries citeert in zijn boek de sociaal-democratische politicus Piet Tak, die Vissering in die jaren meemaakte: ‘Het kwam niet te pas dat het regende. Het moest niet regenen.’

Poldergemaal

Intensief was zijn bemoeienis met de Zuiderzee-Vereeniging, die ijverde voor inpoldering van de toenmalige binnenzee in het noordelijk deel van Nederland. Dat ijveren leidde tot de bouw van de Afsluitdijk, waarna de zee het IJsselmeer werd, en tot het ontstaan van de Wieringermeerpolder en de huidige provincie Flevoland.

Dit laatste was vooral te danken aan ingenieur Cornelis Lely, die de eerste haalbare inpolderingsplannen had geschetst en ze later als minister in wetgeving kon omzetten, maar Vissering hielp als medewerker, secretaris (1901-1906) en later als voorzitter van de Zuiderzee-Vereeniging vele jaren lang het vuur brandend te houden. Hij had een belangrijk aandeel in publicaties waarin de economische voordelen van de nieuwe polders werden uitgemeten. Het poldergemaal Vissering bij Urk is naar hem vernoemd.

Nederlands-Indië

Blijkbaar had hij tegelijkertijd ambities om in de grote en economisch opbloeiende kolonie Nederlands-Indië zijn carrière voort te zetten. Want in de Indische pers circuleerde begin 1905 al Visserings naam als een mogelijke directeur van Financiën van de koloniale regering, de hoogste financiële ambtenaar. Het werd uiteindelijk een nog belangrijkere functie. In februari 1906 werd de aanstaande benoeming bekendgemaakt van Vissering als president van de Javasche Bank, de circulatiebank van Nederlands-Indië.

De toenmalige president van de Nederlandsche Bank, Norbert van den Berg, had hem gesteund als kandidaat voor deze positie, die stellig Van den Bergs bijzondere aandacht had – ook hij was eerder president van de Javasche Bank geweest. Eenmaal in Nederlands-Indië werkte Vissering voortvarend aan de sanering van het muntwezen, die al voor zijn komst was begonnen. In een paar delen van de Nederlandse kolonie was niet de Indische gulden, maar de zilveren dollar het gebruikelijke betaalmiddel. Daar kwam nu een eind aan.

Ook regelde Vissering bij de vernieuwing van het octrooi van de Javasche Bank in 1908 dat de bank een veel actievere rol op de wisselmarkt kon gaan spelen. Net als de Nederlandsche Bank legde de Javasche Bank een grote portefeuille van wissels op het buitenland aan. (Wissels zijn verhandelbare papieren waarbij bijvoorbeeld een handelsbank ervoor tekent dat de leverantie van een bedrijf aan een ander bedrijf door haar zal worden betaald.) Dat wekte het ongenoegen van een machtige Nederlandse bank die ook zeer actief was in de kolonie, de Nederlandsche Handel-Maatschappij.

Neutrale expert

Toeval bezorgde Gerard Vissering in die jaren een reputatie in internationale financiële kringen. China kon in het voorjaar van 1911 een grote buitenlandse lening tegemoet zien, onder garantie van de belangrijkste westerse mogendheden van die tijd: het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Duitsland en de Verenigde Staten. Zij eisten dat een neutrale expert zou worden ingeschakeld om het Chinese geldstelsel te moderniseren. Het werd de Nederlander Vissering.

De opdracht betekende reizen naar China en overleg in Londen, Parijs en Berlijn. Zo raakte Vissering bekend bij belangrijke Europese financiële beleidsmakers. Toen hij in 1913 achtereenvolgens twee adviezen ‘on Chinese currency‘ (over de Chinese valuta) publiceerde, was de keizerlijke regering in Peking inmiddels gevallen en het keizerrijk vervangen door een republiek, maar zijn adviezen hadden invloed. Zo probeerde de nieuwe Chinese regering het uitgeven van bankbiljetten door lokale en regionale banken te beëindigen en kwam er in 1915 een centrale bank van China tot stand.

Opschudden

Op dat moment was Vissering al terug in Amsterdam. Eind 1912 volgde hij Van den Berg op als president van de Nederlandsche Bank. Dat idee speelde al lang. Oud-bankpresident Nicolaas Pierson, overleden op 24 december 1909, had Vissering al eens aanbevolen bij de bejaarde Van den Berg voor diens opvolging.

Maar de veertiger Vissering moest op Java eerst meer ervaring opdoen; dat zou een belangrijke reden zijn geweest waarom Van den Berg pas op zijn 81ste afscheid nam als president van de Nederlandsche Bank.

Karel van Aalst, op dat moment de hoogste man bij de Nederlandsche Handel-Maatschappij, had het presidentschap van Vissering nog proberen te verhinderen, maar zonder succes.

De nieuwe bankpresident was net geen 48 en het jongste lid van de directie – drie mededirecteuren liepen tegen de 70, de andere twee waren maar weinig jeugdiger. Bovendien waren het nog altijd parttimers, zoals vanouds bij de Nederlandsche Bank. Zij kwamen alleen ’s middags hun taken waarnemen, zodat zij de rest van de dag beschikbaar waren voor hun eigen zaken.

Vissering wilde de bank opschudden, te beginnen met de directie. Tot ergernis van de oudere heren eiste hij dat zij volle werkdagen aanwezig zouden zijn, hij dreigde zelfs direct af te treden als dat niet zou gebeuren. Er kwam een compromis uit. Twee directeuren waren bereid om fulltime te gaan werken, Vissering kon wachten. Voorlopig zorgde hij voor jongere medewerkers beneden directieniveau.

Octrooionderhandelingen

De Nederlandsche Bank was sinds 1863 een ‘gewone’ naamloze vennootschap, die echter haar rol als enige bank met het recht om bankbiljetten uit geven (een zogeheten circulatiebank) vervulde op basis van een octrooi dat om de zoveel jaar werd vernieuwd en bij wet werd verleend. In ruil kreeg de staat een belangrijk deel van de winst die de bank maakte.

In 1918 moest een nieuw octrooi worden voorbereid. Dat gaf Vissering de kans, mits het kabinet en de Tweede Kamer hem steunden, om de leiding van de bank opnieuw in te richten. Zo gebeurde het inderdaad, al was de prijs hiervoor onder meer een nog hoger staatsaandeel in de winst (driekwart; boven een bepaald niveau ging zelfs 7/8 van de winst naar de staat).

Tijdens de octrooionderhandelingen met de vrijzinnige democraat en minister van Financiën Willem Treub als tegenspeler, leefde net als vele jaren eerder bij de leiding van de bank de gedachte om van de lastige eisen van het Rijk af te komen door het recht op bankbiljettenuitgifte op te geven en verder te gaan als een algemene bank. Vissering had het wel gedurfd, maar de andere bestuurders meenden dat het personeel van de bank daar toch niet voor was toegerust.

Toen Vissering aantrad, was het Nederlandse bankwezen eindelijk begonnen aan een moderniseringsslag. Hierin zou de centrale bank een nieuwe rol kunnen spelen.

Archaïsch

Bankhistoricus Johan de Vries noemt de banken in Nederland uit die tijd ronduit archaïsch. De vorming van grote landelijke banken was nog maar net op gang gekomen, veel later dan in buurlanden. Girale betalingen waren nauwelijks van belang, bijna al het betalingsverkeer verliep met bankbiljetten en munten. De rol van de banken voor de industrie was beperkt, die voor handel en scheepvaart belangrijk, maar eenzijdig. Banken waren er vooral voor kortlopend krediet.

Heel veel financiering ging buiten de banken om, via zogenoemd prolongatiekrediet. Dat waren leningen op basis van een onderpand, meest  effecten, die bedrijven elkaar rechtstreeks verstrekten en waarbij bijvoorbeeld effectencommissionairs als bemiddelaar optraden. Omdat zoveel effecten als onderpand dienden, was de effectenbeurs hiervoor een belangrijke contactplek.

In 1914 had de Nederlandsche Bank een aanleiding om de omvang van die markt in kaart te brengen en toen bleek dat er voor 460 miljoen gulden aan prolongatieleningen uitstond. De vier grootste banken op hun beurt hadden samen 283 miljoen aan kredieten verleend, de Nederlandsche Bank nog eens 298 miljoen. De tientallen kleinere banken, zeker die buiten de grote steden, plachten de kredieten die zij hadden verleend in de vorm van promessen (schriftelijke beloften van de schuldenaar om te betalen) door te zetten naar de centrale bank. Kredietverlening via prolongaties was dus bijna net zo belangrijk als bankkrediet.

Oorlog

Eind juli 1914 brak de Eerste Wereldoorlog uit. Vissering was met vakantie in Zwitserland en moest halsoverkop terugkeren. Belangrijke beslissingen waren toen al genomen. De gouden standaard, waarop het geldwezen in het grootste deel van de wereld was gebaseerd, werd opgeheven. Ook in het neutrale Nederland.

De gouden standaard was een systeem waarbij vaste wisselkoersen tussen de deelnemende landen werden gehandhaafd. Voor elke betrokken munt (Nederlandse gulden, Britse pond, Duitse mark, enzovoort) werd een vaste goudwaarde bepaald. Om die waarde te verdedigen, werd zo nodig goud gekocht dan wel verkocht.

De vrijwel vaste wisselkoersen tussen de deelnemende landen waren met de opheffing van de gouden standaard verleden tijd. De beurskoersen in Amsterdam stortten  in – zozeer dat de prolongatiemarkt in het ongerede raakte, wat voor de Nederlandsche Bank de reden was voor de eerder genoemde inventarisatie. Daarop besloot het kabinet met instemming van de financiële sector de beurs maandenlang te sluiten, van 29 juli 1914 tot 9 februari 1915.

Zilverbons

Omdat de prolongatiemarkt opdroogde, stelden de grote banken en de Nederlandsche Bank extra geld beschikbaar om de kredietverlening aan het bedrijfsleven op gang te houden. Veruit het hoogste bedrag zegde de Nederlandsche Bank toe: 200 miljoen gulden. Om dat in perspectief te plaatsen: het netto binnenlands product van Nederland in 1913 is door het Centraal Bureau voor de Statistiek berekend op 2.505 miljoen gulden (van toen). Nu is dit 510 miljard euro. Die 200 miljoen gulden van toen (die nooit volledig hoefde te worden ingezet) kan dus ruwweg vergeleken worden met 40 miljard euro nu.

Het vertrouwen van het publiek in banken en bankpapier zakte ook in – burgers stonden in de rij om contant geld op te halen. Niet wegens gebrek aan zilver, maar door een gebrek aan zilveren munten besloot het kabinet in overleg met de Nederlandsche Bank in grote haast papieren muntbiljetten uit te geven van 1 gulden, een rijksdaalder (2,50 gulden) en 5 gulden – zilverbons genoemd.

Voor de zekerheid werd de wettelijke eis aangepast dat de Nederlandsche Bank een voorraad goud en zilver moest hebben ter grootte van ten minste 40 procent van haar uitstaande verplichtingen. Voortaan zou 20 procent voldoende zijn.

Dat gaf geen enkel probleem. De Eerste Wereldoorlog was voor het neutrale Nederland een periode van merkwaardige economische bloei, wat gepaard ging met een fors oplopende inflatie. In 1914 bijvoorbeeld stegen de prijzen met 14 procent, in 1918 zelfs met 19 procent.

Recordwinsten

Doordat buitenlandse leveranciers wegvielen, was het bedrijfsleven genoodzaakt om vervangende productie in eigen land te ontwikkelen. Ook de landbouw bloeide, Nederlandse landbouwproducten waren van groot belang voor zowel Duitsland als het Verenigd Koninkrijk. Daar kreeg ook de Nederlandsche Bank mee te maken. Tekorten in de buitenlandse handel werden uiteindelijk afgerekend door goud of zilver over te dragen aan een buitenlandse centrale bank.

Omgekeerd kreeg de Nederlandsche Bank goud of zilver als Nederlandse bedrijven meer exporteerden dan uit het buitenland werd gekocht. Dat laatste deed zich in die tijd op grote schaal voor. Tegenover de Nederlandse export was weinig import mogelijk: de oorlogvoerende landen richtten hun hele economie in op militaire productie. De Nederlandsche Bank liet het verschil in goud betalen.

De goudvoorraad nam toe met meer dan een half miljard gulden (tegen de goudprijs van 1914) en de bank was op weg naar recordwinsten. Over het boekjaar 1918-1919, het laatste oorlogsjaar, werd naast het winstaandeel van de staat 20,9 procent dividend uitgekeerd aan de particuliere aandeelhouders.

Financieel centrum

Makkelijk was deze periode echter niet. Nederland zat als neutraal land klem tussen de eisen van de Britten en de Fransen enerzijds en de Duitsers anderzijds – allen essentiële handelspartners. Aanvankelijk namen de grote ondernemers de leiding namens het bedrijfsleven, aangevoerd door bankier Van Aalst en de Rotterdamse havenondernemer Anton Kröller. Vissering slaagde er op den duur in om de positie van de centrale bank te versterken. Wat zal hebben geholpen, was dat door het debacle op de prolongatiemarkt in 1914 bankkrediet ineens veel belangrijker werd – net nu het bedrijfsleven zoveel nieuw elan vertoonde en ook het giroverkeer enorm toenam.

Vissering dacht vooruit. Hij hoopte dat de Nederlandse financiële markt, de gulden en dus de Nederlandsche Bank na de oorlog een belangrijker internationale rol zouden kunnen spelen. Al in 1915 sprak hij daarover.

Na de Eerste Wereldoorlog had Duitsland niet langer vanzelfsprekend toegang tot de grote financiële centra Londen en Parijs. Voortaan ging Amsterdam voor de Duitse banken die rol vervullen. Er kwamen dochterbanken of bijkantoren van de grootste Duitse banken en acceptmaatschappijen – een idee van Vissering – voor de handel in vooral Duitse wissels. Acceptmaatschappijen waren instellingen die zich specialiseerden in het accepteren (tekenen voor de betaling) van wissels. En zo was Amsterdam tot de crisis van 1931 net als in de achttiende eeuw weer een belangrijk internationaal financieel centrum.

Adviseur

Vissering speelde vanaf het einde van de oorlog ook zelf een internationale rol. In oktober en november 1919 inviteerde hij Nederlandse en internationale financiële experts uit de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk om bij hem thuis aan de Keizersgracht in Amsterdam te overleggen over de toekomst van het internationale financiële stelsel. Onder de aanwezigen was de Brit John Maynard Keynes, kort daarvoor nog regeringsadviseur en later wereldberoemd als econoom.

Najaar 1920 was Vissering namens Nederland bij een grote financiële conferentie in Brussel. Ook daarna speelde hij een rol in het internationale financiële overleg. Hij was deelnemer aan conferenties in Parijs, in Berlijn, in Genua. Zo vaak was hij weg dat zijn raad van commissarissen protest aantekende.

Begin 1924 bood Vissering de presidenten van de Britse en de Duitse centrale bank, respectievelijk Montagu Norman en Hjalmar Schacht, vergaderruimte aan in het hoofdkantoor van de Nederlandsche Bank aan de Oude Turfmarkt in Amsterdam. Daar konden zij discreet details uitwerken van het project dat de door gierende inflatie uitgeholde Duitse mark zou moeten stabiliseren.

Vissering bleef ook regeringen adviseren, hij werd internationaal als monetair expert gewaardeerd. In 1922 overwoog hij serieus om een jaar lang de Oostenrijkse centrale bank bij te staan, maar dat ging niet door. In 1924 adviseerde hij de regering van Zuid-Afrika en die van Roemenië, in 1928 die van Turkije.

Herstel gouden standaard

Intussen schoot het aanvankelijk niet op met het herstel van de gouden standaard. Vissering wilde, net als de meeste monetaire experts, internationaal de gouden standaard herstellen. Tijdens de grote monetaire conferenties was daarop aangedrongen en Nederland had er goud genoeg voor.

Enkele landen herstelden het systeem voor hun eigen munt in 1924 (de Amerikanen al in 1919). In dat jaar had Duitsland soelaas gekregen voor financiering van de enorme herstelbetalingen die het als verliezer van de Eerste Wereldoorlog bij de Vrede van Versailles door de overwinnende landen waren opgelegd en werd de goudkoppeling in Duitsland hersteld.

Het wachten was op het Verenigd Koninkrijk, waar Londen toch het financiële centrum van de wereld was. Vissering verlangde bovendien met klem dat eerst de Nederlandse overheidsfinanciën zouden worden gesaneerd. Die waren nogal in het ongerede geraakt door de oorlog en tijdens de korte economische bloeiperiode die hierop volgde tot 1920 niet op orde gebracht.

Op de enorme inflatie volgde een eveneens enorme deflatie – de prijzen daalden tussen 1921 en 1923 bijna net zo spectaculair als ze eerder waren gestegen. Maar al vanaf 1922 herstelde de economie zich voorspoedig. De economische situatie van Nederland was na de prijsval zonder meer gunstig.

Eind april 1925 herstelde Nederland officieel de gouden standaard, tegelijk met het Verenigd Koninkrijk. Net als de gulden kreeg het Britse pond zijn oude goudwaarde. De uitwerking van de gouden standaard zou echter anders zijn dan die van voor 1915. Vrijwel alle landen gingen een zogenoemde goudwisselstandaard hanteren.  Veel van het goud bleef in wereldcentrum Londen liggen; de centrale banken van andere goudlanden hanteerden wissels – vorderingen – in ponden als gelijkwaardig aan goud in eigen bezit. Onder Visserings leiding deed ook de Nederlandsche Bank hieraan mee. Het voordeel was dat op wissels en andere tegoeden in het buitenland rente werd verdiend. Goud leverde niets op.

Bankencrises

Voorafgaand aan het herstel van de gouden standaard was Vissering ook op een heel andere manier op de proef gesteld. Nederland moest een ongekende reeks  bankencrises verwerken. In de inflatiejaren, tevens jaren van grote economische expansie, hadden nogal wat banken te makkelijk krediet verleend.

Dat speelde bijvoorbeeld bij de kleine banken die recent waren opgericht om het midden- en kleinbedrijf beter van krediet te voorzien. Uit een ingrijpende reorganisatie, met op de achtergrond een staatsgarantie verstrekt door minister van Financiën Hendrik Colijn, kwam in 1927 de Nederlandsche Middenstandsbank voort (later opgegaan in ING).

Maar ook grotere banken raakten in het ongerede. Bankhistoricus Johan de Vries inventariseerde in zijn boek over Visserings tijdvak als president van de Nederlandsche Bank 4 landelijk opererende en 24 provinciale banken die tussen 1922 en 1928 in ernstige moeilijkheden kwamen en soms failliet gingen,  soms werden overgenomen of gereorganiseerd. Bijna altijd was de Nederlandsche Bank daarbij betrokken. Wettelijk had zij in die jaren geen toezichthoudende taak, maar als de grote geldverschaffer aan het gewone bankwezen had ze nu eenmaal met vrijwel elke bank in Nederland een relatie.

Het ingrijpendst waren de problemen bij landelijke opererende banken. Marx & Co in Rotterdam, een belangrijke bank, werd geliquideerd. Het kostte de Nederlandsche Bank ongeveer 27 miljoen, want zij garandeerde ter wille van het algemeen belang eventuele verliezen zodat Marx & Co zonder faillissement kon verdwijnen.

Na de problemen bij Marx & Co raakte de Bank-Associatie in Amsterdam in moeilijkheden. Ook hier voorkwam de Nederlandsche Bank een faillissement, voor het eerst stelde zij een bank in feite onder toezicht.

Het dreigendste probleem betrof de Rotterdamsche Bankvereeniging. Robaver (later Rotterdamsche Bank, opgegaan in ABN AMRO) is in 1924 na een krachtige expansie onder leiding van Willem ‘de veroveraar’ Westerman de grootste bank van Nederland.

Ook zij is naar het oordeel van bankhistoricus De Vries in haar kredietverlening aan het bedrijfsleven ‘veel te ver gegaan’. Vooral met kredieten aan Wm H. Müller & Co, het bedrijf dat werd geleid door de prominente Rotterdamse zakenman Anton Kröller (zijn vrouw Helene stichtte het Kröller-Müller Museum).

Robaver werkte tot dan toe zonder zelfs maar zaken van belang te doen met de Nederlandsche Bank. Westerman wendde zich tot de Nederlandsche Bank om een miljoenenkrediet te vragen, wat zij na aarzeling voor een deel toekende. Het bleek niet voldoende, er ontstonden geruchten en de beurskoers van de aandelen Robaver zakte weg. Ook toen sprong minister van Financiën Colijn bij met een enorme staatsgarantie, op voorwaarde dat de Nederlandsche Bank meewerkte.

Om te beginnen was het doel om de koers van de aandelen Robaver te steunen, daarna zou Robaver mede onder toezicht van de Nederlandsche Bank worden gereorganiseerd. Westerman moest terugtreden. Noch de staat noch de circulatiebank heeft op deze affaire verlies geleden.

Kritiek

Begin jaren dertig waren die problemen goeddeels achter de rug, maar Visserings beleid was niet onomstreden. Tot 1925 uitte de door het kabinet benoemde koninklijke commissaris, econoom en oud-topambtenaar Anton van Gijn, bovendien liberaal Tweede Kamerlid, openlijk bijtende kritiek op Visserings handelen. Van Gijn speelde ook al een rol in een fel debat in 1920 over hoe Vissering destijds omging met de inflatie.

De Nederlandsche Bank besloot de inflatie namelijk niet te bestrijden door extreme verhoging van de officiële bankrente, het disconto. Dat was het vaste recept, wat veertien meest oudere economen dan ook bepleitten in een opzienbarend gezamenlijk artikel. Zij wezen af wat Vissering wél deed voor rantsoenering van de kredietverlening, namelijk door kredietaanvragen bij de Nederlandsche Bank te screenen. Zij wilden snel terug naar de gouden standaard. Zeventien andere experts, grotendeels afkomstig uit het bedrijfsleven, kwamen met een tegenmanifest. Dit debat onder economen heeft nog lang doorgewoed.

Bankhistoricus De Vries geeft voorzichtig steun aan de opvatting dat de Nederlandsche Bank direct na de Eerste Wereldoorlog inderdaad te toegeeflijk is geweest. De bankencrises, waarbij de banken voor honderden miljoenen guldens op debiteuren verloren, tonen volgens hem een structurele crisis aan waarvan de Nederlandsche Bank zelf deel uitmaakte.

Van Gijn was niet de enige onder de toezichthouders met kritiek op Vissering. Ernst Heldring, onder meer voorzitter van de Amsterdamse Kamer van Koophandel, werd in 1919 commissaris van de Nederlandsche Bank. In zijn later gepubliceerde dagboeken uitte hij na enige tijd veel kritiek op de bankpresident – op de hele toenmalige directie trouwens. Hij vond Vissering weliswaar ‘werkzaam’, maar ook ‘weifelend, bang, niet bekwaam, volkomen ontbloot van menschenkennis, zoet in zijn optreden, onoprecht’. En bovendien ‘een kind in de zakenwereld’.

Heldring stond al jaren een in zijn ogen veel bekwamere opvolger voor ogen: Leo Trip, Van Gijns opvolger als thesaurier-generaal (de hoogste financiële beleidsambtenaar op het ministerie van Financiën) en sinds 1924 president van de Javasche Bank.

Zwakke gezondheid

Het lijkt erop dat Vissering in de loop van de jaren twintig aan scherpte verloor. In 1926 zijn de belangrijkste centrale bankiers van de wereld nog voor een informele conferentie bijeen in Visserings buitenhuis Die Clinghe in Bloemendaal, dat hij in 1915 had laten ontwerpen door de vooraanstaande architect Ed. Cuypers. Als zij een paar jaar later opnieuw vergaderen, in de buurt van New York, wordt Vissering niet uitgenodigd.

Vissering kwakkelde ook met zijn gezondheid. In mei 1931 komt hij namens de Nederlandsche Bank in het bestuur van de gloednieuwe Bank voor Internationale Betalingen (BIS) in Bazel, die was opgericht na heronderhandeling over de Duitse herstelbetalingen. Vissering zag op tegen de benoeming. Tien keer per jaar naar Bazel reizen voor bestuursvergaderingen dreigde hem zwaar te vallen.

In augustus 1931 vonden president-commissaris Johannes Luden,  commissaris S.P. van Eeghen en Heldring dat Vissering, toen 66 jaar oud, wegens zijn zwakke gezondheid beter kon aftreden. Luden bracht die boodschap over, maar Vissering kreeg van zijn mededirecteuren het advies alleen af te treden als zijn dokter hem voor zijn functie te ongezond zou vinden. De dokter zag blijkbaar geen probleem, dus besloot Vissering dat zes weken rust voldoende was.

Boekverlies

Dan valt het pond. De Britse regering had in 1925, net als het Nederlandse kabinet, gekozen voor herstel van de gouden standaard op het niveau van 1914.

Maar anders dan Nederland stond het Verenigd Koninkrijk er economisch veel minder goed voor dan voor de oorlog. Het pond was te duur in vergelijking met andere munten, wat de Britse export bemoeilijkte en de Britse economie belemmerde. De werkloosheid was gigantisch. In mei 1931 bereikte de financiële crisis die in de Verenigde Staten was begonnen Europa, waar de grootste bank van Oostenrijk, de Credit-Anstalt, onderuitging. Een Duitse bank volgde en vervolgens kwam het Britse pond sterling onder druk te staan. Op 20 september schortte de Britse regering de gouden standaard op. Meteen begon de wisselkoers van het pond te dalen.

Dit had enorme gevolgen voor alle landen die de goudwisselstandaard gebruikten. Niet alleen was de standaard zelf ondermijnd, hun vorderingen op Londen, die immers in ponden luidden, waren ineens een stuk minder waard.

De Nederlandsche Bank had grote bedragen in Londen ondergebracht. Vissering en zijn waarnemend president Pieter Tetrode waren eerder al ongerust over de gang van zaken en reisden op 26 augustus naar Londen in een poging een schriftelijke garantie van de Bank of England te krijgen dat de Nederlandse vorderingen geen gevaar zouden lopen. Die kwam er niet. Ze moesten het doen met een uitspraak van Sir Ernest Harvey, de plaatsvervangend gouverneur van de Britse centrale bank, dat het pond tot het laatste goud zou worden verdedigd  (gouverneur Norman was afwezig).

Toen het pond toch viel, toonden de Britten zich niet bereid om de lagere wisselkoers niet te laten gelden voor tegoeden van buitenlandse centrale banken. De Nederlandsche Bank leed een boekverlies 29,9 miljoen gulden. De reserves en de winst op het gewone bankbedrijf in het boekjaar 1931-1932 waren lang niet voldoende om dat op te vangen. Er was een tekort van 19,3 miljoen gulden.

Nu had de Nederlandsche Bank sinds het nieuwe octrooi inging op 1 april 1919 niet minder dan 105,1 miljoen gulden winst aan de staat uitgekeerd, dat voornamelijk was verdiend op de buitenlandse wisselportefeuille. In de jaren twintig waren de wisselzaken veruit de belangrijkste winstbron van de Nederlandsche Bank. De bank stelde op die basis voor dat de staat 76 procent van het verlies zou dragen. Dat was politiek onhaalbaar, zeker in crisistijd.

De oplossing was een nieuwe wet van mei 1932. Door een ingewikkelde regeling zouden aandeelhouders nog maar een klein dividend kunnen krijgen en zo zou het verlies geleidelijk kunnen worden inverdiend. Op 31 maart 1940 was het verlies weggewerkt en waren de reserves weer op niveau.

Toen was Vissering al lang bij de Nederlandsche Bank vertrokken. Hij trad 8 oktober 1931 af. Dezelfde dag stelden de commissarissen Leo Trip voor als zijn opvolger. Vier dagen later trad Trip in functie.

Vissering overleed zes jaar later in Bloemendaal.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.