kennis

Maar heel weinig Europeanen hebben baat bij omegavetzuren

Door Hidde Boersma - 28 september 2015

Omegavetzuren lijken alleen effect te hebben bij wie daarvoor de genetische aanleg heeft. In Europa is dat bijna niemand.

Het was even verwarrend als teleurstellend. Een grote studie liet in maart van dit jaar zien dat het slikken van vis­oliesupplementen geen positieve effecten had op de gezondheid van de deelnemers.

Dat was raar, want visolie bevat veel omega-3-vetzuren en omega-6-vetzuren, en algemeen werd aangenomen dat die stoffen goed zijn voor hart en bloedvaten. Inname zou op zijn minst het risico op hartproblemen moeten verminderen.

Dat de specifieke vetzuren gezond zouden zijn, komt uit studies uit de jaren zeventig. Deense wetenschappers onderzochten destijds de levensstijl van eskimo’s (nu meestal Inuit genoemd) in Groenland. Hun dieet is fascinerend: ze eten nauwelijks groente en fruit, omdat landbouw niet mogelijk is bij de lage temperaturen waarin zij leven.

Capsules

Ze moesten het hebben van de jacht, en eten vooral vis of vlees van bijvoorbeeld walvissen en zeehonden. Maar ondanks dit vette dieet hoeven eskimo’s nauwelijks bang te zijn voor hartaanvallen.

Volgens de onderzoekers kwam dat doordat de omega-3- en omega-6-vetzuren uit de vis de effecten van andere slechte vetten opheffen. Die conclusie leidde tot wereldwijde adviezen om meer vette vis te eten en leverde een grote markt op voor visoliesupplementen. Precieze cijfers zijn er niet, maar duizenden Nederlanders slikken zulke capsules in de hoop er gezonder van te worden.

Alleen is het zeer de vraag of het helpt. Om licht op de discrepantie te werpen, ging een nieuw Deens team wetenschappers terug naar Groenland om iets te doen wat een halve eeuw geleden nog onmogelijk was: grootschalig DNA-onderzoek.

Ze vergeleken het genetische profiel van tientallen eskimo’s met dat van Euro­peanen en Chinezen, om erachter te komen of er wellicht mutaties zijn die specifiek bij eskimo’s voorkomen, die kunnen verklaren waarom de omegavetzuren bij hen wel aanslaan.

Gemuteerd

De onderzoekers vonden inderdaad een aantal genetische variaties die veel vaker bij Inuit voorkomen dan bij de twee andere volken. Een heel aantal daarvan clustert samen in zogenoemde FADS-genen, wat een afkorting is van Fatty Acid Desa­turases.

Die genen zijn betrokken bij het reguleren van vetconcentraties in het lichaam, waaronder dat van omegavetzuren. Eskimo’s die een gemuteerd FADS-gen hebben geërfd van zowel vader als moeder, hebben andere, gezondere vetwaarden in het bloed dan diegenen die niet dat genetische geluk hadden. Volgens de onderzoekers hebben de Inuit zich zo aangepast dat ze de omegavetzuren ten goede kunnen gebruiken, juist doordat ze er zo veel mee in aanraking komen.

Daaruit volgt automatisch dat iemand zonder aanpassingen niks aan de omega-3- en -6-vetzuren heeft. En dat is pech voor de Europeanen, want hier heeft slechts 2 procent van de mensen die nuttige FADS-variatie. In China is ze iets wijder verspreid en heeft een kwart baat bij de omegavetzuren om bloedvaten schoon te houden.

Evolutie

Volgens de onderzoekers  is de mutatie ergens 20.000 jaar geleden ontstaan, toen mensen het noorden van Siberië en Alaska gingen bevolken. Ze bracht zo’n voordeel met zich, dat nu bijna alle Inuit de mutatie bij zich dragen.

Het laat weer eens zien dat onderzoeksresultaten onder één bevolkingsgroep zich niet automatisch laten vertalen naar andere. Mensen zijn nog steeds onder­hevig aan evolutie, ze passen zich aan aan hun omgeving. Niemand zal Aziatische volwassenen melk voorschotelen, omdat zij de genetische mutatie ontberen om die te verwerken.

Voor bijna alle Noord-Europeanen is melk echter gezond, omdat zij zich duizenden jaren geleden aanpasten aan de aanwezigheid van vee.

En nu blijkt dat wij hier viscapsules maar beter in de prullenbak kunnen gooien. Geef die maar aan de Inuit, die er genetisch toe zijn uitgerust.

Elsevier nummer 40, 3 oktober 2015

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.