Nic Vrieselaar

De motor van onze welvaart stokt: uitzichtloos?

Door Nic Vrieselaar - 28 april 2015

De toename van de wereldhandel speelde een cruciale rol bij de forse groei van onze rijkdom. Maar de magie lijkt uitgewerkt.

Meer dan anderhalve eeuw was de wereldhandel de aanjager van onze economische groei. De reusachtige sprong voorwaarts die de materiële welvaart de laatste 150 jaar heeft gemaakt, is voor een belangrijk deel te danken aan die handel. Krijgt dat succes nog wel een vervolg?

Die vraag houdt economen wereldwijd bezig. Zij kijken met toenemende zorg naar de cijfers. De wereldhandel heeft sinds het begin van deze eeuw harde klappen gekregen, signaleerde onlangs ook het Internationaal Monetair Fonds.

Natuurlijk speelt de uitzonderlijk zware economische crisis van de laatste jaren daarbij een rol, maar het is zeker niet de enige oorzaak.

Stoomboten

Om die te achterhalen, moeten we een kleine twee eeuwen terug in de tijd, toen onze wereld en de economie dankzij de industriële revolutie ingrijpend veranderden. Stoommachines maakten het mogelijk gewilde producten veel sneller en op veel grotere schaal te fabriceren dan de werklieden konden doen in de decennia daarvoor.

Dankzij stoomboten, die begin negentiende eeuw  werden geïntroduceerd, konden die spullen ook veel sneller en goedkoper dan met trage zeilschepen naar alle uithoeken van de wereld worden vervoerd.

Het gaf een enorme impuls aan de wereldhandel. Er zou nog veel meer veranderen. Dankzij de aanleg van de eerste succesvolle trans-Atlantische telegraafkabel in 1866 – vanaf zo’n stoomschip – wisten handelaren in Amsterdam binnen een paar uur wat de prijzen van bijvoorbeeld graan in Chicago waren.

De kranten uit die tijd waren lyrisch. ‘De Atlantische telegraaf werkt uitmuntend, is snel en duidelijk. Per minuut worden 6,5 woorden of 34 letters overgebragt,’ schreef het Algemeen Handelsblad.

Vóór die tijd moesten die 34 letters per schip de oceaan over. Met slecht weer waren ze twee weken onderweg.

Tomatenketchup

De nieuwe tijd bracht ook een afkeer van handelsbarrières. Het ontluikende liberalisme maakte vanaf 1850 korte metten met importtarieven. Zo ontstond een politiek klimaat waarin technologische vernieuwing kon gedijen.

Mensen, geld en goederen vloeiden rijkelijk de grenzen over. Dat kon ook in Nederland niemand ontgaan. In 1873 begon de Holland-Amerika Lijn, in 1902 verschenen de eerste advertenties voor de tomatenketchup van Heinz, in 1907 gingen Koninklijke Olie en het Britse Shell samenwerken.

De impact op de welvaart van die waterval aan technologische vernieuwing en liberale politiek was enorm, zo weten we dankzij het werk van de Britse econoom Angus Maddison (1926-2010).

Het levenswerk van deze hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Groningen: onderzoeken hoe groot economieën en hoe rijk burgers vroeger waren.

Hamlet

Uit archieven, oude boeken en historische schilderijen destilleerde hij een enorme hoeveelheid data over het gemiddelde inkomen per hoofd van de bevolking in tal van landen.

Zo schatte Maddison dat de gemiddelde Brit ruim drie keer meer te besteden had toen Arthur Conan Doyle in 1887 het eerste avontuur van Sherlock Holmes op papier zette, dan toen William Shakespeare rond 1600 de Deense prins Hamlet de woorden To be, or not to be in de mond legde.

Vooral in de tweede helft van de negentiende eeuw werden mensen in het Westen snel rijker. In de vijftig jaar voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) steeg het Nederlandse inkomen per hoofd van de bevolking met bijna 60 procent.

Loopgraven

In de loopgraven van die oorlog sneuvelden niet alleen miljoenen mannen, maar de pas verworven welvaart daalde ook aanzienlijk. Toen op 11 november 1918 het gebulder van de kanonnen was verstomd, lag de handel zo goed als stil en hadden West-Europeanen 10 procent van hun welvaart verloren.

Overal doken opnieuw handelsbarrières op. Liberalisme maakte plaats voor benepen protectionisme en provincialisme. Aan beide kanten van de oceaan hoopten beleidsmakers banen te behouden door hun economieën af te schermen.

Sommige maatregelen blijken hardnekkig: Nederlandse baggeraars mogen door de Jones Act uit 1920 nog steeds geen zaken doen in Amerika.

Het pakte rampzalig uit en stortte de wereld in de Grote Depressie. Niet veel later volgde opnieuw een verwoestende oorlog, waarin een groot deel van de resterende handel werd vernietigd.

Het Centraal Bureau voor de Statistiek berekende dat Nederland in 1942 – toen Nederlands-Indië ten prooi viel aan Japan – de helft minder importeerde en exporteerde dan vóór de oorlog, en driekwart minder dan in 1928, het jaar voor de beurskrach. Nederlanders verloren de helft van hun inkomen.

Handelsbarrières

Om te voorkomen dat landen zich na de slachtpartij opnieuw zouden verschansen achter handelsbarrières, werden aan het eind van de oorlog de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds opgericht. Economische samenwerking was in het niet-communistische vrije Westen het credo.

Eind 1946 stichtten 25 landen de Internationale Organisatie voor Standaardisatie (ISO), die universele specificaties voor allerlei diensten en goederen vastlegt, variërend van knipperlichten op auto’s tot de afmetingen van bankpassen.

Een jaar later volgde het eerste vrijhandelsverdrag, de General Agreement on Tariffs and Trade.
Die aanpak werkte. West-Europa, Japan en de Verenigde Staten wisten verbazingwekkend snel te herstellen wat twee oorlogen hadden vernietigd.

En opnieuw droeg technologische vernieuwing, deze keer in de vorm van automatisering, bij aan een forse groei van de wereldhandel. Er kwamen ponskaarten voor de bank, frankeermachines voor de post en – in 1961 – de eerste robot in een autofabriek, van General Motors.

Containerrevolutie

De welvaart groeide snel; arbeiders kregen vanaf de jaren zestig zaterdag vrij. Die toegenomen vrije tijd stimuleerde het toerisme, dat tot nog meer economische groei en handel leidde.

Toen in 1973 de eerste oliecrisis uitbrak, importeerde Nederland volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek bijna dertig keer zo veel goederen en diensten als in 1946, en gingen tachtig keer zo veel spullen de grens over. Nederlanders hadden bijna drie keer meer te besteden dan in 1946.

In die jaren begonnen containerschepen gemeengoed te worden, met dank aan de ISO die eind jaren zestig standaardafmetingen hiervoor opstelde. De ‘containerrevolutie’ bleek net zo’n belangrijke impuls voor de wereldhandel als de stoomboot.

Zuur voor stuwadoors, die tot die tijd met tien tot twintig man tegelijk goederen een voor een uitlaadden. Maar consumenten hoefden minder lang te wachten op hun auto’s en walkmans. Philips kon zijn scheerapparaten en tv’s goedkoper vervoeren.

Offshoring

Volgens cijfers van de Wereldhandelsorganisatie vertienvoudigde de wereldhandel tussen 1970 en 1989, terwijl de wereldeconomie volgens de Wereldbank bijna verdubbelde. En de welvaart? Die schoot omhoog: in Nederland groeide het inkomen per hoofd van de bevolking met 40 procent.

Na de containerrevolutie volgde een nieuwe impuls, toen er in 1989 een eind kwam aan de Koude Oorlog. In Moskou werd een jaar later de eerste McDonald’s geopend, een halfjaar later volgde het eerste filiaal in China, waar de Communistische Partij weliswaar aan de macht bleef, maar een flirt met het kapitalisme begon.

De term offshoring raakt in die jaren in zwang: productieketens werden opgeknipt en verplaatst naar lagelonenlanden. In minder dan twintig jaar werd China zo de werkplaats van de wereld.

Intussen groeiden de Noord-Amerikaanse landen naar elkaar toe met het optuigen van vrijhandelsverdrag NAFTA en werden Europese landen hechter door het ontstaan van de interne markt: in 1994 verdwenen de binnengrenzen in de Europese Unie voor het vervoer van goederen.

Structurele problemen

Een enorme vrijhandelszone was het gevolg. Handelsland Nederland voer wel bij die ‘hypermondialisering’: de waarde van de goederen en diensten die rond 2000 de grens passeren, is 450 miljard euro – tweemaal zo veel als in 1990.

Het belang van de wereldhandel is evident. Zowel voor de Eerste als na de Tweede Wereldoorlog is het de handel tussen landen die de economie vooruittrok. Daarvan is nu weinig te merken. Tussen 1990 en 2007 groeide de wereldhandel met gemiddeld 6,9 procent per jaar.

Tussen 2012 en 2014 gingen er jaarlijks nog maar 3,3 procent meer goederen en diensten de grenzen over. Dat ligt voor een deel aan de kredietcrisis en de economische crisis die daarop volgde en wereldwijd gevolgen had. Er zijn ook structurele problemen.

Het is nog steeds wachten op een opvolger van de stoomboot of de container die een nieuwe impuls geeft aan de wereldhandel. Internet doet dat – het legaal downloaden van een film in de Verenigde Staten is ook internationale handel – maar de opkomst ervan heeft de terugval van de wereldhandel niet kunnen voorkomen.

Reflexen

De vruchten van offshoring zijn ook wel geplukt. Er zijn – op Noord-Korea na – geen communistische bolwerken meer over die kunnen vallen. Erger, er is weer veel verzet tegen vrijhandel. Burgers en politici krijgen opnieuw last van protectionistische reflexen. Deals om de laatste barrières te slechten, lopen in de Wereldhandelsorganisatie keer op keer spaak. Landen zoeken daarom hun heil in regionale verdragen, zoals het Transatlantisch Vrijhandels- en Investeringsverdrag (TTIP), maar ook daartegen groeit de – vaak irrationele – weerstand.  Wereldwijd worden er volgens de Wereldhandelsorganisatie sinds 2008 meer handelsbeperkingen opgelegd dan opgeheven.
De directeur van het Internationaal Monetair Fonds, Christine Lagarde, ontwaart op aarde a new mediocrity – een economische zesjescultuur. De verwachte groei voor de handel en die van de wereldeconomie zijn begin dit jaar naar beneden bijgesteld.

Impulsen

Dat ontneemt door hoge staatsschulden gehavende landen de kans om daaraan te ontsnappen. Het leidt er ook toe dat miljoenen mensen wereldwijd de armoede niet achter zich kunnen laten. En voor ons betekent het dat we alleen maar kunnen dromen van de spectaculaire welvaartsgroei uit het einde van de twintigste eeuw.

Een uitzichtloze situatie? Nee. De wereld heeft geleerd dat belangrijke impulsen voor de wereldhandel in de afgelopen eeuwen het gevolg waren van technologische vernieuwingen. Investeren in kennis loont dus.

Duidelijk is ook dat protectionisme een recept is voor ellende, dat het werkgelegenheid en welvaart niet behoudt, en mensen armer in plaats van rijker maakt.

Elsevier nummer 18, 2 mei 2015

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.