kennis

De keerzijde van internet: jongeren weten zelf niets meer

Door Simon Rozendaal - 07 juli 2015

Jongeren hebben alle kennis tot hun beschikking met één muisklik. En dus weten ze niks meer. Ze denken dat Pearl Harbor een filmster was. Boris Johnson, Joseph Goebbels, Beeldenstorm? Nooit van gehoord.

Jongeren zijn mooi, ze barsten van de levenslust en ze zijn creatief. Ze vormen het zout in de pap, de bloem van de natie, de hoop voor de toekomst.

En dan zijn ze ook nog eens intelligenter dan hun ouders. Al meer dan een eeuw scoort elke generatie bij de IQ-tests enkele punten beter dan de generatie ervoor. Er valt een boom op te zetten of een IQ-test een goede methode is om intelligentie te meten en wat voor vormen van intelligentie er allemaal wel niet bestaan, maar dat gaan we nu even niet doen.

Feit is dat de IQ-test een aspect van slimheid – vermoedelijk leervermogen – meet en de norm voortdurend moet worden bijgesteld. Het gemiddelde intelligentiequotiënt moet nu eenmaal 100 blijven, dat is zo afgesproken.

In de psychologie wordt dit het Flynn-effect genoemd. Het gaat op voor allerlei tests. Zo is een van de meestgebruikte, de Wechs­ler Intelligence Scale for Children, in 1949 ontwikkeld en sindsdien al vier keer herzien om het gemiddelde op 100 te houden. Uit al die bijstellingen komt naar voren dat het IQ per decennium met 3 punten stijgt.

Wat dit betekent, is niet 100 procent duidelijk, wel groeit er een consensus dat de jeugd mede door videospelletjes en steeds ingewikkelder tv-series en films (met wel tien verhaallijnen) sneller dan ouderen in staat is om ingewikkelde problemen te doorgronden.

Te midden van al die bewonderenswaardige eigenschappen van jongeren is er één die detoneert: ze weten zo weinig.

Het is iets wat meer ouderen opvalt. Hoogleraar A.Th. van Deursen mopperde in zijn Huizinga-lezing van 1994 al over een ‘cultuurcrisis’, andere hoogleraren noemen jongeren ‘a-historische zombies’. Natuurkundige Robbert Dijkgraaf had het in 2011 als president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen over het ‘Grote Vergeten’ en wees erop dat je zonder feitenkennis ook geen creativiteit en innovatie kunt hebben.

Bastiaan Bommeljé schreef in 2013 in NRC Handelsblad over een ‘digitale crisis’, die het intellectuele bindweefsel van de samenleving zou aantasten. De 75-jarige zanger en Rotterdamse mopperkont Gerard Cox zegt over de jeugd: ze weten alles beter, maar ze weten niks.

Het bewijsmateriaal is vooral anekdotisch van aard. Studenten die vragen of die Jezus en die Christus een en dezelfde waren. Nederlandse scholieren die niet weten wie Joseph Goebbels was, tegen wie in de Tachtigjarig Oorlog is gevochten en wat de Beeldenstorm was.

De jonge onderwijzeres die tegen een scholiere die een voordracht heeft gehouden over de Eerste Wereldoorlog zegt dat het heel boeiend was, maar dat ze Anne Frank heeft gemist in de lezing.

Buiten Nederland is het niet veel beter. Het merendeel van de Amerikaanse jongeren vulde bij een meerkeuzevraag over Pearl Harbor in dat het een filmster uit de vorige eeuw was. Tachtig procent van hen weet niet dat de Verenigde Staten ooit een atoombom hebben gebruikt.

Schaamte

Iedereen kent in zijn omgeving voorbeelden: zoals de dertigjarige en onmiskenbaar intelligente jongedame (gymnasium en daarna een academische studie) die het boek van Boris Johnson over Winston Churchill ziet liggen en vervolgens zegt dat ze weet wie Churchill was maar geen idee heeft wie de schrijver is.

Misschien nog wel opmerkelijker is dat de jongedame in kwestie zich er in het geheel niet voor schaamt dat ze niet weet wie de burgemeester van Londen is. Dat zoeken we toch even op?

Dat is misschien wel het grootste verschil met eerdere generaties. De schrijver van dit artikel herinnert zich dat hij op die leeftijd in een gesprek eens het woord ‘humanoria’ gebruikte in plaats van ‘humaniora’ (geesteswetenschappen) en hoe er vervolgens naar hem werd gekeken – alsof hij tot de orde der vliesvleugeligen behoorde.

Ander voorbeeld, eveneens van 35 jaar geleden: een jonge journalist heeft geschiedenis gestudeerd en geeft er op de buitenlandredactie van NRC Handelsblad blijk van niet te weten wat de Oder-Neissegrens is. Het is met haar allemaal goed gekomen – de dame is nu een bekende opinieleider en schrijfster – maar het nieuws ging als een lopend vuurtje over de redactie.

De les die de jongeren van toen via schaamte werd ingeprent: het is leuk dat je slim bent, het is leuk dat je er goed uitziet, het is leuk dat je vol met ideeën zit, maar we stellen het wel op prijs wanneer je ook het een en ander wéét.

Dat was misschien overdreven, maar het gebrek aan schaamte bij jonge mensen als ze niet weten wie Johan de Witt en Spinoza zijn, is het andere uiterste. Toen jongeren enkele jaren geleden in een reportage werden geconfronteerd met kritiek van historici dat ze niets meer weten van geschiedenis, was hun reactie: ach, die historici weten toch ook niets van de jeugd af?

140 tekens

Het lijkt er zelfs op dat jonge mensen het bewonderenswaardig vinden als een van hen ostentatief de neus ophaalt voor kennis en wijsheid. Hoe kunnen we anders de populariteit van Britt Dekker verklaren? Britt Dekker presenteert zich als het archetypische domme blondje. Ze is zo niet alleen een bekende tv-persoonlijkheid geworden, maar heeft ook 164.000 volgers op Twitter.

Voor de ouderen: Twitter is een van de nieuwe sociale media, waarop mensen in maximaal 140 tekens een mededeling kunnen doen. Het is tevens een populariteitspoll die laat zien welke mensen in de samenleving worden gewaardeerd.
Mevrouw Dekker valt onmiskenbaar in de smaak.

Ze heeft tweemaal zoveel volgers op Twitter als Mark Rutte (voor de jongeren: de minister-president van Nederland). Op haar pagina plaatst ze mededelingen als ‘Chillen op in een jacuzzi op de punt van een boot is best fijn’, met daarbij een foto die bewijst dat ze inderdaad in een zwembad ligt.

Vermoedelijk is Dekker helemaal niet dom – ze heeft een havo-diploma – maar dat maakt het alleen maar schrijnender. Klaarblijkelijk kun je populair worden door te doen alsof je dom bent.

Gewei

Wanneer je binnen een paar seconden alles wat je wilt weten, kunt vinden via de mobiele telefoon, iPad of laptop, verdampt de noodzaak om iets te weten. Psycholoog Betsy Sparrow, verbonden aan Columbia University in New York, constateerde in 2011 in het wetenschappelijk tijdschrift Science dat we steeds beter weten hoe en waar we kennis kunnen vinden maar dat er als gevolg daarvan steeds minder kennis in ons hoofd zit.

Sparrow: ‘We zijn bezig een symbiotische relatie aan te gaan met onze gecomputeriseerde hulpmiddelen.’ Dat doet trouwens denken aan Harry Mulisch (voor de jongeren: een bekende Nederlandse schrijver) die de relatie tussen mens en technologie ooit vergeleek met die tussen een hert en zijn gewei.

Internet is niet de eerste externe harde schijf. Dat was vijfduizend jaar geleden het schrift. Diverse auteurs onder wie Socrates wezen er toen op dat door het schrijven mensen steeds minder zouden onthouden. In de Middeleeuwen, vóór de uitvinding van de boekdrukkunst, was het volslagen normaal om enorme lappen tekst uit het hoofd te leren.

Daar waren trucs voor beschikbaar, zoals het geheugenpaleis: wie iets wilde onthouden, moest door een denkbeeldig paleis lopen waar in elke kamer een ander stuk tekst lag opgeslagen. Op die manier waren de te onthouden stukken tekst behapbaar en met de virtuele wandeling erbij kon het brein beter worden benut.

Diverse auteurs die over informatietechnologie hebben geschreven, stellen dat zelfs voor de uitvinding van fotografie iets dergelijks geldt: onze voorouders waren veel meer bedreven in het in hun hoofd vastleggen van wat ze op reis zagen.

De Canadese wetenschapsjournalist Clive Thompson stelt in zijn boek Smarter Than You Think uit 2013 (in het Nederland vertaald als We worden steeds slimmer): ‘In feite is het patroon dat de geschiedenis laat zien stabiel – elk nieuw communicatiemiddel riep angst op dat de maatschappij zou afglijden in zinloos geklets.’

Zelfs tegen de opkomst van het aantekenboekje als geheugensteun in de zestiende eeuw en die van het koffiehuis in de zeventiende eeuw als een plek om nieuws uit te wisselen, werd destijds gefulmineerd.
Vooral de komst van televisie leidde tot een stroom van waarschuwingen. Zo wees cultuurcriticus Neil Postman er in Amusing Ourselves to Death (Wij amuseren ons kapot) uit 1985 op dat de 27ste president van de Verenigde Staten, William Howard Taft, 150 kilo woog en diverse onderkinnen had.

Hoe slim en overtuigend Taft als politicus ook was, in het tv-tijdperk zou zo iemand nooit meer president kunnen worden. Postman betoogde verder dat het geschreven woord in de knel zou komen. In Elsevier van 7 november 1987: ‘Lezen vereist een heel speciale intellectuele activiteit – concentratie, belangstelling voor ideeën, logisch redeneren –, en als de mensheid minder gaat lezen, loopt het intellect terug.’

Welnu, de ontlezing is verbijsterend. De Amerikaanse journalist Nicholas Carr waarschuwde in 2008 in het blad The Atlantic in het artikel ‘Is Google Making Us Stupid?’ (Maakt Google ons dom?) dat steeds meer mensen zich door al het vluchtige zoeken op  internet niet meer kunnen concentreren op een boek.

‘Ooit was ik een diepzeeduiker in de zee van woorden. Nu flits ik over het oppervlakte als een kerel op een jetski.’ In The Shallows – What the Internet Is Doing to Our Brains uit 2011 diepte hij de stelling uit dat mensen door internet steeds oppervlakkiger (shallow) worden.

De cijfers lijken zijn sombere oordeel te onderbouwen. Tussen 1975 en 2005 is het lezen in de vrije tijd volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau bijna gehalveerd. Bij de mensen die nog wel lezen, is de jeugd vrijwel afwezig: ze lezen achttien (18!) maal minder kranten dan ouderen.

Wie jonge mensen daarop aanspreekt, hoort: wij zijn niet van de dode-bomenjournalistiek, we lezen de krant op onze telefoon en we lezen zelfs veel breder dan jullie (elke dag The New York Times!). Het aantal elektronische abonnementen kan bij de meeste kranten en weekbladen de afkalving van papieren abonnees echter in de verste verte niet compenseren.

En wie jonge mensen observeert wanneer ze in de trein de krant op hun telefoon aanklikken, ziet bovendien dat het hier een ander soort lezen betreft. Het is meer koppensnellen: de krant wordt in hooguit een kwartier doorgebladerd.

En dat lezen van de befaamde Amerikaanse krant blijkt bij navraag neer te komen op het scannen van meldingen op Facebook als er in die krant iets staat over een favoriet onderwerp, zoals het NBA-basketbal.

We-zoeken-het-op als vijand van de parate kennis, een afnemende populariteit van de breed gevormde intellectueel, onderwijs waar minder de nadruk ligt op feitenkennis plus een snel afnemend vermogen om iets te lezen wat langer is dan duizend woorden: tel het allemaal bij elkaar op en je krijgt mensen die denken dat de Koude Oorlog een conflict was over de Noordpool. Aldus een aanstaand onderwijzer.

Elsevier nummer 28, 11 juli 2015

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.