juist

Anatomie van de macht: Commissaris van de Koning

Door Eric Vrijsen - 25 maart 2014

Wie bestiert Nederland? In de serie Anatomie van de macht pelt politiek redacteur Eric Vrijsen de instituties af. Dit keer is het
de beurt aan de twaalf commissarissen des Konings, de laatsten der regenten.

Toen bekend werd dat CDA’er Jaap Smit (56) de nieuwe commissaris van de Koning in de provincie Zuid-Holland werd, kreeg hij van alle kanten felicitaties. ‘Hartverwarmend,’ zegt hij. Maar ook dubbel. ‘Vrienden zeiden: wat een fantastische baan! En meteen daarop vroegen ze: wat ga je eigenlijk doen?’

De democratiseringsgolf van 1968 veranderde alle regenten in moderne regenten, maar de commissaris des Konings het minst. De functionaris heeft nog altijd iets zwaarwichtigs. Minzame gestrengheid. In elk provinciehuis hangt een lange rij deftige portretten van de ‘gouverneurs’; die na 1850 ‘commissaris van de Koning(in)’ gingen heten. Hoe ver reikt hun invloed vandaag de dag?

Het ambt bestaat sinds het einde van de Franse tijd, nu twee eeuwen geleden. Aanvankelijk waren het louter adellijke types. Zo werd Friesland vanaf 1878 met strakke hand geleid door Binnert Philip baron van Haringxma thoe Slooten, totdat in 1909 Pieter Albert Vincent baron van Harinxma thoe Slooten het ambt van zijn vader overnam, om het tot 1945 vol te houden. Samen 67 jaar aan de macht. Ook in andere provincies kwam dat voor: houd het in de familie! Telkens dezelfde ­regenteske namen: Tjarda van Starkenborgh Stachouwer, Van Voorst tot Voorst, De Vos van Steenwijk of Quarles van ­Ufford. Graven en baronnen, maar ook grootgrondbezitters, want de ambtstoelage was sober.

Na de Tweede Wereldoorlog worden ze verdrongen door de mensen zonder dubbele achternaam. Maar ook die moderne garde straalt gezag uit. De commissaris mag misschien niet zo veel formele bevoegdheden hebben, hij of zij – op dit moment heeft alleen Overijssel een vrouw, in de persoon van Ank Bijleveld (CDA) – laat zich er graag op voorstaan de eindverantwoordelijke van de provincie te zijn.

Komt de commissaris ergens binnen, dan begint iedereen zich ook dienovereenkomstig te gedragen. Hij is de laatste der regenten. Toen Wim van de Donk (51) vijf jaar geleden werd geïnstalleerd als commissaris van Brabant, arriveerde de dienstauto stipt op tijd bij zijn huis in Tilburg. Vanwege de feestelijke gebeurtenis reden zijn vrouw en twee dochters ook mee, en namen plaats op de achterbank. De kersverse commissaris zat voorin. Vlak voor Den Bosch zei de chauffeur plechtig: ‘Mag ik u nu de gewetensvraag stellen?’

Iedereen keek op. ‘Nou,’ zei de man, ‘er zitten verchroomde vlaggensteunen aan deze auto. Wilt u bij officiële gelegen-heden en dienstreizen naar de Brabantse gemeenten het vaantje van de provincie laten wapperen, dan moet ik hier even stoppen om het te pakken en vast te maken.’ Van de Donk (CDA) wilde zeggen: ‘Hoeft niet, hoor.’ Zijn opgroeiende dochters waren hem al voor: ‘Pap, haal het niet in je hoofd!’

Rijksdwarskijker

De anekdote geeft de balans in het ambt van de commissaris treffend weer: in het moderne openbare bestuur speelt de commissaris met zijn status. Je kunt je invloed versterken door de aimabele regent uit te hangen. Maar overdrijf het niet, want dat werkt averechts. Je mag soms uit de hoogte doen. Op dwingende toon ambtenaren bellen: ‘Waarom laat u dat versloffen?’ Je mag Statenleden of maatschappelijke ­organisaties sommeren hun conflicten bij te leggen. Maar alles soepel en met mate. ‘Mevrouw, mijne heren, het begrip compromis is geen lelijk woord.’

Iedere commissaris was vroeger de toezichthouder vanuit Den Haag. ‘Rijksdwarskijker’ was de bijnaam. Desnoods droegen ze besluiten ter vernietiging voor bij de Kroon. Door daarmee stilzwijgend te dreigen, waren ze heer en meester. Nu is hun rol vooral omgekeerd. Ze lobbyen voor hun provincie in Den Haag en Brussel. Verder bewaken ze met een milde dwang de kwaliteit van de besluitvorming in het provinciehuis. Ze kunnen niet iets zomaar doordrukken, maar stellen intelligente vragen of geven doordachte adviezen. Want niemand zegt plompverloren tegen een commissaris: ‘Bekijk het even.’ Voor macht wil tegenwoordig niemand wijken, maar voor gezag gaan mensen nog lichtelijk door de knieën.

Van de Donk: ‘Mijn belangrijkste instrument is een kopje koffie en een goed gesprek.’ En daarin klinkt iets door dat subtieler en sterker is dan formele ­bevoegdheden.

In het huidige tijdsgewricht zijn de commissarissen druk met het werven van buitenlandse bedrijven. Lange tijd was dat uitgesloten, want die taak was voorbehouden aan het ministerie van Economische Zaken. Opeens gingen commissarissen delegaties leiden van regionale bedrijven die wereldmarkten wilden veroveren. Ook chaperonneerden ze stadsbestuurders die jacht maken op grote investeerders of juist een belangrijke multinational dreigen te verliezen.

Dries van Agt (CDA) – Brabants commissaris van 1983 tot 1987 – ging voorop met talloze reizen naar Japan, de Verenigde Staten, China, Colombia, Uruguay. Het werkte voortreffelijk. Niet alleen doordat de provinciale economie tot op de dag van vandaag profiteert van vooral Japanse investeringen. Maar ook doordat een commissaris sindsdien de provincie kan presenteren als een soort bv die een plekje verovert op de wereldmarkt. Met natuurlijk de commissaris als boegbeeld.

‘Wij hebben hier met China te doen,’ zegt de Utrechtse commissaris Willibrord van Beek (65, VVD) over zijn rol in de economische diplomatie. ‘Ik gebruik daar de titel gouverneur, want bij Kings commis-

sioner denken ze in Aziatische landen dat je een deskundige bent op een heel specifiek terreintje. Maar als je governor zegt, dan schatten de Chinezen dat op grote waarde en dat kan deuren openen.’

Voorafgaande aan China-reizen bestudeert Van de Donk de confuciaanse filosofie en leert een paar extra woordjes Chinees. ‘Je moet het protocol gebruiken om relaties te leggen met Chinese bestuurders. In het begin zit je stijf naast zo’n enorm bloemstuk, maar naarmate de bijeenkomst vordert, merk je dat vooral de jongere generatie bestuurders verlangt naar informele contacten en een persoonlijke klik.’ Als het goed loopt, eindigt de dag in een nachtelijke karaoke-discotheek.

Van de Donk herinnert zich een trip met middelgrote bedrijven naar Nanjing. Er was een jonge ondernemer uit Dongen bij die sprekend leek op Guus Meeuwis. Van de Donk: ‘Blijf jij eens even in mijn buurt.’ De man zei dat hij tamelijk goed kon zingen en playbacken. Even later schalde Brabant van Guus Meeuwis door de luidsprekers. De Chinezen – enigszins vermoeid na allerlei uitslovers die Bruce Springsteen of David Bowie hadden staan imiteren – zagen op het filmscherm opeens het evenbeeld van de artiest op het podium. Ze dachten dat de echte zanger was meegereisd! De Brabantse onder-

nemers zongen uit volle borst mee: ‘Ik loop hier alleen in een te stille stad. Ik heb eigenlijk nooit last van heimwee gehad.’ Het werd een knalfuif. Van de Donk: ‘Op een zeker moment stond er voor 20 miljard aan potentiële investeringen op het podium te dansen.’

Blauwtje

De macro-economie gaat over de inflatie, de kapitaalstromen, de werkgelegenheid. De micro-economie gaat over beslissingen binnen bedrijven. De sturingsmogelijk-

heden van een overheid zijn in beide gevallen beperkt. Maar bij de meso-economie gaat het om regionaal investeringsklimaat en bedrijvenacquisitie. ‘Daar kan de overheid nog echt een zet geven,’ denkt Van de Donk.

Commissarissen zijn heel listig in het ­exploiteren van hun invloed. Kwestie van timing. Als iets te politiek is, deinzen ze terug. Maar zodra Provinciale Staten – de volksvertegenwoordiging – een koers bepaalt, kan de commissaris inspringen. De leden van Gedeputeerde Staten – het dagelijks bestuur – vergaderen onder leiding van de commissaris en vormen een ‘collegiaal bestuur’. De gedeputeerden bakenen hun beleidsportefeuille graag af. Vooral in de tweede helft van de vorige eeuw waren ze volop aan het vechten om terreinwinst te boeken op de commissaris.

‘Ik voel me een gekooide tijger,’ klaagde Van Agt. En toen hij er in 1987 mee kapte: ‘Het is een tweedimensionaal, deerniswekkend ambt.’

Hans Wiegel (VVD), die in Friesland commissaris was van 1982 tot 1994, verliet al op woensdagmiddag het Provinciehuis met een ‘tot volgende week’ naar zijn ­kamerbode. Als mensen verbaasd waren, zei hij: ‘Hoor eens, voor Friesland kan ik achter dat bureau niks verdienen.’ Maar als ergens een weg moest komen of kanalen moesten worden uitgebaggerd, dan regelde hij op donderdag en vrijdag in Den Haag budgetten.

Van Agt liep in Brabant af en toe een blauwtje bij zijn gedeputeerden. In de dissertatie van oud-journalist Jan Janssens, De commissaris van de Koningin. Historie en functioneren (1992), staat dat mooi ­beschreven. Dan had hij een oud-minister uitgenodigd om projecten op industrieterrein Moerdijk te ontvouwen, maar dan boycotten de gedeputeerden de discussie. Of hij zei dat er korter moest worden vergaderd. De volgende keer kwamen de gedeputeerden heel vroeg bijeen en als rond elf uur de weinig matineuze Van Agt arriveerde, zeiden ze: ‘We zijn al klaar.’

Wiegel liet niet met zich sollen. Hij kende de weg naar de publiciteit en riep via de krant de gedeputeerden op: ‘Niet kakelen, eieren leggen.’ Een commissaris kan namelijk terugvallen op de steun van het volk. Hij bezit iets wat voor gedeputeerden onbereikbaar is: drager van de provinciale trots. Gewone mensen zien hem als de baas van de provincie.

Robin Hood

Als het er echt om spant, zoals in de ­recente discussie tussen Groningen en het Rijk over een tegemoetkoming voor de aardschokken en de bevolkingskrimp in het gebied rond Slochteren, dan mobiliseert commissaris Max van den Berg (PvdA, 67) de gewone burgers. Hij – niet de gedeputeerde-portefeuillehouder – is het boegbeeld. Van den Berg zit er al sinds 2007, maar beleeft nu het hoogtepunt van zijn roem. Zijn publiciteitsgevoelige lobby heet inmiddels ‘Circus Max’, en dat is beslist een loftuiting. Groningers zitten vol met frustratie door de aardschokken en moeten op iemand hun hoop kunnen vestigen. Een goede commissaris is als Robin Hood, met dien verstande dat hij budgetten in Den Haag weghaalt.

Van Beek (Utrecht) was eerder zelf gedeputeerde, later Tweede Kamerlid voor de VVD. Sinds vorig jaar is hij (tijdelijk) commissaris in Utrecht. Hij ziet de rol van ­iedere commissaris groeien. De naijver, ook die van burgemeesters, is weg. ‘We trekken tegenwoordig allemaal aan dezelfde kant van het touw. Ik zeg tegen mijn gedeputeerden: je moet me niet te snel inschakelen. Maar als ik echt iets kan doen, mag je mij niet vergeten.’

De provincies Noord- en Zuid-Holland plus Utrecht zijn een beetje a-typisch omdat steden als Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht zich niet graag vanuit het Provinciehuis laten overvleugelen. Op het Amsterdamse stadhuis werd lange tijd over het provinciehuis in Haarlem gesproken als ‘de boerenhulp’.

Die arrogantie is nagenoeg verdwenen. Van Beek: ‘Op het laatste Noordvleugeldiner begon PvdA-burgemeester Eberhard van der Laan van Amsterdam zijn commissaris Johan Remkes (VVD) uitvoerig te prijzen.’

Boodschappen

Commissarissen hebben een rol bij de eerste selectie van kandidaten voor een burgemeestersvacature. Ze functioneren ook als sparring partner voor burgemeesters, die de laatste tijd steeds vaker worstelen met veiligheidskwesties en openbare orde. Van de Donk zette laatst een burgemeester uit haar ambt.

Maar zoiets is zeldzaam. Formele machtsmiddelen – zoals ‘aanwijzingen’ voor burgemeesters bij rampenbestrijding of het ter vernietiging doorsturen naar

Den Haag van beslissingen van gedeputeerden – gebruikt een commissaris tegenwoordig niet meer. Het gaat subtieler. De commissaris is degene die aan het eind van een besluitvormingstraject een oordeel velt over de zaken die er echt toe doen.

Sommige commissarissen grossierden de afgelopen jaren in betaalde bijbanen. Jan Franssen (VVD, Zuid-Holland), Karla ­Peijs (CDA, Zeeland) en Hans Alders (PvdA, Groningen) waren berucht. Inmiddels zijn zij weg en is er een limiet aan wat een commissaris mag bijverdienen.

‘Toen ik ruim acht jaar geleden aantrad, was bijverdienen volstrekt normaal,’ zegt de Gelderse commissaris Clemens Cornielje (55, VVD). ‘Ik ben inmiddels de langstzittende commissaris en de trend is nu: géén betaalde nevenfuncties. Hooguit een enkeling heeft nog een betaalde bijbaan. Terecht, want de discussie over nevenverdiensten beschadigde het ambt. Het effect is wel dat de commissarissen wegvallen uit de rijtjes van invloedrijke Nederlanders. Want de kranten stellen die lijstjes samen op basis van nevenfuncties. Nu klaagt iedereen weer: wat stelt zo’n commissaris eigenlijk voor als hij op die lijstjes ontbreekt? Maar ik doe onbetaald wel allerlei dingen. Op verzoek van de ­minister zit ik nu ook in de Raad van Advies voor de Onderwijsinspectie. En kom ik op de nieuwjaarsreceptie van de Koning, dan ken ik iedereen. Dat is hard werken. Ik doe daar de boodschappen voor mijn provincie.’

Eén probleem is er dus voor de commissarissen: hun bekendheid neemt gestaag af. Zeker in de Randstedelijke provincies, zo blijkt uit enquêtes, heeft het gros van de burgers geen idee meer wie hun commissaris van de Koning is. Kennelijk houden ze zich te veel schuil in de politieke spelonken en zijn ze net iets te onomstreden. Hoog tijd dat de laatsten der regenten spraakmakend naar buiten treden.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.