Paul de Hen

DNB-president Duisenberg: de man die Duitsland als anker zag

Door Paul de Hen - 24 augustus 2015

Elsevier-medewerker dr. Paul de Hen bespreekt maandelijks een president van De Nederlandsche Bank (DNB). Dit keer: Willem Frederik Duisenberg (9 juli 1935-31 juli 2005), de zestiende president (1982-1997).

Jelle Zijlstra had in 1980, in het zicht van zijn pensionering als president van De Nederlandsche Bank, bedacht wie hem het best kon opvolgen: oud-minister van Financiën Wim Duisenberg, op dat moment lid van de hoofddirectie van de Rabobank.

Zijlstra had zelfs een dubbelslag in gedachten, want één jaar voor zijn zelfgeplande vertrek zou de oudste directeur van de bank, Dolf Kessler, met pensioen gaan. Nout Wellink, op dat moment thesaurier-generaal op het ministerie van Financiën, zou voor die functie een goede opvolger zijn.

Met dit voorstel confronteerde Zijlstra de toenmalige minister van Financiën, Frans Andriessen (CDA). Duisenbergs biografen Bruno de Haas en Cees van Lotringen, die in Wim Duisenberg. Van Friese volksjongen tot Mr. Euro (2003) de gang van zaken uit de doeken doen, schrijven dat Zijlstra tegen Andriessen zei: ‘Het gaat mij om de combinatie.’

Zowel de minister als de raad van commissarissen juichte niet direct over het voorstel. Duisenberg was namens de PvdA minister geweest in het kabinet-Den Uyl (1973-1977). Een kabinet dat allerminst populair was in de kringen van het bedrijfsleven, waar commissarissen worden gerekruteerd. Ook Andriessen twijfelde aan Duisenbergs ‘soliditeit’ als bewindsman. Maar er was geen tegenkandidaat, dus werd Duisenberg voorbestemd om Zijlstra op te volgen.

Om te voorkomen dat tot de leiding van de centrale bank twee nieuwkomers tegelijk zouden toetreden, werd besloten dat Duisenberg eerst als directeur de plaats van Kessler zou innemen. De benoeming tot president kon dan volgen als Duisenberg was ingewerkt in de directie, waarna Wellink diens directeursplaats kon overnemen.

Deze carrièrestap zou Duisenberg aan de top van het internationale bankwezen brengen. Toen hij in juni 1997 De Nederlandsche Bank verliet, was dat om de eerste president te worden van de Europese Centrale Bank (ECB).

In feite kwam met Duisenbergs vertrek dat jaar een eind aan de specifieke rol van De Nederlandsche Bank als autonome nationale centrale bank, de ‘hoedster van de gulden’.

Directieadviseur

Duisenberg was de zoon van een hoofdopzichter bij het waterleidingbedrijf in Heerenveen. Hij was wetenschappelijk medewerker geweest aan de Rijksuniversiteit Groningen, waar hij na het behalen van een gymnasium-bèta-diploma aan het lyceum te Heerenveen macro-economie had gestudeerd. Eind 1965 promoveerde hij daar; niet op een monetair onderwerp, maar op de economische gevolgen van ontwapening.

Begin 1966 kwam Duisenberg te werken op de afdeling Europa van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) in Washington.

Zijn eerste kennismaking met De Nederlandsche Bank was na zijn terugkeer uit de hoofdstad van de Verenigde Staten, in 1969. Vanaf maart dat jaar, Zijlstra was er nog maar kort president, had Duisenberg voor de bank gewerkt als directieadviseur ‘voor bijzondere economische aangelegenheden’. Zijn belangrijkste bijdrage was een plan om de studiedienst te versterken door econometristen aan te trekken. De directie nam dit plan over.

Aan de uitvoering van het project kwam hij niet meer toe, want in 1970 verruilde hij de bank voor een hoogleraarschap macro-economie aan de Universiteit van Amsterdam.

Krachtige minister

D66-voorman Hans van Mierlo zou Duisenberg, die al sinds 1959 lid was van de PvdA, onder de aandacht hebben gebracht van PvdA-leider Joop den Uyl. Den Uyl kon voorafgaand aan de Tweede Kamerverkiezingen van 1972 geen minister van Financiën vinden voor een links ‘schaduwkabinet’ van PvdA, D66 en PPR.

Uiteindelijk werd de jonge hoogleraar na de verkiezingen (van de linkse partijen had alleen de PvdA ruim gewonnen) zelfs écht minister in ‘het meest progressieve kabinet dat Nederland ooit gehad heeft’, zoals het vaak is omgeschreven.

Het was een coalitie van de drie linkse partijen, met deelname van deels als ‘links’ beschouwde ARP- en KVP-ministers, zoals Ruud Lubbers (KVP) op Economische Zaken. Den Uyl werd premier.

Duisenberg bleek al snel een krachtige minister. Aanvankelijk steunde hij het beleid dat door de linkse regeringspartijen was aangekondigd. Dat was gericht op een sterke groei van de overheidsbemoeienis, uitkeringsniveaus en overheidsuitgaven – zij het onder handhaving van het structurele begrotingsbeleid dat Jelle Zijlstra als minister van Financiën begin jaren zestig had ingezet.

Er was volgens de zogenoemde Zijlstra-norm zelfs zonder lastenverhoging ruimte voor een expanderende overheid, omdat Nederland een flink betalingsbalansoverschot had. Het voorgaande kabinet had de schatkist bovendien zuinig beheerd. De totale overheid – Rijk, provincies en gemeenten – had in 1973 een overschot van inkomsten boven uitgaven.

Oliecrisis

Eind 1973 brak de eerste oliecrisis uit. Voor Nederland als aardgasexporteur had deze oliecrisis onverwachte effecten: de overheid kreeg veel meer geld binnen zonder dat belastingverhoging nodig was, of meer hoefde te worden geleend. De aardgasprijs was in die jaren namelijk gekoppeld aan de olieprijs.

De overheidsuitgaven en de uitgaven voor de sociale zekerheid – de zogeheten collectieve uitgaven – stegen in de periode van het kabinet-Den Uyl van 45,6 procent van het bruto binnenlands product (bbp) naar 51,6 procent.

Intussen ging het niet goed met de Nederlandse economie. Duisenberg en de rest van het kabinet gingen er aanvankelijk van uit dat de problemen werden veroorzaakt doordat er minder vraag was naar goederen en diensten dan gewenst was voor een goed draaiende economie.

In 1975 bleek dat een illusie. De export daalde en het bbp nam niet langer toe. De werkloosheid, die het kabinet ondanks omvangrijke werkgelegenheidsprogramma’s niet had weten te verlagen, begon op te lopen.

Het Centraal Planbureau kwam met alarmerende nieuwe inzichten over wat er werkelijk in de economie gaande was, namelijk een ingrijpende herstructurering in het bedrijfsleven. Het bedrijfsleven kon de lonen, die in de jaren zestig sterk waren gestegen en nog steeds met de inflatie opliepen, steeds moeilijker opbrengen.

Intern pleitten ambtenaren van Financiën ervoor om de overheidsuitgaven in procenten van het bbp niet verder laten stijgen, maar dat achtte Duisenberg politiek onhaalbaar in het kabinet.

Eénprocentsnorm

Als minister genoot Duisenberg veel krediet bij zijn ambtelijke staf en door zijn goede presentatie was hij populair in het land, maar hij vond in het kabinet lang niet altijd de nodige steun van de minister-president. Met moeite dwong hij de afspraak af dat het aandeel van de collectieve uitgaven in procenten van het bruto binnenlands product vanaf 1976 met maximaal één procentpunt per jaar zou mogen stijgen, de zogenoemde éénprocentsnorm.

Dat is in de praktijk niet gehaald. Een meerderheid in het kabinet dwong af dat de invoering gefaseerd en deels na de lopende kabinetsperiode zou geschieden. Dankzij het economisch herstel dat eind 1975 onverwacht inzette en dankzij de aardgasopbrengsten zijn in de periode-Duisenberg de overheidsschulden niettemin beheerst gebleven.

Het kabinet-Den Uyl viel op 22 maart 1977 door een conflict tussen de linkse ministers en die uit KVP en ARP.

Bij de daaropvolgende verkiezingen behaalde de PvdA opnieuw veruit de meeste stemmen, maar de formatie van een tweede kabinet-Den Uyl met D66 en de nieuwe christen-democratische fusiepartij CDA mislukte. Na een zeer kort en met tegenzin aanvaard Kamerlidmaatschap vertrok Duisenberg naar de Rabobank. Zijn politieke carrière was afgelopen.

Aanwijzingen

Als minister van Financiën had Duisenberg te maken gehad met de vraag of het kabinet steeds het monetaire beleid van de centrale bank zou moeten accepteren. Sinds de nationalisatie van De Nederlandsche Bank in 1948 had de minister van Financiën immers een wettelijk recht om de bank aanwijzingen te geven.

Van dat recht is nooit gebruikgemaakt, maar volgens bankhistorici is het onder het kabinet-Den Uyl bijna zover gekomen toen de bank onder leiding van Zijlstra in 1977 besloot tot kredietbeperking. Duisenberg zou er niet voor hebben gevoeld, bovendien was het kabinet toen al demissionair.

Maar als bankpresident maakte hij mee dat een volgend kabinet (kabinet-Lubbers I) een dringend advies van de bank in de wind sloeg. Daar was geen aanwijzing voor nodig: het ging om een bevoegdheid van het kabinet die eerder steeds in samenspraak met de bank was uitgeoefend, namelijk een aanpassing van de wisselkoers van de gulden.

In 1971 was het in de Tweede Wereldoorlog opgetuigde systeem van vaste wisselkoersen tussen alle belangrijke munten in de wereld opgeblazen (het systeem van Bretton Woods). De Amerikaanse regering wilde de goudwaarde van de dollar, het anker van het systeem, niet langer verdedigen.

Een aantal Europese landen, waaronder Nederland, besloot niet lang daarna om de wisselkoersen van hun nationale munten binnen nauwe grenzen aan elkaar gekoppeld te houden. Dat zogenoemde slangarrangement hield met vallen en opstaan en nogal wat interne aanpassingen stand tot in 1999 de euro (giraal) werd ingevoerd.

Devaluatie

In de tweede helft van de jaren zeventig werd de gulden bij herschikkingen binnen de slang driemaal (in 1976, 1978 en 1979) samen met andere slang-valuta licht gedevalueerd – in waarde verlaagd – ten opzichte van de Duitse mark. De mark was de sterkste munt in de slang en de nationale munt van de belangrijkste handelspartner van Nederland.

In 1979 hadden het kabinet en de bank, toen nog geleid door Jelle Zijlstra, zich met enige tegenzin geschikt in de devaluatie. Voor het eerst gebeurde dit onder nieuwe afspraken voor de slang, vanaf 13 maart 1979 aangeduid als Europees Monetair Stelsel (EMS). De aanpassingen waren afgedwongen door herhaalde onrust op de valutamarkten, maar vanaf 1979 volgde de gulden steeds de Duitse mark: werd die binnen de slang gerevalueerd, dan revalueerde de gulden mee.

In 1983 was er opnieuw een aanpassing van wisselkoersen binnen de slang ophanden, omdat Frankrijk niet met Duitsland kon meekomen.

De Franse frank moet flink devalueren en lastige spoedonderhandelingen over de gewenste koersaanpassingen volgden. Premier Lubbers besloot met steun van de meeste betrokken ministers om de gulden niet helemaal gelijk te laten opgaan met de Duitse mark, om de afstand tot Franse frank niet te groot te maken. Dat was tegen het advies in van De Nederlandsche Bank, de minister van Financiën Onno Ruding (CDA) en van de thesaurier-generaal van het ministerie van Financiën.

Duisenberg en zijn mededirecteuren waren verbijsterd. De gulden werd niet bedreigd op de valutamarkt en de betalingsbalans vertoonde een overschot. In het jaarverslag over 1982, dat een maand later uitkwam, schreef de president venijnig: ‘Deze beslissing van de Regering ware te zien als een eenmalige (…) willen de positieve resultaten van de door achtereenvolgende kabinetten gevoerde wisselkoerspolitiek behouden blijven.’

Op de kapitaalmarkt steeg de rente die Nederland op zijn staatsschuld moest betalen, volgens de bank bleef die daardoor nog jaren hoger dan nodig was geweest.

Recessie

De discussie over devaluatie voltrok zich tegen de achtergrond van een ingrijpende recessie. Nederland was de jaren zeventig redelijk doorgekomen, al ging het economisch niet goed. De tweede oliecrisis, die van 1979, werd binnen twee jaar gevolgd door economische stagnatie, ook buiten Nederland, en een explosieve stijging van de werkloosheid. In Nederland kromp de economie zelfs twee jaar achtereen, in 1981 en 1982, terwijl het aantal werkzoekenden bleef stijgen.

Bovendien waren de overheidsfinanciën ernstig in het ongerede, met hoge belastingen en toch grote tekorten. De achtereenvolgende kabinetten-Lubbers (1982-1994) maakten daaraan een eind, maar aanvankelijk leek economisch herstel niet te volgen op de eerste harde maatregelen. De werkloosheid bleef hoog.

Toch werd de internationale situatie geleidelijk stabieler. Overheden besloten om de kapitaalmarkten verder te liberaliseren. Daarmee kwam ook een eind aan nationale kredietbeperkingen, zoals De Nederlandsche Bank die eerder al had toegepast om inflatie in toom te houden. Bij vrij kapitaalverkeer heeft zo’n nationale ingreep immers geen zin.

Volgens het monetaire beleid werd na 1983 Duitsland weer op de voet gevolgd. Als de Bundesbank haar rente aanpaste, deed De Nederlandsche Bank direct hetzelfde. Duisenberg hield zo de wisselkoers tussen gulden en Duitse mark stabiel.

Duitsland was voor hem het anker van het Europese monetaire stelsel. Dat de Duitsers streefden naar lage inflatie, maakte navolging des te interessanter. In 1987 was er in Nederland zelfs sprake van een lichte daling (-0,5 procent) van de prijsindex.

Duisenberg-biografen De Haas en Van Lotringen citeren de toenmalige president van de Duitse Bundesbank, Karl Otto Pöhl: ‘Vanaf toen [1983] was de Nederlandsche Bank in alle harmonie een filiaal van de Bundesbank. Wim hield daarvan. Hij zei: ”Het geeft me een sterke positie tegenover de regering als die om een renteverlaging vraagt.”’

Hypotheekbanken

Intussen bouwde Duisenberg een internationale reputatie op. Net als Zijlstra vóór hem werd hij bestuursvoorzitter van de Bank voor Internationale Betalingen (BIS) in Bazel, die onder meer gewicht heeft als discreet discussieforum voor de belangrijkste centrale bankpresidenten in de wereld – van Beijing tot Washington. Daarbij zou Duisenberg in 1998 ook gaan horen.

Maar zover was het begin jaren tachtig nog niet. De bankpresident had dan ook heel andere zorgen. Een belangrijk thema was de kracht en structuur van het Nederlandse bankwezen. Die waren niet in orde. In 1978 had een vernieuwde Wet toezicht kredietwezen de toezichttaak van de centrale bank uitgebreid tot de hypotheekbanken. Dat waren gespecialiseerde instellingen die hypothecair krediet verstrekten en zich voornamelijk financierden door het uitgeven van een speciaal soort obligaties, pandbrieven genaamd.

De recessie van de vroege jaren tachtig trof ook de woningmarkt. De woningprijzen daalden sterker dan gedurende de recente recessie in Nederland. Eigenlijk alle hypotheekbanken kwamen in de problemen. De grootste werden overeind gehouden met steun van vooral de verzekeraars, maar een kleine instelling, de Tilburgsche Hypotheekbank, ging in 1983 over de kop.

Een geruchtmakend bankdebacle was in Nederland na de Tweede Wereldoorlog nog maar één keer voorgekomen, in 1966, toen het kleine Amsterdamse bankiershuis Gebr. Teixeira de Mattos surseance van betaling aanvroeg.

Teixeira was een commanditaire vennootschap met één beherend vennoot – wat toen nog werd toegestaan voor banken. Deze directeur werd in maart 1967 veroordeeld wegens malversaties. De Nederlandsche Bank wilde aanvankelijk geen financiële steun geven bij de afwikkeling van de surseance.

De algemene banken, verenigd in de Nederlandse Bankiersvereniging, verschaften geld om gedupeerde kleine spaarders tegemoet te komen. Uiteindelijk werd ook de centrale bank betrokken bij het initiatief dat mogelijk maakte Teixeira te liquideren zonder grote aantallen gedupeerden.

Als gevolg van dit faillissement werd later een collectieve garantieregeling opgezet, waarbij de banken tot een zeker bedrag gezamenlijk instaan voor bank- en spaartegoeden. De Nederlandsche Bank voerde de regeling uit.

Hoewel de centrale bank, toen nog geleid door Marius Holtrop, toezichthouder was, werd de gang van zaken rond Teixeira haar niet ernstig verweten. Maar intern trok de bank conclusies en versterkte ze het toezicht. De Tweede Kamer drong intussen aan op een wijziging van de Wet toezicht kredietwezen om de bank ruimere bevoegdheden te geven.

In 1978 werden de collectieve garantieregeling eindelijk gerealiseerd en in 1982 werd op grond van de vernieuwde wet gehandeld bij de ondergang van de Tilburgsche Hypotheekbank. Niettemin ging ook die bank failliet en ook hier speelden onregelmatigheden een rol. Maar ditmaal werd, evenals bij het veel kleinere bankfaillissement van de Amsterdam-American Bank een jaar eerder, De Nederlandsche Bank als toezichthouder door gedupeerden aansprakelijk gesteld. Bij de rechters kreeg de bank in beide gevallen gelijk.

Fusiebeweging

Duisenberg kreeg ook op een heel andere manier met de toezichttaak van de bank te maken: door de voortgaande fusiebeweging in de financiële sector. De Rabobank, waar Duisenberg kortstondig bestuurder was geweest, was ontstaan uit een fusie tussen de twee boerenleenbankorganisaties die Nederland eerder kende.

Kleinere fusies en overnames in de rest van het bankwezen kwamen geregeld voor. Als minister had Duisenberg tegenwicht proberen te bieden aan de concentratiegolf door een overheidsbank in de markt te zetten, die zou ontstaan door het samenvoegen van de Postgiro en de Rijkspostspaarbank.

Zijn opvolger Ruding trok het oorspronkelijke plan in en legde de nieuwe Postbank (die in 1984 ontstond) tot ergernis van Duisenberg beperkingen op, zodat ze niet voluit kon concurreren. Die beperkingen vervielen toen de Postbank in 1989 samenging met de Nederlandsche Middenstandsbank (NMB).

De Nederlandsche Bank had aarzelingen over combinaties van banken en verzekeraars, die onder een ander toezichtregime vielen: de Verzekeringskamer. Maar eind jaren tachtig leek er geen ontkomen aan combinaties van banken en verzekeraars. ‘Bank-verzekeraars’ kwamen in de mode.

In 1990 stelden De Nederlandsche Bank en de Verzekeringskamer een protocol op om toezichtproblemen bij bank-verzekeraars te voorkomen. In 1991 volgde de fusie van NMB Postbank met de verzekeraar Nationale-Nederlanden. Daarmee ontstond de bank-verzekeraar ING. Hetzelfde jaar accepteerde De Nederlandsche Bank dat de Algemene Bank Nederland (ABN) en Amro Bank fuseerden tot ABN AMRO.

Overnames

Geleidelijk was het Nederlandse bankwezen teruggebracht tot drie zeer grote instellingen, naast een paar middelgrote: bank-verzekeraar SNS REAAL en de Belgisch-Nederlandse bank-verzekeraar Fortis, plus een groep kleine, meestal gespecialiseerde banken.

De grote fusies werden gezien als een gewenste reactie op de vorming van een grote Europese binnenmarkt, waardoor banken makkelijker in meer landen actief konden zijn. Voor het toezicht op zulke banken en bank-verzekeraars met vestigingen in meer lidstaten van de Europese Gemeenschap, zoals de Europese Unie toen nog heette,  werden regels opgesteld.

De Nederlandse banken ABN AMRO en ING waren verscheidene keren op het overnamepad, ook in het Europese buitenland. Grote buitenlandse overnames in Nederland deden daarentegen nauwelijks voor.

De Franse bank Crédit Lyonnais redde in 1980-1983 de in problemen geraakte Slavenburg’s Bank, maar droeg het Nederlandse bedrijf in 1995 over aan de Belgische Generale Bank, die in 1998 op haar beurt in handen kwam van Fortis, nadat een tegenbod van ABN AMRO was mislukt. ING lijfde daarentegen in datzelfde jaar wel de grote Belgische bank BBL in.

Sluitstuk van de ontwikkeling was het samenvoegen van de (Pensioen- en) Verzekeringskamer en De Nederlandsche Bank, maar dat gebeurde pas in 2004 onder Duisenbergs opvolger Nout Wellink.

Valutastorm

Niet alleen banken en verzekeraars fuseerden over de grenzen heen. In Duisenbergs tijd als president van De Nederlandsche Bank werd het plan voor een Europese munt weer actueel.

Het idee voor een eenheidsmunt voor alle lidstaten van wat nu de Europese Unie heet, was al oud. In 1969 spraken de regeringsleiders van de betrokken landen af dat er een Economische en Monetaire Unie (EMU) moest worden voorbereid.

Pierre Werner, de regeringschef van Luxemburg, tevens minister van Financiën, leidde de commissie die in 1971 een plan daarvoor opstelde. Maar de toenmalige Franse president Georges Pompidou torpedeerde het rapport-Werner. Frankrijk wilde geen monetaire en economische soevereiniteit afstaan.

Maar het idee bleef leven. Na de ondergang van het wereldwijde systeem van vaste wisselkoersen werd tussen een aantal Europese landen, waaronder Nederland, Duitsland en Frankrijk, een regeling afgesproken om onderlinge wisselkoersschommelingen te beperken. Dat systeem kwam geregeld onder grote druk te staan door speculatie op de financiële markten. Toch traden steeds meer landen toe, waaronder in 1990 het Verenigd Koninkrijk.

In september 1992 raasde na vijf jaar rust een ‘valutastorm’ over Europa, zoals Duisenberg in zijn jaarverslag schreef. Onrust op de valutamarkten voedde opnieuw speculatie. De Britse regering trok daarop het pond definitief uit het wisselkoersarrangement terug. Italië vertrok tijdelijk. De gulden zat, met de Duitse mark, ‘in het oog van de orkaan’ en bleef onbedreigd. Duitsland zette immers binnen het arrangement de toon en Nederland volgde sinds 1983 trouw Duitsland.

In 1993 waren er opnieuw grote spanningen ontstaan. Zo groot dat de Fransen op een gegeven moment dreigden om de Duitsers uit het wisselkoersarrangement te jagen. Duisenberg en André Szász, de directeur die bij De Nederlandsche Bank jarenlang internationale zaken behartigde, dreigden op hun beurt dan Duitsland te volgen.

Tenslotte accepteerde de Franse regering een tijdelijk grote koersschommeling van de Franse frank en opzichte van de andere valuta in het arrangement.

Volgens Duisenbergs biografen De Haas en Van Lotringen ‘zal Duitsland Wim Duisenberg eeuwig dankbaar zijn. Frankrijk zal hem voor altijd zien als een kloon van de Bundesbank’.

Monetaire eenwording

In 1992 was ondanks de onderlinge spanningen tijdens een top in Maastricht besloten om verder te gaan op weg naar een Economische en Monetaire Unie. In 1990 was al volledig vrij kapitaalverkeer ingevoerd, wat werd beschouwd als ‘de eerste fase’ van zo’n unie. De laatste deviezencontroles waren afgeschaft.

Daaraan was een lange periode van overdenken en confereren voorafgegaan. Volgens bankhistoricus Wim Vanthoor hadden De Nederlandsche Bank en het ministerie van Financiën in 1985 al in een gezamenlijke notitie benadrukt dat ‘politieke eenwording moet voorafgaan aan monetaire eenwording’, omdat monetaire eenwording ook overdracht zou vergen van nationale soevereiniteit op begrotingsgebied naar Europees niveau.

De Fransman Jacques Delors, destijds voorzitter van de Europese Commissie, leidde op verzoek van de regeringsleiders een groep bankpresidenten, onder wie Duisenberg. Zij stelden in hun rapport voor die begrotingscoördinatie te bereiken door bindende regels op te stellen voor de omvang van de begrotingstekorten van de deelnemende landen, en ook voor de financiering van die tekorten. Dit rapport verscheen in 1989.

Euro

Eind 1989 eindigde de communistische dominantie in Midden- en Oost-Europa. Dat maakte hereniging mogelijk van de twee Duitse staten die vier jaar na de Tweede Wereldoorlog waren gevormd, de Bondsrepubliek Duitsland en de communistische Duitse Democratische Republiek (DDR).

Tot dan waren Frankrijk en West-Duitsland in de Europese Unie even grote partners geweest. Het nieuwe Duitsland zou aanzienlijk groter worden dan Frankrijk. Het plan voor een monetaire unie kon de Fransen compensatie bieden. De eenheidsmunt zou worden beheerd door een nieuwe Europese Centrale Bank (ECB). Daarmee zou de macht van de Duitse Bundesbank worden ingeperkt.

De belangrijkste afspraken werden bezegeld in het Verdrag van Maastricht van 1992. Eerst kwam er een overgangsperiode waarin landen die wilden meedoen met de nieuwe eenheidsmunt aan een aantal ‘convergentiecriteria’ dienden te voldoen. De landen die dat examen haalden, zouden op 1 januari 1999 de wisselkoersen van hun munten definitief vastzetten.

Wisselkoersschommelingen tussen bijvoorbeeld de Duitse mark en Nederlandse gulden of de Franse frank en de Belgische frank waren vanaf die datum niet langer mogelijk. De basis voor alle munten zou de nieuwe eenheidsmunt worden, later euro gedoopt.

Zo is het gegaan. Eén gulden werd per 1 januari 1999 vastgepind op precies 0,45378 euro (ofwel: 1 euro was gelijk aan 2,20371 gulden). Vanaf dat jaar kon op de valutamarkt alleen in euro’s worden gehandeld. Beurskoersen werden vanaf 1999 alleen in euro’s genoteerd.

Het slotstuk van de omzetting was het invoeren van eurogeld (muntstukken en bankbiljetten) en het omzetten van alle banktegoeden en prijzen in euro’s. Dat gebeurde per 1 januari 2002.

Stabiliteits- en groeipact

De convergentiecriteria uit 1992 werden in 1994 aangevuld met het Stabiliteits- en groeipact. Hierin staan regels voor het maximaal toelaatbare begrotingstekort en de maximaal toegestane overheidsschuld. Bovendien bevat het pact de mogelijkheid om landen die zich langdurig niet aan de afspraken houden een Europese boete op te leggen.

Slotstuk was de oprichting van de Europese Centrale Bank. In 1994 werd bij wijze van overgang eerst een Europees Monetair Instituut (EMI) opgericht. Dat vormde het begin van de ‘tweede fase’ van de invoering van de euro.

Duisenberg werd in 1993 door zijn Duitse collega-bankpresident Hans Tietmeyer benaderd om het instituut te gaan leiden, maar hij weigerde. Volgens zijn biografen had hij in die tijd weinig vertrouwen in het tot stand komen van de Economische en Monetaire Unie. Bovendien zou hij na twee termijnen als president van De Nederlandsche Bank met pensioen willen.

Toen in 1995 tijdens een bijeenkomst in Valencia van de Europese ministers van Financiën en de centralebankpresidenten bleek dat er nu echt politieke vastberadenheid bestond om door te gaan, veranderde Duisenberg van mening.

Ook maakte hij duidelijk niet al te zeer te hechten aan de convergentiecriteria. Een van die criteria, die ook in het Stabiliteitspact is opgenomen, was dat het begrotingstekort maximaal 3 procent van het bruto binnenlands product mocht bedragen. ‘De criteria hebben fantastisch werk gedaan in de afgelopen jaren,’ citeren zijn biografen uit een interview dat Duisenberg in juni 1997 gaf aan de Franse zakenkrant Les Echos.

‘Aan de andere kant valt niet te ontkennen dat er een zekere mate van willekeur in de precieze cijfers zit. Wat is de heiligheid van 3 procent? Het was toevallig een cijfer waar Europa gemiddeld op zat toen het Verdrag van Maastricht werd gemaakt.’

Politiek stond al in 1997-1998 vast dat de EMU met elf landen zou beginnen, ook als die niet precies aan de convergentiecriteria zouden voldoen. Het Nederlandse kabinet-Kok I twijfelde zeer aan de geschiktheid van Italië, maar kon Italië niet weren. Duisenberg was voldoende politicus gebleven om dat in te zien.

Van de toen vijftien EU-lidstaten wilden er drie (Verenigd Koninkrijk, Denemarken, Zweden) niet met de euro meedoen, en van één, Griekenland, stond buiten kijf dat het niet aan de convergentiecriteria voldeed. In 2001, op de valreep van het invoeren van de euromunten en -bankbiljetten, werd Griekenland alsnog rijp geacht voor de euro en toegelaten tot de eurozone.

Europese Centrale Bank

De eerste chef van het in Frankfurt gevestigde Europees Monetair Instituut werd de Belgische bankier baron Alexandre Lamfalussy, die daarvoor chef van de Bank voor Internationale Betalingen in Bazel was. Lamfalussy is dan al 65 jaar en wil na zijn termijn bij het EMI liever niet de eerste president van de toekomstige Europese Centrale Bank worden. Op 14 mei 1996 dragen de overige centrale bankiers hun Nederlandse collega Wim Duisenberg unaniem voor om Lamfalussy per 1 juli 1997 op te volgen.

In november 1997 verraste de Franse president Jacques Chirac de andere regeringsleiders evenwel met de voordracht van Jean-Claude Trichet, president van de Banque de France, als eerste president van de ECB, per juni 1998.

Het komt tot een heftige botsing met de andere regeringsleiders tijdens een Europese top in Brussel. Het compromis zou zijn dat Duisenberg informeel toezegt voortijdig plaats te maken voor Trichet, hoewel hij als ECB-president voor acht jaar wordt benoemd.

Inderdaad legde Duisenberg in november 2003 zelf zijn presidentschap neer. Maar dat was jaren later dan Chirac in 1997 openlijk had aangekondigd.

De eerste jaren bij de ECB moeten ook voor Duisenberg een leerproces zijn geweest. Als president van een van de belangrijkste centrale banken ter wereld moest hij nog veel meer op zijn woorden letten dan als president van De Nederlandsche Bank. Een ongelukkige uitspraak in een interview met het Engelse dagblad The Times veroorzaakte een koersdaling van de euro ten opzichte van de dollar.

Maar Duisenberg leerde snel en schiep relatief veel openheid over het bankbeleid door een traditie van maandelijkse persconferenties te beginnen. Bovendien lukt het hem om te worden geaccepteerd als de spreekbuis van de ECB en van het Europese monetaire beleid, en om het multinationale gezelschap dat de nieuwe centrale bank bemande en bestuurde tot een werkbare eenheid te smeden.

De introductie van de euromunten en -bankbiljetten begin 2002 veroorzaakte enige onrust omdat prijzen bij het omzetten van nationale valuta in de nieuwe munt werden opgedreven, maar dit prijseffect bleef beperkt. Technisch verliep de introductie vlekkeloos.

Duisenberg trad na zijn pensioen bij de ECB onder meer op als bemiddelaar bij de binnenlandse kwestie van de woekerpolissen. Dat leidde tot de zogenoemde Duisenberg-regeling, die het eerst, in 2005, werd afgesloten tussen een aantal organisaties van belanghebbenden en bank-verzekeraar Dexia.

In de zomer van datzelfde jaar overleed Wim Duisenberg, 70 jaar, onverwacht bij zijn buitenhuis in Frankrijk.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.