juist

Anatomie van de macht: Werkgevers

Door Eric Vrijsen - 21 oktober 2014

Wie bestiert Nederland? In de serie Anatomie van de macht pelt politiek redacteur Eric Vrijsen de Nederlandse instituties af. Deze maand is het de beurt aan de werkgevers, verenigd in VNO-NCW. Hun macht torent vaak uit boven die van de politiek.

Kort voor de verkiezingen van mei 2001 nam de top van VNO-NCW contact op met Pim Fortuyn. Voorzitter Jacques Schraven en directeur Niek Jan van Kesteren moesten hoognodig met hem kennismaken. Fortuyn reageerde welwillend en ’s middags stonden zij voor de deur van de beroemde villa Palazzo di Pietro in Rotterdam.

‘Er hing een doemsfeer in dat huis. Je merkte dat ze wanhopig waren. Pim Fortuyn was daar met Mat Herben en Ferry Hoo­gendijk, plus twee hondjes,’ vertelt Van Kesteren. ‘Fortuyn zag een verkiezingsoverwinning aankomen, maar kon niet overzien wat hij daarmee aan moest.’

‘Een grondig gesprek. Ik was er blij mee,’ zegt Hoogendijk, weldra erna economisch woordvoerder van de Lijst Pim Fortuyn. ‘We spraken vooral over de WAO en over de JSF. Pim stond open voor alle informatie,’ herinnert Herben, de latere LPF-fractievoorzitter, zich.

Van Kesteren werkte die middag zijn hele verlanglijstje af. ‘Fortuyn nam veel over.’ Enkele dagen later werd de lijsttrekker vermoord. De LPF zat zonder leider, maar behaalde bij de verkiezingen in één klap 26 zetels. Van Kesteren: ‘De LPF bleef trouw aan Fortuyn en hield zich stipt aan wat wij die avond met hem afspraken.’

Tijdens de kabinetsformatie vroeg Ferry Hoo­gendijk nog of VNO-NCW bewindslieden kon leveren. Van Kesteren benaderde enkele mensen uit het bedrijfsleven. Maar niemand liet zich ronselen voor het LPF-karwei. Hoogendijk schoof zijn buurman, oud-ondernemer Herman Heinsbroek, naar voren als LPF-minister van Economische Zaken.

Buitenstaanders denken vaak dat grote bedrijven het Binnenhof compleet in hun zak hebben. Dat ministers en fractieleiders zich laten dresseren als hondjes in het circus van de BV Nederland. Zo simpel is het niet. Slimme ondernemers zien telkens welk vacuüm er in de politiek ontstaat. Ze springen erin. Politici aanvaarden gretig het intellect van topmanagers en hun vermogen om besluiteloosheid te doorbreken.

Industriekapiteins en bankiers verspillen geen tijd aan politieke hobby’s. Ze hebben wel wat anders aan hun hoofd. ‘Maar af en toe slaken we een noodkreet, omdat er iets fout loopt. Zonodig dragen we oplossingen aan voor taaie vraagstukken,’ zegt Dick Benschop (56), president-directeur van Shell Nederland. Hij was eerder PvdA-staatssecretaris voor Europese Zaken en assistent van de PvdA-leiders Wim Kok en Joop den Uyl.

‘Alle thema’s kun je verdelen in urgent en minder urgent. Maar ook in belangrijk en onbelangrijk,’ analyseert Benschop. ‘De politiek verliest zich vaak in urgente onderwerpen. Maar dat zijn niet per se de belangrijkste zaken.’ Juist op dat laatste punt kunnen grote ondernemers helpen. Hun horizon reikt verder dan de eerstvolgende verkiezingen. Hun instincten zijn rationeler dan die van de doorsneepartijleider. Ze denken scherper na over, wat Benschop noemt, ‘het Nederlandse verdienmodel in de snel veranderende ­wereldeconomie’.

Handboek

In 1981 zat Nederland diep in de put. Oud-topman van Shell Gerrit Wagner beschreef in het rapport Een nieuw industrieel elan wat er moest gebeuren. Hij legde het fundament onder het herstelbeleid van de kabinetten-Lubbers I en II (1982-1989).

De politiek snakt naar een handboek Toekomstige Welvaart, maar de ondernemers – die in de publiciteit nogal eens worden uitgemaakt voor ‘graaiers’ – kunnen het beleid niet zomaar naar zich toetrekken. Ze twijfelen nu of ze aan de vooravond van de Europese verkiezingen reclamespotjes moeten uitzenden. Bij de laatste Tweede Kamerverkiezingen, in 2012 ­financierde VNO-NCW een pro-euro-boodschap, bedoeld om het publiek te overtuigen van de Europese eenheidsmunt en de VVD te verlossen van de euroscepsis. Maar het kwam over als een oproep niet op de PVV te stemmen. Ten slotte ging alles de mist in, doordat ook VVD-lijsttrekker Mark Rutte op de anti-Brussel-sentimenten ging surfen, roepende: ‘Geen cent naar de Grieken’.

Er zijn genoeg voorbeelden van topondernemers die een politiek blauwtje lopen. Neem de open brief die Frans van Houten (Philips), Paul Polman (Unilever), Peter Voser (Shell), Hans Wijers (AkzoNobel) en Feike Sijbesma (DSM) in december 2011 aan Rutte schreven. Zij riepen hem op ‘moed te tonen en beslissend te handelen’ in de eurocrisis. De eenheidsmunt was ‘beslissend voor het concurrentievermogen’. Rutte mocht zich niet ‘terugtrekken achter de dijken van protectionisme en nationalisme’. Hij en zijn Europese collega’s moesten ‘juist nu moed tonen en beslissend handelen’.

Maar in Brussel bleven Rutte en de andere regeringsleiders doormodderen met de plechtige belofte dat ze heus weer nieuwe crisisvergaderingen zouden uitschrijven. Ruim een half jaar erna hield de president van de Europese Centrale Bank, Mario Draghi, met een financiële bazooka de euro overeind. Niet de politiek, maar de monetaire autoriteit vulde het vacuüm.

In Nederland ontstaat bij elke kabinetsformatie ook zo’n soort leegte. Wie met wie? Partijleiders kijken dan naar de Malietoren in Den Haag, een luxe kantoorflat die de Utrechtsebaan overspant. Op de twaalfde etage zit het bestuur van VNO-NCW. Van daaruit heb je een enorm zicht op het Haagse Bos, de duinen, de branding van de Noordzee. Landinwaarts zie je de kantoortorens van de departementen en het nietige Binnenhof met zijn Ridderzaal. Is dat symptomatisch voor de verhouding tussen economische en politieke macht? Jawel.

In verkiezingscampagnes laten alle lijsttrekkers – behalve Geert Wilders (PVV) – zich erop voorstaan dat hun programma de goedkeuring van ondernemend Nederland kan wegdragen. Zelfs de SP hengelt naar bijval van vooral de kleine en middelgrote ondernemingen, want die zijn goed voor de meeste werkgelegenheid.

VNO-NCW heeft geen schreeuwerig eisenpakket, maar een totaalprogramma waarvan de onderdelen samenhang vertonen. Voorzitter Bernard Wientjes (60) zit er al sinds 2005 en algemeen directeur Niek Jan van Kesteren (61) speelt al een kwart eeuw mee. VNO-NCW heeft vaak een betere informatiepositie dan de politieke partijen zelf. Kan een partijleider een werkgeverswens niet honoreren, dan belt hij om het even uit te leggen. Krijgt een ander een smsje ‘wat is er met jouw partij aan de hand?’ dan neemt hij snel even contact op.

De werkgeversorganisatie gelooft sterk in de redelijkheid van het Rijnlandse model. Individuele ondernemers houden meer van het hardere, Angelsaksische kapitalisme. Maar ze weten ook: dat krijgen we hier toch nooit. ‘Als we het keihard spelen, ontstaan geen Amerikaanse, maar Franse toestanden en zitten we straks in de misère van politieke stakingen. Dan wordt de SP de baas.’ Sociale harmonie is dus voor iedereen het beste. Polderen, jongens.

Vandaar dat VNO-NCW niet heel kort op de bal zit. In voetbaltermen is ze geen dribbelaar, maar een speler met de lange pass naar voren. Wientjes en Van Kesteren krijgen ook lang niet altijd hun zin. Dan waren de belastingen wel lager, durfde het kabinet minder te nivelleren en gingen er geen consulaten dicht. Nee, ze zien de politiek als een metier van smalle marges. Houd je dat maar lang genoeg vol, dan ontstaan de grote gevolgen vanzelf.

VNO-NCW kan een kabinetsformatie maken en breken. Na de abrupte ondergang van de LPF in november 2002, zet de werkgeversvereniging haar kaarten in op het CDA van Jan Peter Balkenende. Het lijkt wel of de Malietoren het ruikt wanneer in de formatie van 2003 (CDA, VVD, D66) en in die van 2006 (CDA, PvdA, ChristenUnie) de cruciale momenten aanbreken. Soms is het hilarisch. ‘Dan trokken alle onderhandelaars zich terug voor overleg in eigen kring,’ vertelt een CDA’er. ‘We zaten nog maar net of daar rinkelden al de mobieltjes van Balkenende en Maxime Verhagen. De één neemt op en zegt: “Goeieavond, Bernard.” Meteen neemt de ander ook op: “Hé, Niek Jan.”‘ Met de zegen van de werkgevers staat twee keer een centrum-kabinet op het bordes. De Fortuyn-revolutie is voorbij.

Klankbordgroep

Voorafgaand aan de verkiezingen van 2010 spreekt VNO-NCW zich keihard uit tegen Wilders. Desondanks klimt de PVV naar 24 zetels. Een kabinetsformatie tussen VVD, PvdA, D66 en GroenLinks loopt vast. Meneer Wientjes, wat nu? VNO-NCW spoort D66 aan om de patstelling te doorbreken. Tevergeefs. Dan moet de werkgeversclub overstag. De PVV moet toch aan boord komen.

Van Kesteren: ‘Ons bestuur heeft een klankbordgroep. Dat is het curatorium onder leiding van voormalig CDA-premier Ruud Lubbers. Hans Wiegel zit er ook in. In het curatorium is de regeerbaarheid van Nederland besproken. Lubbers ging vervolgens naar Rutte met de boodschap: het moet maar.’

Kort daarna benoemde koningin Beatrix Lubbers tot formateur. Hij zorgde – min of meer tot eigen afgrijzen – voor een ‘gedoogcoalitie’ van VVD, CDA en PVV. Na krap anderhalf jaar maakte Wilders een einde aan het kabinet-Rutte I. Het VNO-NCW bleek zich alsnog te hebben mis­rekend in Wilders’ gehechtheid aan het regeringspluche.

Onder Rutte II speelt het VNO-NCW vooral de rol van makelaar tussen bewindslieden, vakbeweging, fractieleiders en maatschappelijke groeperingen. VNO-NCW bedenkt slimme compromissen, waardoor het soms niet optreedt als belangenclub van de werkgevers in de politiek, maar –omgekeerd – als lobbyist van de politiek in het bedrijfsleven. ‘Dat loopt weleens in elkaar over, ja,’ beaamt Van Kesteren. Zo werd een energieakkoord gesloten vanwege het broeikaseffect, waardoor vijf kolencentrales worden gesloten, ten detrimente van de energiebedrijven.

Waar is het VNO-NCW echt om te doen? De kroonjuwelen van de nationale welvaart zijn politieke stabiliteit, weinig corruptie, een concurrerend belastingklimaat, onafhankelijke rechtspraak, nauwelijks stakingen en onderwijs, zorg en verkeersinfrastructuur van goede kwaliteit. Wat dat betreft, kan het bedrijfsleven tevreden zijn.

Premier Wim Kok (PvdA) had een nauwe band met Philips-topman Jan Timmer. Balkenende (CDA) liep weg met Feike Sijbesma (DSM). Rutte (VVD) is dik met Ben Verwaaijen (ex-Alcatel) en Paul Polman (Unilever). Hij praat ook geregeld met Dick Boer (Ahold). Zo heeft iedere premier zijn business-biechtvaders. Ze fluisteren hem ideeën in en snijden – by the way – dan een kwestie aan waarvan het eigen bedrijf veel last heeft. Het is gebruikelijk dat grote ondernemers een telefoontje plegen naar de Malietoren om dergelijke contacten te melden, zodat ze elkaar niet voor de voeten lopen.

De macht van werkgevers staat of valt met de bruikbaarheid van hun informatie. Steekpenningen zijn contraproductief en onzinnig. Vroeger had Philips vlak bij de Hofvijver een lobbykantoor met in de kelder een winkeltje voor de goodwill. Daar konden diplomaten en politici met personeelskorting stofzuigers, hoogtezonnen of videorecorders aanschaffen. Zulke vriendendiensten zijn uit de tijd.

In Den Haag opereren ook nogal wat consultants die tegen een pittig uurtarief bedrijven door het politieke rioolstelsel loodsen. Een consultant vertelt hoe hij door een Frans bedrijf werd ingehuurd om een wapenorder binnen te slepen. ‘Ik werd naar Parijs geroepen, waar de directeur mij een dossier overhandigde. Het bevatte compromitterende informatie over een van de bewindslieden. Ik liep naar de prullenbak en gooide de documentatiemap erin. “Zo doen wij dat in Nederland.” Chantage werkt hier niet.’

Praktisch alle bedrijven met meer dan vijfhonderd werknemers zijn lid van het VNO-NCW. Het overgrote deel van de kleine en middelgrote bedrijven is ook direct of indirect – via brancheorganisatie – bij de werkgeversorganisatie aangesloten. In totaal staat de club voor ruim 110.000 ondernemingen. Van zo veel leden kunnen politieke partijen slechts dromen.

Hapklare brokken

De werkgeverslobby is dieper geworteld in de samenleving dan welke partij ook. Ondernemingen voeden de organisatie voortdurend met klachten over falend overheidsbeleid. Voor elk denkbaar onderwerp heeft de club een medewerker, die de inlichtingen in hapklare brokken in de richting van Kamerleden werpt. Parlementsleden accepteren dankbaar de argumenten en soms zelfs de uitgetypte teksten voor moties en amendementen.

Een paar jaar geleden was de A4 bij Leiderdorp een berucht fileknooppunt. De verbreding van de snelweg stuitte op juridische bezwaren. Niet van de omwonenden, maar van milieugroepen. Vanuit VNO-NCW werden Kamerleden en bewindslieden bewerkt. Pak de noodsituatie in Leiderdorp aan en voorkom vergelijkbare problemen. Weldra kwam er wetgeving, waardoor alleen lokale belanghebbenden nog bezwaren mogen aantekenen bij de Raad van State. De subsidie voor milieuclubs werd beperkt. De activisten zijn nu afhankelijker van bijdragen van burgers en die houden er niet van als ze vanwege juridische haarkloverijen elke dag in een file staan. Daardoor stellen de milieugroepen zich voortaan coöperatiever op. De zogenoemde Crisis- en Herstelwet (2010) van het laatste kabinet-Balkenende kwam voort uit de werkgevers­lobby, maar die zal zich er nooit voor op de borst slaan.

Macht? Invloed? ‘Ondernemers slaken af en toe een noodkreet en dat tekent juist de onmacht,’ zegt Benschop van Shell. Van Kesteren spreekt over ‘behulpzaamheid vanuit de achtergrond’. En allemaal vinden ze dat ‘we niet alleen kapitaal, maar ook denkkracht willen investeren in Nederland’.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.