kennis

Waarom de weerstand tegen hybride dieren ongegrond is

Door Hidde Boersma - 20 juli 2015

Door klimaatverandering ontstaan allerlei hybride dieren zoals een kruising tussen ijsbeer en grizzly. Wat moeten we met die beesten?

De dierentuin in de Duitse stad Osnabrück dacht een unicum te hebben. In 2004 paarden daar een grizzlybeer en een ijsbeer, met als resultaat twee zogenoemde grolars.

De hybride dieren bleken qua uiterlijk precies het midden te houden tussen hun ouders. Ze waren groter dan de grizzly, maar kleiner dan de ijsbeer. Hun voetzolen waren half behaard. IJsbeervoeten zijn volledig behaard als bescherming tegen de kou, die van de grizzly zijn kaal.

Het heersende idee was dat de grolars konden worden bijgezet in het lijstje van in gevangenschap geproduceerde hybriden, samen met bijvoorbeeld de lijger (tijger x leeuw) en de zezel (zebra x ezel). In het wild zou zoiets nooit gebeuren.

Maar wat bleek het geval ? In 2006 werd er op Banks Island, in het Arctische deel van Canada, een dier doodgeschoten dat verdacht veel leek op het Duitse experiment. DNA-analyses bevestigden dat vervolgens: de grolar blijkt ook in de natuur voor te komen. Sindsdien zijn er meer exemplaren gesignaleerd.
Wetenschappers schrijven het ontstaan van de wilde grolars toe aan klimaatverandering en het kleiner worden van het leefgebied van zowel de grizzlybeer als de ijsbeer. De dieren moeten op zoek naar nieuwe plaatsen om voedsel te vinden, en komen elkaar tegen, terwijl dat voorheen niet gebeurde.

De grolar staat bovendien niet alleen. Al in de jaren veertig van de vorige eeuw dook in de Verenigde Staten de coywolf op. Dat bleek het resultaat van een ingewikkelde kruising tussen de coyote, de wolf en de huis-tuin-en-keukenhond. En ook de lynx en de bobcat hebben elkaar gevonden, net als de geel- en de blauwgevleugelde zanger, een kleine vogelsoort.

Verdringen

Voor sommige natuurbeschermers vormen hybriden een probleem. Zij zien ze als bedreiging voor de biodiversiteit, omdat al dat mengen uiteindelijk zou leiden tot een homogenisering van het soortenbestand. Bovendien zijn ze bang dat de mengdieren de oorspronkelijke beesten verdringen.

Meestal zijn de hybriden minder succesvol dan de dieren waaruit ze voortkomen, omdat die laatsten zich eeuwenlang evolutionair hebben gespecialiseerd om te overleven. Maar er zijn gevallen bekend waar de hybriden het beter lijken te doen dan in elk geval een van de oudersoorten. Een Canadese studie liet in 2004 al zien dat het herstel van de lynx werd bemoeilijkt door de opkomst van de lynx-bobcat-hybride.

Natuurbeschermers weten bovendien niet goed wat ze met deze nieuwe soorten aanmoeten. Ze zijn indirect het resultaat van menselijk handelen, maar verdienen ze niet ook dezelfde bescherming als andere dieren? Moeten we nu ook extra gaan inspannen om juist deze dieren en hun leefwereld te beschermen?

Eigenschappen

Nico van Straalen (59), hoogleraar dier­ecologie aan de Vrije Universiteit van Amsterdam ziet het probleem niet zo. ‘Taxonomen hebben soorten veel te lang als een gefixeerde en onveranderende entiteit gezien,’ zegt hij. Dat leidde ertoe dat natuurbeschermers alleen bezig waren met bescherming van de huidige status- quo, zonder te beseffen dat de natuur sowieso continu verandert. ‘Zulke hybridisaties geven dieren juist de kans om nieuwe eigenschappen te verwerven, die de soort helpen te overleven.’

Dat is mooi te zien bij de coywolven. Het DNA van die dieren bestaat uit 10 procent hondengenen, 25 procent wolf en de rest coyote. Maar in gebieden waar veel herten voorkomen, is het percentage wolven-DNA groter. Wolven eten graag hert, en dus is meer wolf zijn een voordeel in zo’n gebied. Zo ontstaan er in betrekkelijk korte tijd verschillende goed aangepaste subsoorten.

‘Bovendien hebben recente analyses laten zien dat hybridisatie tussen soorten een stuk normaler is dan we vroeger dachten,’ zegt Van Straalen. Doordat wetenschappers van steeds meer dieren de volledige DNAvolgorde ophelderen, komen ze erachter dat hybridisatie een veel sterkere kracht in soortvorming is dan ze konden bevroeden.

Zo blijkt dat de grizzlybeer en de ijsbeer elkaar ook al zijn tegengekomen tijdens de laatste ijstijd. Het DNA van wat wij nu als een pure grizzly zien, bevat al sporen van zijn witte neef.

Daarnaast lijkt het argument van de natuurbeschermers dat de natuur er eenvormig door zou worden, overdreven. Een recente studie van wetenschappers van de Universiteit van Washington in de Verenigde Staten laat zien dat ondanks klimaatveranderingen, hybridedieren een uitzondering zullen blijven.

Ze berekenden dat slechts 6,4 procent van alle dieren door de opwarming een gebied betreedt waar het een potentieel nieuw mengmaatje kan tegenkomen. Bij zoogdieren lag dit percentage zelfs nog lager, op 4,4. Ze stellen dat dit zelfs nog aan de hoge kant is, omdat ze in hun berekening menselijke barrières zoals wegen niet hadden meegenomen.

Neanderthaler

Van Straalen geeft als uitsmijter nog een mooie reden waarom de weerstand tegen hybridisatie ongegrond is. ‘We zijn als soort zelf ook het product van vermenging,’ zegt hij. Toen Homo sapiens zo’n zestigduizend jaar geleden uit Afrika vertrok om de wereld verder te bevolken, kwam hij daar andere menssoorten tegen, onder wie de Neanderthaler in Europa, die beter was aangepast  aan de lokale omstandigheden.

En wat gebeurde vervolgens? De twee menssoorten hadden seks met elkaar. ‘Een gemiddelde Europeaan heeft ongeveer
4 procent DNA dat afkomstig is van een Neanderthaler. Het gaat onder meer om genen die betrokken zijn bij ons immuunsysteem. Wellicht dat we daardoor immuun werden voor lokale ziekteverwekkers, al is dat nog speculeren,’ zegt Van Straalen.

Wie weet waren we zonder hybridisatie wel nooit zo succesvol geworden.

Elsevier nummer 30, 25 juli

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.