Paul de Hen

DNB-president Knot: acceptabele compromiskandidaat

Door Paul de Hen - 23 oktober 2015

Elsevier-medewerker dr. Paul de Hen bespreekt maandelijks een president van De Nederlandsche Bank (DNB). Dit keer: Klaas Henderikus Willem Knot (14 april 1967). De achttiende president (sinds 1 juli 2011)

Het is na vier jaar presidentschap te vroeg om de bestuursperiode van Klaas Knot te overzien. Hij is immers voor zeven jaar benoemd en kan nog eens voor zeven jaar worden herbenoemd. Een aantal ingrijpende veranderingen bij De Nederlandsche Bank sinds zijn aantreden kunnen wel al worden vermeld.

Knots benoeming hing direct samen met de zware kritiek die De Nederlandsche Bank na het uitbreken van de kredietcrisis kreeg op haar toezichtbeleid. Niet zijn voorganger Nout Wellink of de raad van commissarissen van de centrale bank schoof Knot als favoriete kandidaat naar voren, maar het eerste kabinet-Rutte.

Volgens de toenmalige directeur van het Centraal Planbureau, Coen Teulings, had het kabinet daarvoor al twee andere topambtenaren van Financiën als mogelijke opvolger van Wellink genoemd, maar de bank had bezwaar tegen hen gehad. Knot, met werkervaring zowel bij de bank als bij het ministerie van Financiën, zou voor beide partijen een acceptabele compromiskandidaat zijn geweest.

Jan Kees de Jager (CDA), de minister van Financiën in dat kabinet, wijzigde met ruime steun in het parlement de opzet van het bestuur van de bank en benutte als sluitstuk het aftreden van zowel president Wellink als van directeur toezicht Henk Brouwer om nieuwe gezichten in de bankleiding te benoemen.

Wellink en Brouwer hadden volgens De Jagers nieuwe regels het eind van hun uiterste, tweede benoemingstermijn bereikt. Bovendien was Wellink al over de 65 en werd Brouwer in dat jaar 65, dus zouden ze sowieso met pensioen zijn gegaan.

Ingreep

De cultuur van de bank moest worden veranderd, zo luidde de consensus op het ministerie. Zo’n ingreep was decennialang niet voorgekomen, maar niet zonder precedent.

Om dezelfde reden had minister van Financiën Piet Lieftinck (PvdA) in 1948 de totale buitenstaander (maar monetair expert) Marius Holtrop tot president benoemd en was zowat een eeuw eerder Willem Mees door de toenmalige minister van Financiën Pieter van Bosse (liberaal) tot secretaris van de bank benoemd (Mees werd veel later een succesvolle president).

Wellink had als opvolger voor het presidentschap een andere voorkeurskandidaat, dat was geen geheim. Deze interne kandidaat was Lex Hoogduin (1956), eerder divisiedirecteur bij De Nederlandsche Bank en daarvoor persoonlijk adviseur van Wim Duisenberg in diens jaren als president van de Europese Centrale Bank (ECB) in Frankfurt.

Hoogduin was in 2005 bij de bank vertrokken om chief economist te worden bij beleggingsbedrijf Robeco, maar in 2009 teruggehaald en in de directie van De Nederlandsche Bank benoemd. Het kabinet-Rutte I zag in hem blijkbaar niet de verandermanager die het zocht. Hoogduin vertrok op de dag dat Knot president werd.

Salarissen

Het kabinet greep de directiewijzigingen meteen aan om de salarissen in de bankleiding te matigen. Wellink verdiende 406.650 euro bruto per jaar, Knot kreeg in 2011 315.000 euro, in 2014 door indexatie aangegroeid tot 326.284 euro.

Het gemiddelde persoonlijk inkomen in Nederland voor mensen met betaald werk was volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek in 2011 35.200 euro, in 2013 36.400 euro (dit cijfer is voor 2014 nog niet beschikbaar). Ter vergelijking: de in 2013 benoemde nieuwe bestuursvoorzitter van ING, Ralph Hamers, verdiende in 2014 1,27 miljoen euro, plus een prestatieafhankelijk recht op aandelen in ING.

De bezoldiging van de directeuren – en van een aantal divisiedirecteuren – van De Nederlandsche Bank ligt ruim boven de normering volgens de Wet normering topinkomens die in 2013 is ingevoerd. Deze wet is niet met terugwerkende kracht van toepassing en van de norm kan gemotiveerd worden afgeweken.

Bankentoezicht

Bij zijn benoeming in 2011 kwam de nieuwe president van De Nederlandsche Bank van het ministerie van Financiën. Daar was Knot directeur financiële markten en plaatsvervangend thesaurier-generaal en dus een naaste medewerker van minister De Jager. Maar hij kende de centrale bank goed van binnenuit.

Tot zijn overstap naar het ministerie van Financiën had Knot van 1995 tot 2002 (met een onderbreking van anderhalf jaar bij het Internationaal Monetair Fonds in Washington) en van 2004 tot 2009 bij De Nederlandsche Bank gewerkt. Hij was daar voornamelijk belast geweest met toezicht – het probleemgebied van de bank, wat betreft de politiek.

Knot was afdelingshoofd bij het bankentoezicht geweest en van 2002 tot 2004 directeur bij de Pensioen- & Verzekeringskamer, de toezichthouder op verzekeraars en pensioenfondsen die in 2004 werd samengevoegd met De Nederlandsche Bank. Daardoor werd Knot divisiedirecteur toezichtbeleid, tot hij de bank verruilde voor het ministerie van Financiën.

Sinds 2005 is hij bovendien parttime hoogleraar in Groningen, tegenwoordig als ‘honorair hoogleraar’. Sinds 2015 is hij tevens deeltijdhoogleraar monetaire stabiliteit aan de Universiteit van Amsterdam.

Veelbelovend

Groningen is Knots herkomstprovincie. Hij werd geboren in het dorp Onderdendam. Zijn vader handelde in veevoer, zijn moeder was onderwijzeres. Hij bezocht het vwo in Drachten, waarnaartoe het gezin was verhuisd, en studeerde daarna economie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Daar promoveerde hij in 1995 bij de monetair econoom prof. Jakob de Haan (die tegenwoordig ook aan De Nederlandsche Bank is verbonden, als afdelingshoofd onderzoek).

Knots dissertatie ging over begrotingsbeleid en renteontwikkeling in verband met het Europees Monetair Stelsel (EMS). Dit Europese wisselkoersmechanisme werd ingevoerd in 1979 en hield stand tot de invoering van de euro in 1999. Hoogduin, ook afkomstig van de Groningse universiteit, haalde de veelbelovende jonge econoom naar De Nederlandsche Bank.

Knot heeft zich dus als wetenschapsman ook beziggehouden met het monetaire beleid in bredere zin. En dat is de hoofdtaak van de president van De Nederlandsche Bank, zeker in de nieuwe door De Jager geschapen constellatie, waarbij een aparte directie toezicht bij de bank is ingericht. Deze directie staat onder voorzitterschap van Jan Sijbrand, die De Jager tegelijk met Knot heeft benoemd.

Sijbrand (1954), een gepromoveerd wiskundige, werkte nooit eerder bij De Nederlandsche Bank. Als chief risk officer hield hij zich bezig met risicobeheersing bij de bank NIBC. Daarvoor was hij risicomanager bij ABN AMRO.

De commissarissen zijn nu voor het eerst ook belast met toezicht op het toezichtbeleid.

Omstreden

Een van de eerste daden van De Nederlandsche Bank na de directiewijziging was dat zij van de belangrijkste banken verlangde dat die een zogenoemde living will opstellen. Dit verzoek vloeide overigens voort uit nieuwe internationale afspraken. Een living will is een uiteenzetting over de manier waarop banken in geval van problemen kunnen worden opgedeeld zonder al te grote kleerscheuren. Het verzoek ging uit in augustus 2011.

Het verscherpte toezichtbeleid van de centrale bank is de laatste tijd omstreden omdat het anders dan ten tijde van Wellink al te ingrijpend zou zijn. Een nieuw instrument, de hertoetsing van zittende bestuurders (‘beleidsbepalers’) van banken, verzekeraars en pensioenfondsen, wordt ingezet om beleid te corrigeren dat de toezichthouder onwelgevallig is. Ook de toetsing door de toezichthouder van kandidaten voor zulke functies is geformaliseerd en veel scherper geworden.

In een proces dat verzekeraar Delta Lloyd aanspande tegen het aftreden van de financieel bestuurder, Emiel Roozen, dat De Nederlandsche Bank na hertoetsing verlangde, sprak de rechtbank in Rotterdam uit dat het ‘besluit tot heenzending’ opnieuw moest worden gemotiveerd. De financieel bestuurder wachtte dat niet af en vertrok alsnog.

Europeanisering

Het toezicht is sinds de invoering van de euro en de fusie met de Pensioen- & Verzekeringskamer misschien wel de belangrijkste taak van De Nederlandsche Bank geworden. Maar ook daar is sprake van verdergaande europeanisering, via de zogenoemde bankenunie.

Knot drong al in zijn eerste jaarverslag, over 2011, aan op een dergelijk Europees toezicht, met een Europees regime voor banken die in de problemen raken en met een Europees depositogarantiestelsel. Problemen met banken deden zich destijds immers in tal van eurolanden voor en hadden vaak een grensoverschrijdend effect. In dat jaarverslag pleitte Knot zelfs (zoals meer economen in die tijd) voor gezamenlijke Europese overheidsobligaties, zij het ‘voor de verdere toekomst’ en als ‘sluitstuk van begrotingsdiscipline’.

Dat Europees toezicht is tot stand gekomen. Het zogenoemde prudentiële toezicht op de 123 belangrijkste banken in de eurozone is per 4 november 2014 overgedragen aan de ECB. Het prudentiële toezicht betreft de soliditeit van de banken. In Nederland betreft het zeven banken (Rabobank, ING, ABN AMRO, SNS REAAL, RBS en de voor overheden werkzame Bank Nederlandse Gemeenten en de Nederlandse Waterschapsbank). Samen omvatten zij meer dan 80 procent van het Nederlandse bankwezen.

De ECB werkt samen met de nationale toezichthouders, in Nederland dus De Nederlandsche Bank. Directeur Sijbrand maakt deel uit van de Supervisory Board van de ECB, het orgaan dat over toezichtaangelegenheden voorstellen doet aan het ECB-bestuur. Deze voorstellen zijn automatisch aangenomen als het bestuur niet uitdrukkelijk anders beslist. Ruim twintig toezichtmedewerkers van De Nederlandsche Bank zijn overgegaan naar de ECB.

Resolutiemechanisme

Sinds 1 januari 2015 geldt een Europees resolutiemechanisme, een in de eurozone gezamenlijke aanpak van banken die volgens het toezicht niet langer levensvatbaar zijn. Vanaf 2016 zal een speciaal hiervoor opgerichte resolutieraad kunnen beslissen over het opheffen van banken in de problemen.

Een Europees fonds, dat op den duur wordt gevuld door de solide banken en niet langer door de overheden van de eurolanden, moet de financiering verschaffen die nodig is om een bank in moeilijkheden te kunnen ondersteunen of zelfs te redden. Zo hoeft niet langer een beroep te worden gedaan op de nationale schatkist van het land van vestiging van de bank in de problemen.

Strak monetair beleid

Knot intussen is als president vooral zichtbaar in zijn rol als lid van het bestuur van de Europese Centrale Bank, dat is samengesteld uit negentien nationale bankpresidenten die daar het monetaire beleid voor de euro bepalen. Dat doen zij samen met de vaste ECB-directie in Frankfurt onder leiding van de Italiaan Mario Draghi.

Hoewel de beraadslagingen van het ECB-bestuur besloten zijn, is het geen geheim dat de Nederlandse bankpresident samen met onder anderen de president van de Duitse Bundesbank Jens Weidmann wordt gerekend tot de voorstanders van een strak monetair beleid.

Knot aarzelde over het stimuleren van de economie in het eurogebied door grootscheepse aankopen van staatsobligaties door de centrale banken, toen dat voor de euro revolutionaire plan aan de orde kwam. Knot vreesde nieuwe onevenwichtigheden door de enorme hoeveelheid geld die zo in de economie wordt gepompt.

Uiteindelijk heeft hij zich bij deze ‘kwantitatieve verruiming’ (naar Amerikaans voorbeeld) neergelegd. Hij blijft er wel op hameren dat daarnaast structurele veranderingen in de economie van veel landen nodig zijn.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.