Leed van christenen in moslimlanden mag niet worden verwaarloosd

02 juli 2013

Miljoenen christenen zijn in moslimlanden het doelwit van discriminatie, onderdrukking en geweld. Waarom neemt het Westen, ondanks vele alarmerende publicaties, het tragische lot van christenen in islamitische wereld niet serieus?

Het fenomeen ‘christofobie’ breidt zich snel uit. Terwijl de islam steeds meer voet aan de grond krijgt in Europa, worden de laatste groepen christenen in het Midden-Oosten en andere delen van de islamitische wereld verjaagd of vermoord.

Deze christenvervolging, in de westerse media onderbelicht, varieert van belemmering van geloofsuitoefening en liturgieviering tot intimidatie, sociale uitsluiting, fysiek en psychisch geweld, aanslagen, verminking, ontvoering, verkrachting, levende verbranding, gedwongen bekering en ophanging.

Volgens het Amerikaanse onderzoeksbureau Pew Research Centre (2011) bestaat de wereldbevolking van 6,9 miljard mensen voor ongeveer eenderde uit christenen. Honderd miljoen van hen leven onder moeilijke omstandigheden. Van hen woont 90 procent in de islamitische wereld. En deze groep heeft het steeds zwaarder.


Kerken in brand

Neem de Arabische christenen. Sinds de ‘Arabische Lente’ is in landen die bekendstonden om hun sluimerende discriminatie en dagelijkse pesterijen van christenen een verschuiving te zien naar zichtbare vormen van uitsluiting en vervolging, ingezet of aangemoedigd door de staat.

Egypte is hiervan het duidelijkste voorbeeld. Na de volksopstand in 2011 zijn meer kerken in brand gestoken, moeten christenen stukken van hun grond afstaan, is het aantal gewelddadige incidenten tegen hen fors toegenomen en zijn meer dan honderdduizend christenen Egypte ontvlucht.

De nieuwste ontwikkeling is een fatwa van een prominente geestelijke van de regerende Moslimbroederschap die het Egyptische moslims verbiedt hun christelijke landgenoten ‘Gelukkige Paasdagen’ te wensen.

De Egyptische president Mohammed Morsi weigerde vorig jaar de wijdingsceremonie van de nieuwe koptische paus bij te wonen. Na de plechtigheid stuurde Morsi de nieuwe paus een brief waarin stond: ‘Wilt u dat ik u feliciteer, dan mag u naar het presidentiële paleis komen.’


Vogelvrij

Het probleem van christenvervolging betreft meer dan alleen de Egyptische christenen. Het jaarrapport van de Nederlandse organisatie Kerk in Nood (2011) stelt dat het christendom in het gehele Midden-Oosten, waar deze godsdienst zijn wortels heeft, dreigt te verdwijnen.

Na de Amerikaanse inval in Irak in 2003 hebben streng-islamitische groeperingen de christenen vogelvrij verklaard. In 2003 woonden er 1,3 miljoen christenen; in 2013 minder dan 400.000. In The Wall Street Journal zei de Iraakse aartsbisschop Louis Sako: ‘Wij bloeden dood (…) Er blijft geen christen over in Irak.’

In Syrië worden christenen door salafistische rebellengroepen openlijk verzocht het land te verlaten. Een beroemde leus is: ‘Christenen naar Beirut en alevieten naar het graf’, waarmee ze doelen op het vertrek van christenen naar buurland Libanon, waarvan de bevolking voor 40 procent uit christenen bestaat.

Om dat vertrek te bespoedigen en angstgevoelens te versterken, worden christelijke heilige plaatsen aangevallen en kerken en kloosters geplunderd. Afgelopen december werd een 38-jarige christelijke taxichauffeur onthoofd, en werd zijn lichaam vervolgens als voer aan de honden opgediend. Hij zou hebben geweigerd de rozenkrans die in zijn taxi hing te verwijderen.

Niet nieuw
De Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de Verenigde Naties, Navi Pillay, noemde aanvallen van islamitische fundamentalisten als Boko Haram op Nigeriaanse christenen een misdaad tegen de menselijkheid omdat Boko Haram één specifieke godsdienstige groepering voortdurend in het vizier heeft.

In het noorden van Nigeria, waar Britse kolonisten in de negentiende eeuw de missionarissen verboden om actief te zijn, woont een groot deel van de vervolgde christenen. Bijna dagelijks worden zij er aangevallen, terwijl lokale verslaggevers uit angst voor baanverlies geen aandacht schenken aan de voorvallen.

De moeizame verhouding tussen het christendom en de islam is allesbehalve nieuw. Zij is veertienhonderd jaar oud, even oud als de islam zelf. Gedurende de eerste duizend jaar stond de islam op territoriale voorsprong ten opzichte van het christendom, dat in belangrijke delen van de wereld zoals het Midden-Oosten, Noord-Afrika, Spanje, en delen van Frankrijk werd teruggedrongen. In de vierhonderd jaar erna keerde het tij. Sindsdien is de toestand van christenen in de islamitische wereld problematisch. Vooral de islamitische revolutie in Iran in 1979 heeft veel radicale bewegingen hoop gegeven om hun ideeën te kunnen exporteren.

Vuilnismannen
In zijn boek Resaleh Towzih al-Masa’el (in het Engels: A Clarification of Questions) sprak ayatollah Khomeini over elf onreine objecten die moslims niet mogen aanraken: ‘Een: urine, twee: kruk, drie: sperma, vier: lijken, vijf: bloed, zes en zeven: honden en varkens, acht: niet-moslims, negen: wijn, tien: bier, elf: het zweet van een kameel die onreine dingen eet.’ Niet-moslims die gelijk zijn aan varkens, urine en sperma: dat is een beeld dat bij iedereen makkelijk blijft hangen.

Zowel de sjiitische Khomeini als de soennitische radicalen hebben van niet-moslims de ‘vijanden van God’ gemaakt die op alle mogelijke manieren moesten worden bestreden. Zo worden christenen in Egypte sinds de jaren vijftig gedwongen specifieke beroepen te beoefenen. Van de vuilnismannen en afvalverwerkers in Cairo is 80 procent christen. Het gevolg is dat ze ernstige longaandoeningen krijgen, waardoor ze vroegtijdig overlijden en dat ze bij epidemieën als schuldigen worden aangewezen. Soms loopt het dusdanig uit de hand dat de lokale bevolking hun huizen verbrandt om de bron van de ziekte te bestrijden.

Nederig
Het onderliggende sentiment draait om gevoelens van dankbaarheid die christenen in de islamitische wereld zouden moeten tonen omdat hun aanwezigheid wordt getolereerd. Ze kunnen zich geen fouten permitteren, moeten op hun tellen passen en horen hun nederige plaats te kennen.

Een Algerijnse christen uitte zijn zorgen onlangs op een Arabische televisiezender: ‘Je kunt bij ons nog net niet de hoeveelheid lucht meten die we inademen. Anders was dat allang gebeurd, met als doel ons ervan te beschuldigen te veel lucht te nuttigen.’

Een andere factor is de extreme voorzichtigheid waarmee christelijke geestelijken aandacht vragen voor de benauwde positie van hun gelovigen. Ze willen niet het verwijt krijgen een ‘slecht beeld’ van moslims te creëren.
In media-optredens beroepen clerici zich in uiterst diplomatieke en vrome termen op de gedeelde geschiedenis die moslims en christenen verbindt, vooral in het Midden-Oosten.

Beeldvorming
Nu hebben ook sjiitische moslims het in de soennitische landen niet bepaald makkelijk. Maar er is een belangrijk verschil tussen sjiieten en christenen. De eersten kunnen rekenen op steun van een machtige staat en een groepering, te weten Iran en Hezbollah, waarmee radicale moslims rekening houden.

Vanuit historisch oogpunt weten zij dat met de Perzen niet te spotten valt. De christenen worden door niemand openlijk gesteund. Sterker, hoewel zij in de beeldvorming met het Westen worden geassocieerd, lijken westerse landen niet de minste belangstelling te tonen voor hun lot.

Volgens officiële beleidsdocumenten zouden landen zoals Canada, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk zich wereldwijd moeten inzetten voor de godsdienstvrijheid. Maar in de praktijk merken christenen niets van de inspanning voor deze liberale waarde.

Dit heeft ongetwijfeld te maken met het verlies aan zelfvertrouwen in de westerse cultuur, maar ook met onwetendheid over de aanwezigheid van christenen in de islamitische wereld.

Exodus
De Amerikaans-Libanese hoogleraar Walid Phares heeft vaak aandacht gevraagd voor de westerse vooringenomenheid waarin uitsluitend de godsdienstvrijheid van islamitische minderheden ter sprake komt. Volgens hem kijkt het Westen met één oog wanneer het aankomt op christenen in de islamitische wereld.

Hij vraagt zich af waarom de Egyptische christenen, die volgens hem de meest gemarginaliseerde minderheid van het Midden-Oosten zijn, amper hulp ontvangen van de Europese Unie. ‘Ze worden niet op dezelfde wijze behandeld als de moslims van Kosovo, Bosnië of Gaza, terwijl hun aantallen groter zijn dan al deze groepen bij elkaar. Waarom is dat?’ schrijft Phares.

In het jaarrapport over 2012 van de US Commission on International Religious Freedom (USCIRF), een belangrijk adviesorgaan van de Amerikaanse overheid, wordt gesteld dat de exodus van christenen uit de islamitische wereld ongekende vormen begint aan te nemen. USCIRF-voorzitter Leonard Leo beweerde zelfs dat het christendom binnen afzienbare tijd zal verdwijnen uit Irak, Egypte en Afghanistan.

Tot officiële reacties in het Westen leiden alle alarmerende publicaties nauwelijks. Terecht kritiseerde mensenrechtendeskundige Martin Janssen onlangs de houding van de westerse leiders en geestelijken die veel tijd en moeite stoppen in de ‘dialoog met de islam’ terwijl ze daarbij om ‘de harmonieuze sfeer van hun interreligieuze dialoog niet te verstoren’ de christenvervolging in de islamitische wereld nauwelijks noemen. De misdaden waaraan christenen worden onderworpen, worden niet vanzelf opgelost.

Tolerantie
De reden dat ook de Nederlandse samenleving zich de christofobie moet aantrekken, ligt in het feit dat godsdienstvrijheid een wezenlijke liberale waarde is die Nederland door de eeuwen heen een toevluchtsoord maakte van onderdrukte religieuze minderheden. En als godsdienstvrijheid hier waardevol wordt gevonden, moet zij dat elders ook zijn.

Bovendien schrijft Artikel 100 van de Nederlandse Grondwet voor dat de Nederlandse overheid zich wereldwijd moet inzetten ten behoeve van de internationale rechtsorde. Dit houdt meer in dan het sturen van legertroepen naar brandhaarden zoals Afghanistan, om daar de Taliban te verjagen. Landen die volgens het internationale strafrecht misdaden tegen de menselijkheid plegen of ongestraft laten, worden daarop ook aangesproken.

Er is moed, doorzettingsvermogen en geloof in de eigen principes nodig. Nederland kan een leidende positie spelen, gezien de historische lotsverbondenheid met religieuze tolerantie. In 1523 schreef Erasmus een brief aan de Franse vorst Frans I om hem tot vreedzaam handelen te bewegen.
Erasmus riep daarin machthebbers op ‘zich als ernstige artsen de moeite te getroosten om de kreunende wereld bij te staan’. In die kreunende wereld mag het leed van christenen, wier geloof wezenlijk onderdeel is van de westerse beschaving, niet worden verwaarloosd.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.