coronavirus

Gaan we dan toch massaal mondkapjes dragen?

18 april 2020

De roep om mondkapjes klinkt steeds luider. Uiteraard in de zorg, maar ook op straat, in winkels en op het werk. Het RIVM zegt nog steeds dat ze weinig meerwaarde hebben in het dagelijks leven. Maar is dat nog vol te houden?

Jaap van Dissel bleef bij zijn standpunt tijdens de technische briefing aan de Kamer op donderdag 16 april: het dragen van mondkapjes voegt voor gewone burgers weinig toe aan het beleid van handen wassen en 1,5 meter afstand houden. Dat standpunt sluit aan bij wat de Wereldgezondheidsorganisatie vanaf het begin van de epidemie meldt en uitdraagt via instructievideo’s. Onmisbaar voor medisch personeel, niet nuttig voor de rest.

Tegen die achtergrond is het logisch om mondkapjes af te raden voor het grote publiek. In de situatie van de intelligente lockdown lijken mondkapjes inderdaad weinig toegevoegde waarde te hebben.

In de zorg daarentegen is de kans op verspreiding van virusdeeltjes veel groter. Er is een concentratie van corona-patiënten, die veel virusdeeltjes uitscheiden door hoesten, en 1,5 meter is voor verplegend personeel niet te handhaven. Daarom zijn maskers (plus brillen en schorten) daar wel altijd nuttig.

Roep om mondkapjes wordt luider

Maar uit steeds meer hoeken klinken geluiden dat mondkapjes ook van waarde kunnen zijn buiten de medische setting. Er wordt gewezen op landen die de epidemie snel onder controle hadden, zoals Singapore en Zuid-Korea. Daar is het dragen van mondkapjes gebruikelijk en snappen ze niet waarom wij dat in het Westen niet doen. Het perspectief is daarbij meer gericht op de maatschappij dan op het individu. Het mondkapje wordt daar vooral gedragen om te voorkomen dat je anderen besmet, niet zozeer om te voorkomen dat je zelf ziek wordt.

Hoe langer de situatie duurt, hoe meer omringende landen wel mondkapjes adviseren en zelfs in sommige situaties verplichten. In Oostenrijk en Tsjechië zijn mondkapjes sindskort verplicht in de supermarkt.

De belangrijkste reden dat het RIVM er (nog) niet aan wil, is op dit moment: omdat ze er simpelweg niet in voldoende mate zijn. De Volkskrant maakte een verhaal over de taskforce die al weken amechtig probeert om op de wereldmarkt mondkapjes in te slaan, met wisselend succes. Zolang dat niet verbetert kan het RIVM niet anders dan ze niet te adviseren voor een groot publiek. Want de mondkapjes die nu binnenkomen, moeten eerst naar de ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere professionele omgevingen waar ze echt onmisbaar zijn.

Het was beter geweest daar vanaf het begin volstrekt helder en eerlijk over te communiceren in plaats van te zeggen dat mondkapjes geen zin hebben. Van Dissel gebruikte in een eerdere technische briefing nog een merkwaardig argument: namelijk dat het ook van belang is ‘consistent te zijn in het beleid’. Ofwel: ook al veranderen de inzichten, we willen niet gaan zwalken.

Als er genoeg mondkapjes zijn, hebben ze dan ineens wel nut?

Maar los daarvan, stel dat er binnenkort wel genoeg mondkapjes beschikbaar zijn, heeft het dan ineens wel nut ze te dragen op het werk of in de supermarkt? Of heeft het zin zelf iets in elkaar te knutselen?

Uit Nederlands onderzoek uit 2003 naar het effect van allerlei soorten maskers tegen influenzavirussen kwam naar voren dat ze wel degelijk helpen, maar dat het erg afhangt van de kwaliteit van het masker. Geheel bedekkende maskers, zoals brandweerlieden ze dragen werken zeer goed. Zelfgefabriceerde maskers, die vaak niet goed aansluiten, een stuk minder.

In Azië is het succes van mondkapjes toch bewezen?

Ook wordt gewezen op het verschil tussen landen waar wel massaal mondkapjes worden gebruikt en landen waar dat niet gebeurt. In Singapore, Zuid-Korea, Taiwan, Hongkong en Maleisië dragen de meeste mensen buitenshuis mondkapjes, en was het virus snel onder controle. In de landen die werden overrompeld door het virus – onder meer Italië, Frankrijk, Nederland, België, Verenigde Staten – gebeurde dat niet.

Maar daar moet bij worden vermeld dat dat bewijs uit de praktijk is, zeker niet waterdicht en wetenschappelijk onderbouwd. Het kan ook aan andere factoren hebben gelegen.

Er is bovendien ook onderzoek dat het nut van mondkapjes in twijfel trekt, zeker zelfgemaakte stoffen maskers zonder een deugdelijk filter, laten virusdeeltjes makkelijk door. Daar komt bij dat het beschikbare onderzoek werd gedaan aan virussen die vergelijkbaar zijn, maar toch niet helemaal hetzelfde. Het coronavirus is nieuw, onbekend en stelt wetenschappers steeds weer voor verrassingen.

Slim genoeg voor intelligente lockdown, te dom voor maskers?

Het RIVM vindt dat mondkapjes schijnveiligheid bieden. Wie een masker draagt, zou zich veilig wanen, en gaat daardoor de andere maatregelen negeren. Dat is een slap argument. Bijna alle beschermingsmaatregelen bieden veiligheid, maar kunnen er ook toe leiden dat dragers zich onaantastbaar wanen. Maar dat is geen reden om te zeggen dat die voorzieningen nutteloos zijn. Gezond verstand is altijd nodig. Wie met een kettingzaag werkt, draagt een veiligheidsbril en schoenen met stevige neuzen. Dat wil niet zeggen dat je vervolgens niet meer voorzichtig te werk moet gaan. Dat snapt iedereen. Zo is het ook met mondkapjes. Ze bieden enige, maar geen totale bescherming.

Met schijnveiligheid doelt het RIVM ook op verkeerd gebruik van maskers. Door bijvoorbeeld je masker met je handen aan te raken als daar virusdeeltjes op zitten, kun je ze alsnog verspreiden. Maar dat impliceert dat het masker die deeltjes in eerste instantie dus wel heeft tegengehouden. Als je je burgers slim genoeg acht voor een intelligente lockdown, dan kun je ook van ze vragen om verstandig om te gaan met mondkapjes.

Handen wassen en 1,5 meter blijven het belangrijkst

Er is daarnaast steeds meer wetenschappelijk bewijs dat besmetting in veel gevallen plaatsheeft vóór iemand symptomen vertoont. Op 15 april verscheen in Nature een onderzoek waaruit blijkt dat besmetting door mensen zonder symptomen bijdragen aan 44% van de gevallen van COVID-19. Dat bevestigt het beeld dat ook al uit eerdere studies naar voren kwam dat het coronavirus zich ook snel verspreidt via mensen die zich nog helemaal niet ziek voelen.
Als iedereen zich houdt aan de belangrijkste regels – handen wassen en afstand houden – is dat in de Nederlandse situatie geen extra bedreiging, maar het kan dus wel betekenen dat er meer mensen buiten komen die al besmettelijk zijn dan we dachten.

Sommige beroepen kunnen niet zonder

Met het oog op de fase na 28 april, nu al de 1,5-metereconomie gedoopt, is er wellicht toch een belangrijke rol voor mondkapjes. Van alle economische sectoren en branches wordt verwacht dat zij plannen maken hoe zij gestalte kunnen geven aan hun bedrijfsvoering met inachtneming van die 1,5 meter afstand tussen iedereen die in een bedrijf werkt of er komt als klant.

Voor veel bedrijven is dat prima te doen: schilders kunnen gewoon de ladder op, makelaars kunnen klanten rondleiden, psychologen kunnen cliënten ontvangen, et cetera. Analisten van de Rabobank schatten dat 89 procent van het Nederlandse bedrijfsleven zo kan functioneren.

Maar waar veel mensen dicht op elkaar zitten wordt het wel lastig om voortdurend die 1,5 meter afstand te houden. Hoeveel mensen kunnen er in één kantoortuin werken? Hoe zit het daar met ventilatie, kun je nog met meer dan 1 persoon in de lift naar de twintigste verdieping? En dan zijn er nog beroepen waarin 1,5 meter afstand onmogelijk is. Tandartsen, fysiotherapeuten, kappers, pedicures, maar ook chauffeurs van busjes voor gehandicapten kunnen niet anders dan dichtbij hun klanten komen. Voor die situaties denkt het RIVM wel aan het verplichte gebruik van mondkapjes.

Mondkapjes houden misschien niet alle virusdeeltjes tegen, ze verhinderen wel in enige mate dat iemand die (misschien nog zonder het te weten) besmet is virusdeeltjes verspreidt. Dat zou toch pleiten voor het dragen van mondkapjes, desnoods zelfgemaakt, maar wel in combinatie met de bestaande maatregelen.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren
Bij het plaatsen van een reactie geldt een aantal voorwaarden. Klik hier voor de voorwaarden.