Paul de Hen

DNB-president Zijlstra: politiek niet altijd probleemloos

Door Paul de Hen - 07 juli 2015

Elsevier-medewerker dr. Paul de Hen bespreekt maandelijks een president van De Nederlandsche Bank (DNB). Dit keer: Jelle Zijlstra (27 augustus 1918-23 december 2001), de vijftiende president (1967-1982).

Ane Jelle Zijlstra,  een voormalige boer, later commissionair in landbouw-producten te Oosterbierum, in het noordwesten van Friesland, en zijn vrouw Pietje Postuma hadden twee dochters en drie zonen. Zoon Rinse werd Kamerlid voor de Anti-Revolutionaire Partij (ARP, in 1980 opgegaan in het CDA) en een van de voormannen van de landbouwlobby.

Jelle, de oudste zoon, bracht het nog verder. Hij werd hoogleraar, minister van Economische Zaken, minister van Financiën en minister-president. Dat laatste slechts een zeer korte tijd.

Hoge inflatie

Zijn benoeming tot president van De Nederlandsche Bank stond al vast toen Zijlstra in het najaar van 1966 onverwacht als kabinetsinformateur werd opgeroepen, en vervolgens premier werd.

Als minister, en meer nog als president van De Nederlandsche Bank genoot hij groot gezag. Tijdens zijn presidentschap bereikte de inflatie in Nederland het tot nu toe hoogste punt sinds 1945: 10,2 procent in 1975, tegen 3,2 procent in het jaar dat hij aantrad, 1967. En de inflatie was nog altijd 6 procent in 1982, het jaar direct na zijn pensionering. Maar dat werd hem totaal niet aangerekend.

De jaren waarin Zijlstra bankpresident was, waren wereldwijd jaren van hoge inflatie. Dit hing onder meer samen met de oliecrises van 1973 en 1979. Tegen die crises kon een centrale bank in een land met een open economie weinig uitrichten. De inflatie werd immers voor een groot deel veroorzaakt door ontwikkelingen in het buitenland.

Loyaliteitsverklaring

Jelle Zijlstra begon zijn loopbaan zoals gezegd in de wetenschap, na een schoolcarrière die begon op de mulo (nu vmbo-t) in Harlingen en die in diezelfde stad werd voorgezet op de hbs (te vergelijken met het vwo). Omdat hij ‘wilde opschieten’, zoals hij schreef in zijn memoires (Per slot van rekening, 1992), en omdat de zogenoemde hbs-a hem sneller naar een eindexamen zou leiden dan hbs-b, koos hij voor hbs-a.

Wat in die tijd betekende dat van alle academische studies eigenlijk alleen economie voor hem openstond. Overigens schrijft Zijlstra dat juist economie op de hbs al vroeg zijn belangstelling had. In 1937 schreef hij zich in Rotterdam in aan de Nederlandsche Economische Hogeschool (in 1973 opgegaan in de Erasmus Universiteit Rotterdam).

Als gereformeerde jongen werd hij lid (en later praeses) van de studentenvereniging SSR. ‘Zelfs’ – zijn eigen formulering – ‘mocht het studentenleven bruisend worden genoemd.’

Door de Tweede Wereldoorlog moest hij zijn studie onderbreken. Eerst omdat hij in 1939 werd gemobiliseerd, in 1943 omdat hij onderdook in zijn thuisprovincie Friesland. De meeste SSR-leden weigerden de loyaliteitsverklaring te tekenen die de Duitse bezetter eiste om de studie te kunnen voortzetten. Niettemin studeerde Zijlstra af in oktober 1945, vijf maanden na afloop van de Duitse bezetting.

Hij werd direct daarna gevraagd wetenschappelijk medewerker te worden: in 1947 besloot de gereformeerde Vrije Universiteit (VU) in Amsterdam een economische faculteit te beginnen waarvoor Jelle Zijlstra als een van de drie hoogleraren economie werd gevraagd, te beginnen in het collegejaar 1948-1949.

In korte tijd schreef hij zijn proefschrift De omloopsnelheid van het geld en zijn betekenis voor geldwaarde en monetair evenwicht en op 8 juli 1948 promoveerde hij – cum laude – bij de prominente Rotterdamse monetair-econoom prof. Johan Koopmans.

In oktober hield Zijlstra zijn oratie aan de VU – een toen ‘wat stille, in zichzelf gekeerde’ (Zijlstra’s woorden) kleine universiteit met in totaal slechts 25 hoogleraren. Het betekende wel dat Zijlstra, net 30 jaar, tot de gereformeerde prominenten ging behoren. In 1951 werd hij kroonlid van de Sociaal-Economische Raad.

‘Man van het jaar’

Bij de kabinetsformatie van zomer 1952 werd Zijlstra benoemd tot minister van Economische Zaken. De jonge hoogleraar, als gereformeerde bijna vanzelfsprekend lid van de ARP, was in gunstige zin opgevallen bij de partij van premier Willem Drees: de PvdA. Dit door zijn kritische beschouwingen over een publicatie van die partij, De Weg naar Vrijheid.

De ARP nam voor het eerst na 1945 weer deel aan de regering en Zijlstra’s ministerschap werd vrijwel meteen een succes. Eind 1954 riep dagblad De Telegraaf hem zelfs uit tot ‘Man van het jaar’. Geleidelijk aan liberaliseerde Zijlstra de na de Duitse bezetting strak geleide economie, maar met mate. Bij het ministerie richtte hij de afdeling Algemene Economische Politiek op als interne denktank, geleid door een andere jonge econoom die naam zou gaan maken, Jan Pen.

In zijn memoires gaat Zijlstra er prat op weinig wetten te hebben ingediend. Wel was hij trots op zijn Wet economische mededinging, ‘de mooiste wet die ik ooit onder handen heb gehad’.  De wet was bedacht als liberaliseringsmaatregel en schiep nieuwe mogelijkheden om kartels aan te pakken, maar Zijlstra zou later toegeven dat hij op dat terrein niet erg effectief is geweest.

Europese beweging

In zijn partij hoorde Zijlstra onmiskenbaar bij de moderniserende vleugel. Hij was actief geweest in de Europese Beweging, een netwerkorganisatie van burgers en bedrijven die zich betrokken voelde bij het Europese integratieproces. Aanvankelijk was Zijlstra’s vooruitstrevende houding niet populair in ARP-kringen en ook in zijn memoires hield Zijlstra enigszins ironisch afstand van ‘de mannenbroeders’ met hun voorkeur voor een ‘bronzen stemgeluid’.

Maar de partij kon niet om zijn snel toegenomen reputatie heen. In 1956 werd Jelle Zijlstra politiek leider van de ARP in de Tweede Kamer. Maar in de praktijk zat hij vrijwel steeds in achtereenvolgende kabinetten. Eerst onder Willem Drees – die hij bewonderde – en daarna onder interim-premier Louis Beel. Dit gebeurde na het uittreden van de PvdA uit het kabinet-Drees IV, eind 1958. In deze periode was hij tevens interim-minister van Financiën.

Zijlstra-norm

Het volgende kabinet werd geleid door Jan de Quay (net als Beel lid van de katholieke partij KVP, in 1980 opgegaan in het CDA). De PvdA maakte geen deel meer uit van dit kabinet, terwijl de VVD toetrad.

Dit keer was Zijlstra uitsluitend minister van Financiën. In 1960  formuleerde hij de befaamde Zijlstra-norm, ofwel het ‘trendmatige’ begrotingsbeleid. De middelen van de overheid, zo had Zijlstra berekend, zouden stijgen door economische groei en door de progressie in de belastingen, waardoor de overheid bij groei zonder ingrijpen elk jaar een groter deel van het nationaal inkomen naar zich kon toetrekken. Verdere economische groei werd algemeen voorzien, zeker als trendmatige ontwikkeling.

Door niet elk jaar de begroting af te stemmen op de actuele stand van de economie zou een bestendiger beleid ontstaan dat in goede tijden kleine tekorten meebracht en in slechte tijden grotere, terwijl de uitgaven niet telkens hoefden worden aangepast als de belastingopbrengsten tegenvielen. ‘De conjunctuur zou in beginsel worden veronachtzaamd,’ aldus Zijlstra.

Hij vond overheidstekorten aanvaardbaar, omdat hij er net als veel economen in die tijd van uitging dat de besparingen in Nederland doorgaans groter zouden zijn dan de investeringen. Dat spaaroverschot moest de overheid dan afromen door zelf tekorten toe te staan die met geleend spaargeld konden worden gefinancierd. De economische groei zou de ontstane schulden op termijn compenseren. Dat gebeurde met gemak, in die jaren. Inflatie daarentegen zag hij als een gevaar.

Adviseur

Het was ook Zijlstra die als minister van Financiën in 1961 besloot om de gulden duurder te maken ten opzichte van de Amerikaanse dollar (de basis van het internationale geldstelsel) om gelijke tred te houden met de Duitse mark, die ook werd opgewaardeerd. Nederland was te goedkoop geworden voor het buitenland, wat inflatie zou aanwakkeren.

Op 25 juli 1963 leek na de verkiezingen van dat jaar een eind te komen aan Zijlstra’s politieke carrière. Minister-president van een volgend kabinet wilde hij niet worden. Dat was wel even aan de orde, maar de machtige KVP wilde hem niet.

Zijlstra liet, vond hij, de economie in een goede, evenwichtige conditie achter en hij keerde terug naar de Vrije Universiteit, nu als buitengewoon (parttime) hoogleraar openbare financiën. Daarnaast aanvaardde hij diverse commissariaten, plus het lidmaatschap van de Eerste Kamer voor de ARP. Bovendien adviseerde hij de minister van Economische Zaken Koos Andriessen (CHU) en de Europese Commissie in Brussel, de laatste over de gewenste economische orde in de Europese Unie (die toen nog EEG heette).

Die moest, adviseerde hij, een ‘gemengde economie’ zijn. De overheid schept de voorwaarden waarbinnen particuliere ‘beslissingseenheden’ – burgers en bedrijven – ‘vrij en zo harmonieus mogelijk tot ontplooiing komen’. Daarbij hoort onder meer coördinatie van het economisch beleid van de lidstaten, die zich ook zou moeten uitstrekken tot de manier waarop wordt omgegaan met overheidsbedrijven.

Nacht van Schmelzer

In de zomer van 1966 zocht de president van De Nederlandsche Bank Marius Holtrop Zijlstra op in De Tike in Friesland (een dorp benoorden Drachten bij het meer De Leien), waar de oud-minister een vakantieboerderij had. Zijn voorstel: Zijlstra moest hem, Holtrop, opvolgen wanneer diens derde benoemingstermijn in mei 1967 afliep.

Holtrop had Zijlstra meegemaakt in de Sociaal-Economische Raad en als minister. Hij had bovendien al de steun van de zittende minister van Financiën Anne Vondeling (PvdA) voor deze opvolging verworven. Ook de andere directeuren van De Nederlandsche Bank en de commissarissen waren het eens met de benoeming. Op 16 september 1966 werd Zijlstra bij Koninklijk Besluit per 1 mei van het volgende jaar benoemd tot Holtrops opvolger.

Toen viel, in de vroege ochtend van 14 oktober, het kabinet-Cals, een coalitie van KVP, ARP en PvdA die na een eerdere kabinetscrisis was gevormd. De val gebeurde na een enerverende vergadering van de Tweede Kamer die bekendstaat als de Nacht van Schmelzer.

De toenmalige leider van de KVP, Norbert Schmelzer, diende na een lang debat een motie in die vroeg om ‘meer waarborgen voor een evenwichtige groei en tegen verdergaande geldontwaarding en werkloosheid’. Daartoe moest een stijging van de uitgaven in het jaar 1968 worden voorkomen. De motie werd aangenomen door een Kamermeerderheid.

Het klonk onschuldig, maar het kabinet interpreteerde het als een motie van wantrouwen in zijn begrotingsbeleid, temeer omdat de motie van de KVP – de partij van premier Cals – afkomstig was. De ARP-fractie in de Kamer had tegen de motie gestemd.

Schmelzer kreeg de opdracht een nieuw kabinet te vormen, maar hij wilde zelf geen premier worden. Hij vroeg Zijlstra, die na ruggespraak met de AR-Kamerleden weigerde. Oud-premier Louis Beel (KVP), inmiddels vicevoorzitter van de Raad van State, volgde Schmelzer op als informateur en haalde Zijlstra alsnog over om tot de volgende (vervroegde) Kamerverkiezingen een interim-kabinet te leiden. Zo werd de al benoemde bankpresident op 22 november ineens premier en opnieuw minister van Financiën.

Dat schiep een probleem voor de commissarissen van De Nederlandsche Bank, want die waren het met hun president-commissaris, oud-minister Max Steenberghe, eens dat ‘het ongewenst is dat de nieuwe president uit de politieke sfeer onmiddellijk naar de serene sfeer van de Nederlandsche  Bank overgaat’. Zijlstra trok zijn eigen benoeming tot bankpresident in. Het optreden van de al benoemde bankpresident als premier had geleid tot kritiek in een deel van de pers.

Gevaarlijke concurrent

Directie en commissarissen van De Nederlandsche Bank bedachten zich intussen. Zijlstra bleef hun voorkeurskandidaat, mits hij toezegde tijdens zijn benoemingsperiode van zeven jaar niet opnieuw politieke functies te zullen ambiëren of aanvaarden.

Op 15 februari 1967 waren er vervroegde verkiezingen. Zijlstra trad daarna nog op als informateur. Op basis van zijn werk kwam vervolgens op 5 april 1967 het kabinet-De Jong tot stand. De nieuwe minister van Financiën, Johan Witteveen (VVD), benoemde op voordracht van De Nederlandsche Bank Zijlstra alsnog per 1 mei tot opvolger van Holtrop. Volgens bankhistoricus Martin Fase (in: Tussen behoud en vernieuwing, 2000) speelde ook mee dat in de ARP, opnieuw deel uitmakend van de regeringscoalitie, de populaire econoom Zijlstra als een gevaarlijke concurrent voor het leiderschap werd gezien die maar beter definitief de politiek kon verlaten. Maar ‘Zijlstra zelf wilde ook graag’, aldus Fase.

De benoeming was op het nippertje. Het Koninklijk Besluit was gedateerd 25 april.

Monetaire speelruimte

Een nieuwe chef in een nieuw gebouw. Niet lang na Zijlstra’s aantreden in 1967 betrok de centrale bank het huidige hoofdkantoor aan het Frederiksplein in Amsterdam, een ontwerp van de architect Marius Duintjer. De zeven jaar durende bouw van het nieuwe hoofdkantoor was uiteraard voorbereid onder Holtrop.

Zijlstra was een heel andere chef dan Holtrop, aldus Fase, die zelf in 1971 bij de studiedienst van de bank zou beginnen. Holtrop stuurde rechtstreeks het monetaire onderzoek en de analyse bij de bank. Zijlstra hield afstand. Zoals hij als minister de Zijlstra-norm had opgesteld, formuleerde hij ook bij de bank een norm voor de gewenste geldhoeveelheid, die weer sterke invloed heeft op de inflatie – de ‘monetaire speelruimte’. De concrete uitwerking ervan in de praktijk liet hij over aan zijn  medewerkers.

Zijlstra zelf schreef in zijn memoires over het politieke milieu: ‘(…) had ik vaak het idee dat ik op mijn hoede moest zijn. Dat gevoel heb ik bij de Bank nooit gehad. De sfeer was daar geheel doordrenkt van de overtuiging dat een volstrekt onbevooroordeelde analyse de basis moet zijn voor beslissingen (…)’. Wat hij ook prettig vond: vaste werktijden. ‘Meestal was ik voor het avondeten thuis.’ En: ‘Er kroop een rustige harmonie in mijn bestaan binnen.’

Maar beleidsmatig had Zijlstra als bankpresident met hectische economische ontwikkelingen te maken, meer dan toen hij minister was. De jaren van zijn presidentschap waren immers jaren van een sterk oplopende inflatie en forse economische crises die gepaard gingen met veel meer werkloosheid dan Nederland na de Tweede Wereldoorlog gewend was geraakt.

Kredietrestrictie

Al in 1969 probeerde Zijlstra de inflatie te temmen door opnieuw een kredietrestrictie in te voeren. De banken mochten onder meer hun kortlopende kredieten aan bedrijven en particulieren met niet meer dan een vastgelegd percentage laten toenemen. Hij introduceerde een ‘liquiditeitsquote’ als streefcijfer: 35,5 procent, de verhouding tussen de hoeveelheid geld (inclusief banktegoeden) en het nationaal inkomen.

Het baatte niet. Het beleid van de rijksoverheid en de toestroom van geld uit het buitenland deden de effecten van de kredietrestrictie deels teniet.

In 1970 stroomde veel extra buitenlands geld toe omdat beleggers verwachtten dat de gulden ten opzichte van de dollar opnieuw in waarde zou stijgen. Dat hing samen met het ineenzijgen van het systeem van vaste wisselkoersen zoals dat ooit was afgesproken in Bretton Woods.

De Verenigde Staten waren niet langer het betrouwbare anker van dat systeem en sterke valuta uit andere landen trokken veel kortstondig belegd geld aan, waarvan de binnenlandse economie eerder last, dan profijt had. De Amerikanen daarentegen kampten met steeds verder oplopende betalingsbalanstekorten.

Spilkoers

In 1971 verbood De Nederlandsche Bank om nog rente te betalen op tegoeden van niet-ingezetenen en in 1973 werd zelfs een tijdje een boeteheffing op zulke tegoeden gelegd. Ook in 1971 voerde de bank de ‘obligatiegulden’ in. Niet-ingezetenen van Nederland die hun geld in Nederlandse obligaties wilden beleggen, konden dat alleen doen met guldens die ze hadden verkregen door andere Nederlandse obligaties te verkopen – opnieuw een beperking van de overmatige kapitaalinvoer.

De maatregel werd veelvuldig ontdoken. Aan de enorme invoer van buitenlands kapitaal kwam niettemin snel een einde. In januari 1974 werd het zogeheten ‘O-circuit’ opgeheven.

Intussen was de gulden samen met de Duitse mark op 10 mei 1971 losgemaakt van de dollar: er werd niet langer geprobeerd om een vaste dollarkoers te handhaven. Een paar maanden later, op 15 augustus 1971, verbrak de Amerikaanse president Richard Nixon zelf de vaste koppeling tussen de dollar en het goud. Het internationale monetaire bestel schudde op zijn grondvesten.

Nederland en België besloten op 23 augustus om dan maar de wisselkoers tussen de gulden en de Belgische frank, die ook in Luxemburg werd gebruikt, te stabiliseren binnen nauwe grenzen rond een ‘spilkoers’.

Slang-arrangement

Per 1 juli 1972 werd zo’n stelsel van onderling gestabiliseerde wisselkoersen afgesproken tussen alle toenmalige lidstaten van de Europese Economische Gemeenschap (EEG, voorloper van de Europese Unie): België, de Bondsrepubliek Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg en Nederland. Dit zogenoemde ‘slang’-arrangement heeft in diverse variaties bestaan tot begin 1999 de euro giraal werd ingevoerd – de euromunten en -bankbiljetten volgden drie jaar later.

Binnen de slang konden munten worden gerevalueerd of gedevalueerd door de spilkoers te veranderen. Zo werd de gulden in september 1973 met 5 procent gerevalueerd ten opzichte van de rest van de slang. Dat was bedoeld om de binnenlandse hoogconjunctuur wat af te remmen.

Sommige deelnemende landen – Frankrijk, Italië, later ook het Verenigd Koninkrijk – vielen weleens een tijdje uit de slang, maar traden toch weer toe.

De slang had ook verscheidene keren te maken met valutacrises. Nederland slaagde er niet in om de koersverhouding tussen de gulden en de Duitse mark stabiel te houden. Al in de laatste jaren van het Bretton Woods-stelsel was de gulden ten opzichte van de mark wat in waarde verlaagd. Binnen de slang gebeurde dat herhaaldelijk, met uitzondering van de guldenrevaluatie van 1975.

In 1971-1972 kostte 1 D-mark een fractie meer dan 1 gulden, in 1981 was dat ruim 1,10 gulden. Toch bleef de gulden binnen het slang-arrangement de D-mark-koers het best volgen van de uiteindelijk tien deelnemende landen gedurende de periode dat Zijlstra bankpresident was.

De Nederlandsche Bank werkte daaraan via haar rentebeleid en door te handelen op de valutamarkt. Duitsland volgen werd belangrijk gevonden omdat het Nederlands grootste handelspartner was (en is).

Oliecrisis

Na een wat aarzelende economische ontwikkeling eind jaren zestig, begin jaren zeventig leek het steeds beter te gaan met de economie. Er was hoogconjunctuur, vandaar de revaluatie. Maar de hoogconjunctuur had een prijs. In Nederland stegen de lonen voortdurend sneller dan de arbeidsproductiviteit, terwijl de overheid de collectieve lasten opvoerde. De winsten van het bedrijfsleven kwamen hierdoor onder druk te staan. Zijlstra kon als bankpresident alleen maar waarschuwen – hij beschikte niet over middelen om het tij te keren.

Eind 1973 veranderde de situatie ingrijpend door de eerste oliecrisis. De grote niet-westerse olieproducenten besloten gezamenlijk hun prijzen drastisch te verhogen. Dat joeg de inflatie verder op.

Nederland profiteerde aanvankelijk van de prijsstijging doordat de aardgasprijs aan de olieprijs was gekoppeld, maar een recessie viel op den duur  niet te voorkomen.

Het kabinet-Den Uyl – met de latere centralebankpresident Wim Duisenberg (PvdA) als minister van Financiën – probeerde de economische inzinking die op de oliecrisis volgde te keren met een stimulerend beleid van hogere overheidsuitgaven. De gunstige betalingsbalans en het overheidsaandeel in de stijgende aardgasopbrengsten maakten dat mogelijk. Zijlstra steunde dit beleid. ‘Terecht heeft de Regering (…) ruimte gezien voor een expansief budgettair beleid,’ schreef hij in het jaarverslag van de bank over 1974.

Maar in 1975 waarschuwde Zijlstra in zijn overleg met het kabinet in de Raad voor Economische Aangelegenheden (REA) tegen het expansieve begrotingsbeleid. Minister Duisenberg bereikte in dat jaar dat de groei van de collectieve uitgaven werd afgeremd. Bankhistoricus Wim Vanthoor schreef dat Zijlstra in die REA-vergadering ten slotte toch de geplande omvangrijke tekortfinanciering van de overheidsuitgaven accepteerde  (in: De Nederlandsche Bank 1814-1998, 2004). ‘Cruciaal was (…) hoever de president  in de gegeven omstandigheden meende te kunnen gaan, waarbij hij in het uiterste geval met aftreden kon dreigen. Daarvan was geen sprake, maar Duisenberg zelf toonde zich (…) wel teleurgesteld over het feit dat de Nederlandsche Bank in 1975 ”niet wat flinker” was geweest.’

Zijlstra toonde zich in zijn jaarverslag over 1975 opnieuw bezorgd over de grote interne onevenwichtigheden. Waaronder ‘een op volle toeren draaiende inflatie’, die misschien tot loon- en prijsmaatregelen zou moeten leiden. In die tijd werd 1975 als een recessiejaar gezien. Volgens actuele CBS-cijfers was er nulgroei, maar geen krimp van het bruto binnenlands product (krimp staat voor recessie). Toen de groeistop eindigde, bleef zijn zorg, want de onevenwichtigheden verdwenen niet.

Oplopend financieringstekort

Het kabinet-Van Agt, dat volgde op het kabinet van Joop den Uyl, slaagde er niet in om het oplopende financieringstekort van de overheid onder controle te krijgen. Ook ging het steeds moeizamer met de economie.

De Nederlandse export, behalve die van aardgas, werd te duur voor het buitenland. Zo deed zich een paradoxale situatie voor dat door de zeer winstgevende aardgasexport de gulden sterk bleef, terwijl de rest van de uitvoer stagneerde. De werkgelegenheid groeide summier, terwijl de beroepsbevolking bleef stijgen – met meer werkloosheid als gevolg. Vanaf 1975 verloren Nederlandse bedrijven marktaandeel.

Zijlstra bleef hameren op de structurele problemen in de Nederlandse economie. Hij steunde oproepen tot loonmatiging en stelde dat de arbeidsmarkt beter moest functioneren. Hij schreef dat de rijksoverheid door haar tekorten inflatie aanmoedigde.  In zijn jaarverslag over 1980 – zijn laatste – had hij het zelfs over ‘een proces van verzieking’ in economie en financieel beheer. Die analyse herhaalde hij in zijn memoires.

Iraanse Revolutie

In 1977 voerde De Nederlandsche Bank opnieuw een kredietrestrictie in, omdat zij de hoeveelheid geld in omloop te groot vond in relatie tot het nationaal inkomen. Maar de onevenwichtigheden hielden stand.

Een tweede oliecrisis na de Iraanse Revolutie van 1979 signaleerde het begin van de ommekeer, maar zeker zo belangrijk was dat de leiders van het stelsel van centrale banken van de Verenigde Staten, de Federal Reserve, eind 1979 besloten om de inflatie met harde hand te keren. De bankrente werd daar drastisch verhoogd, tot zelfs 20 procent (nu liggen de officiële bankrentes dicht bij 0 procent). Economisch historicus Jan Luiten van Zanden schreef : ‘(…) de kwetsbaarheid van de Nederlandse economie voor verandering in de reële rente kwam zo aan het licht’ (in: Een klein land in de 20e eeuw, 1997).

De Verenigde Staten hadden na de grote problemen begin jaren zeventig het vertrouwen in hun dollar hersteld. Het intussen vrijwel vrijgegeven internationale kapitaalverkeer betekende dat de dollarkoers steeg, evenals de marktrente in andere landen, waaronder Nederland. Beleggers konden immers volop geld in dollars beleggen om zo te profiteren van de rente in Amerika.

Diepe recessie

In 1981 begon in Nederland een sinds 1945 ongekend diepe recessie. In dit en het daaropvolgende jaar daalde het Nederlandse bruto binnenlands product en steeg de werkloosheid spectaculair. De Nederlandsche Bank probeerde tegenwicht te geven door haar officiële rente te verlagen.

Zijlstra was op dat moment niet langer president van De Nederlandsche Bank. Zijn tweede benoemingstermijn van zeven jaar zat erop: per 1 januari 1982 was hij opgevolgd door voormalig PvdA-minister van Financiën Wim Duisenberg. Zijlstra claimt dat dit zijn idee was. Hij had ter voorbereiding Duisenberg per 1 mei 1981 al in de bankdirectie gehaald toen daar een vacature ontstond.

In juni van dat jaar adviseerde Zijlstra na de Tweede Kamerverkiezingen in mei de informateurs Jan de Koning (CDA) en diens partijgenoot Ruud Lubbers over de economische toestand in het land. In zijn memoires vat hij die adviezen samen: financieringstekort omlaag, kapitaalexport remmen en beleggingsvoorschriften voor institutionele beleggers (zoals pensioenfondsen), geen algemene arbeidstijdverkorting, wel ruimte voor meer deeltijdwerk en terugdringen van het aantal sociale uitkeringen.

In de daaropvolgende weken was de bijna scheidende bankpresident in beeld als mogelijke premier, maar daar voelde hij niet voor. Uiteindelijk werd Dries van Agt (CDA) de nieuwe premier.

Meer politieke greep

Als bankpresident was Zijlstra’s verhouding met de politiek niet altijd probleemloos. Minister Duisenberg verdedigde hem in Tweede Kamer als er  kritiek was op zijn beleid, maar vond intern ook dat De Nederlandsche Bank eigenlijk geen eigen reserves hoefde aan te houden. Premier Joop den Uyl (PvdA) stond veel kritischer dan zijn minister van Financiën tegenover de zelfstandigheid van De Nederlandsche Bank.

Zijlstra beschrijft dat de premier toen hij, nog vóór Duisenberg, vernam van de kredietrestrictie van 1977 zelfs een ‘aanwijzing’ aan de bank heeft overwogen om die restrictie te voorkomen, een maatregel die de toenmalige Bankwet toeliet, maar die nooit in de praktijk is gebracht.

Ten minste twee KVP-ministers van Financiën, Roelof Nelissen en Frans Andriessen, probeerden vóór en na Duisenberg op een andere manier meer greep op het beleid van De Nederlandsche Bank te krijgen. Nelissen overwoog om een topambtenaar van zijn ministerie tot koninklijk commissaris te benoemen, zodra die positie zou vrijkomen. Andriessen ging niet zover, maar liet Zijlstra wel weten dat hij eigenlijk meer bevoegdheden wilde ten aanzien van het monetaire beleid. Zijlstra kon al dit soort aanvallen op de autonomie van de bank overigens afweren.

Groep van Tien

Net als Holtrop speelde Zijlstra ook internationaal een rol van belang. Hij volgde Holtrop op als voorzitter van de Bank voor Internationale Betalingen (BIS) in Bazel, het discrete discussieforum van de chefs van de belangrijkste westerse centrale banken.

Daar, en in de zogenoemde Groep van Tien (de financieel toonaangevende westerse industrielanden), maakte hij in 1971 het eind van het Bretton Woods-stelsel mee. In 1973 werd hij gepolst voor de leiding van het Internationaal Monetair Fonds – hij beval in zijn plaats oud-minister van Financiën Johan Witteveen (VVD) aan.

Volgens zijn memoires was er na zijn vertrek bij de centrale bank nog sprake van een lidmaatschap of voorzitterschap van de Europese Commissie. Maar dat weigerde hij ook. In plaats daarvan bekleedde hij een aantal commissariaten en bestuursfuncties.

Jelle Zijlstra overleed op 23 december 2001 in Wassenaar.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.