kennis

Afrikaanse boeren worden gered door gras en klaver

Door Hidde Boersma - 08 september 2015

Planten die natuurlijke verdelgingsmiddelen produceren, helpen Afrikaanse boeren bij de maïsoogst. De opbrengst daarvan verdubbelt.

De opbrengstcijfers zijn veelzeggend. Een Keniaanse boer haalt gemiddeld 1.727 kilo graan per hectare van zijn land. Vergelijk dat met Nederland, waar de landbouw zich zo heeft geoptimaliseerd, dat boeren 8.653 kilo per hectare produceren. Nederlandse boeren hebben dan ook kunstmest en allerlei bestrijdingsmiddelen ter beschikking.

Dat geldt niet voor veel Afrikaanse landbouwers. Boeren­bedrijven zijn daar veelal klein en zelfs als er genoeg geld is, dan zijn kunstmest en bestrijdingsmiddelen vaak onbereikbaar omdat de boeren te ver van de bewoonde wereld af wonen.

Afgezien daarvan is het maar de vraag of het een goed idee is om het westerse landbouwsysteem over het Afrikaanse te leggen, omdat de geïndustrialiseerde landbouw die in het Westen gemeengoed is, zeker niet altijd de duurzaamste is.

Er wordt daarom driftig gezocht naar alternatieve manieren om de opbrengst in Afrika te verhogen. De Indiase Zeyour Khan van de universiteit van Nairobi komt wel met heel creatieve oplossingen. Hij ontwikkelde de zogenoemde push-and-pull-landbouw, die inmiddels wordt toegepast in veel Afrikaanse landen.

Rupsen en motten

Deze nieuwe manier van landbouw bedrijven is onderdeel van een stroming die agro-ecologie heet, waarbij hoogwaardige ecologische kennis wordt ingezet om landbouw duurzaam te intensiveren.

Samen met collega’s bracht Khan allereerst de destructiefste plagen in kaart die de opbrengst van de boeren doen verminderen. In Kenia, en ook in veel omringende landen, zijn dat vooral rupsen van verschillende motten. Zij vreten zich via de stam een weg naar binnen, waardoor de plant uiteindelijk breekt en soms tientallen procenten van de oogst worden afgesnoept.

Voor een oplossing klopte Khan vervolgens aan bij de natuur, waar hij zocht naar planten die een natuurlijke verdediging hebben tegen de insecten. Planten verweren zich grofweg op twee manieren tegen plaaginsecten: of ze trekken de beesten aan om ze vervolgens om te leggen, of ze produceren moleculen die de insecten juist verjagen.

Khan bedacht dat die combinatie weleens goud zou kunnen betekenen: om het veld heen planten die ongedierte  aantrekken, tussen het graan planten die ze juist afstoten. Zie hier het push-and-pull-model.

Khan screende vijfhonderd planten en kwam allereerst uit bij olifantgras als pull-plant.  Plaagrupsen doen zich vijf keer liever te goed aan dit gras dan aan bijvoorbeeld maïs, maar zodra ze een hap nemen, scheidt de plant een dik sap uit en leggen de rupsen het loodje.

Als push-plant vond Khan de desmodium, een klaverachtige die een molecuul de lucht in stoot dat de rupsen afschrikt. Gezamenlijk zijn ze in staat om de hoeveelheid insecten op een veld meer dan te halveren.

Maar dit alles is nog niet genoeg om boeren te overtuigen dit systeem te gebruiken, want rupsen zijn niet de enige lastpakken. Keniaanse boeren hebben ook veel last van onkruid, van heksenkruid in het bijzonder. Dat is een parasitaire plant die zich onder de grond vastklampt aan de wortels van de maïs en daar water en voedingsstoffen aftapt. Maïs groeit daardoor slechter of gaat zelfs dood.

Overtuigend

Maar Khan had geluk: desmodium stootte niet alleen een insectenafschrikkend molecuul uit, het blijkt onder de grond ook een plantenverdelgingsmiddel te produceren dat de wortels van het heksenkruid doet afsterven. Voordeel van desmodium is bovendien dat het niet elkaar jaar opnieuw hoeft te worden gezaaid, waardoor het voor de boeren goedkoop in gebruik is.

De resultaten van de drie-eenheid maïs, desmodium en olifantgras waren overtuigend: de opbrengst per hectare aan maïs verdubbelde ruimschoots. Toch was Khan niet helemaal tevreden: dit push-and-pull-model werkt namelijk alleen in gebieden waar extreme droogte niet langer dan twee maanden aanhoudt.

De drogere gebieden van Afrika hadden er dus niks aan. Daarom zochten de onderzoekers naar een alternatieve pullplant, die het minste last had van de droogte. Ze kwamen op de proppen met een gras van het ­geslacht Brachiaria. Ook met deze plant kon de opbrengst worden verdubbeld, juist in de drogere gebieden.

Of agro-ecologie de wereld kan voeden, is maar zeer de vraag. De specifieke manier van landbouw bedrijven vergt per gebied veel specialistische kennis, waardoor het systeem zich moeilijk verspreidt over een groot gebied. Maar duidelijk is dat het op lokaal niveau de oogst- en voedselzekerheid sterk kan verbeteren.

Elsevier nummer 37, 12 september 2015

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.