kennis

Wat gebeurt in de hersenen van iemand die extreem verlegen is?

Door Simon Rozendaal - 22 juni 2015

Extreme verlegenheid komt door gebrek aan een breinstofje, zo werd gedacht. Maar nieuw onderzoek toont aan dat het exact omgekeerd is.

Stelt u zich voor dat natuurkundigen tot de conclusie zouden komen dat een appel, wanneer hij bijna rijp is, een rood blosje heeft en loskomt van de steel, niet valt, maar omhoog zweeft. En dat deze fysici dan in het wetenschappelijk tijdschrift Nature zouden schrijven: excuus, waarde burger, we hebben ons vergist. Dat plusje in de vergelijking van Isaac Newton moet bij nader inzien een minnetje zijn.

Of dat wiskundigen drie dagen congresseren in Kaapstad en vervolgens een persbericht de wereld in sturen: we hebben er nog eens over nagedacht maar de wortel uit 121 is geen 11 maar 12.

Of scheikundigen die na lang wikken en wegen tot het inzicht komen dat wanneer je zoutzuur en natronloog bij elkaar gooit, er geen keukenzout ontstaat, maar beschuit met muisjes.

Nee, dat gebeurt niet in rijpe disciplines zoals de natuurkunde, wiskunde en scheikunde. Wel in onrijpe vakgebieden als de klimaatwetenschap, de voedingskunde en de hersenkunde. Daar kan iets wat op maandag wit heet, op dinsdag opeens zwart worden genoemd.

Chemische communicatie

Zo presenteren onderzoekers van de universiteit van Uppsala (Zweden) deze week in Jama Psychiatry het inzicht dat sociale fobie en extreme verlegenheid  niet ontstaan door een tekort aan de neurotransmitter serotonine, maar juist door een teveel ervan.

Serotonine – dit even ter opfrissing van het geheugen – is een zogeheten boodschapperstof in de hersenen. De zenuwcellen in het hoofd en de rest van het lichaam werken elektrisch, maar tussen de uiteinden van de cellen is er chemische communicatie. Sinds een jaar of dertig is bekend dat er tussen de uiteinden van de zenuwcellen diverse moleculen worden uitgewisseld. Een daarvan is de stof serotonine.

Op basis van dit inzicht is gedurende de afgelopen decennia een hele breintheorie opgebouwd, met daaraan gekoppeld een halve apotheek. De meeste hedendaagse antidepressiva zijn immers zogeheten SSRI’s (selectieve serotonine heropname remmers).

Het zijn stoffen als fluoxetine en paroxetine (Prozac en Seroxat), die op een knappe wijze ingrijpen in de biochemische communicatie tussen zenuwcellen en tot gevolg hebben dat er tussen de zenuwuiteinden meer serotonine rondzwemt.

Dat werkt redelijk goed. Deze SSRI’s zijn allesbehalve wondermiddelen, maar op het gebied van hersenziekten staan artsen met tamelijk lege handen en dus is bijna elk medicijn welkom. In vergelijking met de antidepressiva van daarvoor (zoals de tricyclische aminen, TCA’s) waren de serotoninestimulerende middelen minstens even effectief en hebben ze daarnaast doorgaans minder bijwerkingen: zo valt er met een overdosis geen zelfmoord mee te plegen.

Koetjes en kalfjes

Vanwege het (relatieve) succes van deze nieuwe groep anti­depressiva is het beeld ontstaan dat in de hersenen alles om serotonine draait. Hebt u te weinig van dat goedje in uw hoofd, dan zit het goed fout en moet de spiegel omhoog worden gekrikt.

Welnu, dat simplistische beeld kan naar de vuilnisbelt. De Zweedse psychologen beschrijven in Jama Psychiatry dat ze mensen die het moeilijk vinden om goedemorgen te zeggen tegen de buurman en die op een receptie liever niet over koetjes en kalfjes kletsen, onder een PET-scan hadden gelegd.  Daarmee kan in de hersenen worden gekeken. Ook hadden ze een radioactieve tracer gebruikt om de gang van serotonine in het brein te volgen.

Hun conclusie: het is exact het omgekeerde van wat psychiaters, neurologen en psychologen de afgelopen jaren altijd beweerden. Mensen met een sociale fobie produceren wanneer ze in een situatie terechtkomen waar gezellig gekeuvel wordt verwacht, in de amygdala (het angstcentrum van de hersenen) juist meer serotonine dan mensen in een controlegroep.

De onderzoeker die de research uitvoerde, Andreas Frick, stelde dat bij deze patiënten het angstcentrum overgevoelig is en dat dit tot uitdrukking komt in een hogere serotonineproductie.

Geestelijke warmte

De conclusie dringt zich op dat de hersenwetenschap nog in de kinderschoenen staat. Logisch, de hersenen zijn buitengewoon gecompliceerd, met meer zenuwcellen dan sterren aan het firmament. En die cellen kunnen ook nog eens ontelbaar veel onderlinge verbindingen aangaan.

Serotonine is slechts een van de talloze neurochemische stoffen. Dat we erdoor geobsedeerd zijn geraakt, komt doordat we er toevallig invloed op kunnen uitoefenen met behulp van Prozac en consorten. Maar het brein is meer dan een vaatje serotonine dat ons, wanneer we het maar op tijd bijvullen, met geestelijke warmte vervult.

Elsevier nummer 26, 27 juni 2015

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.