kennis

Zeven dilemma’s voor aankomende studenten

Door Ruud Deijkers - 23 september 2015

Kies je voor de stad met de leukste kroegen of met de beste opleiding? Gaat interesse vóór kans op een baan? Wat is slim: een brede studie of een specialisme? Is een bijbaan handiger dan geld lenen? Zeven dilemma’s voor studiekiezers.

1. Topstudie of feeststad?

Scholieren die een studie hebben gekozen, zijn al een eind op weg. Studeren dus, maar waar? Aan welke hogeschool of universiteit? Wordt het de stad met de leukste kroegen en feestjes, waar alle vrienden zijn?

Kies verstandig en bekijk eerst welke opleiding de beste papieren heeft. In het onderzoek Beste studies zijn de oordelen van studenten over alle opleidingen in Nederland vergeleken. Nuttig, want de verschillen blijken groot te zijn. Voorbeeld: aan de Christelijke Hogeschool Ede is 72 procent van de studenten human resource management tevreden of zeer tevreden, maar bij dezelfde opleiding aan de NHL Hogeschool in Leeuwarden is slechts 37 procent dat.

Of neem de bachelor bestuurskunde. Van de studenten aan de Universiteit Utrecht is 70 procent tevreden, tegenover 50 procent aan de Universiteit Leiden. Op alle aspecten – faciliteiten, het onderwijs, de docenten en organisatie – scoort Leiden onder het landelijk gemiddelde. Het loont dus om eerst goed na te gaan welke opleiding het beste scoort. Op bestestudies.elsevier.nl staat het oordeel over 2.140 opleidingen.

Goed onderwijs is één, maar het studentenleven mag natuurlijk gewoon leuk zijn, ook buiten de colleges. Als opleidingen kwalitatief weinig verschillen, is er niets op tegen om de ‘beste’ stad te kiezen.

Elsevier vergeleek daarom ook de ‘kroegdichtheid’ en de waardering van studenten voor de horeca en culturele voorzieningen in plaatsen met een hogeschool of universiteit. Amsterdam biedt de optimale mix, gevolgd door Groningen en Maastricht. Onder aan  het lijstje bungelen Hilversum, Emmen en Dronten. In Dronten moeten de studenten van de agrarische CAH Vilentum Hogeschool het samen met de andere bewoners doen met acht kroegen.

Wonen in een bruisende studentenstad heeft een prijs. In Amsterdam betaal je gemiddeld 436 euro per maand voor een kamer, in Dronten 285 euro. Staar je dus niet blind op de voordeligste mix van huurpijzen en happy hours. Eerst de studie, dan de stad.

2. Interessant of kans op een baan?

Kies je allereerst voor een interessante studie, de belofte van boeiende colleges en practica? Of juist voor een opleiding die alle kans biedt op een baan? Het is de kunst iets te vinden dat aansluit bij je capaciteiten en wensen, maar ook nog ‘rendeert’.
Capaciteiten blijken vaak al uit de cijfers op school.

Wie zesjes haalt voor bètavakken, heeft weinig te zoeken bij wiskunde: aan de universiteit zal het niet beter gaan. Misschien ligt het talent op een ander gebied. Om daarachter te komen, biedt ­Elseviers hulp bij studiekeuze op de website bestestudies.elsevier.nl praktisch advies.

Het is zuur en duur als studenten afhaken omdat ze niet op hun plek zitten. Scholieren kunnen het beste al vroeg – in 4-havo of 5-vwo – bedenken welke kant ze op willen. Met reden: van alle hbo’ers switcht 39 procent na het eerste jaar, en van de universitair studenten 26 procent.

Bovendien blijkt na afstuderen de keuze ook nogal eens tot spijt te leiden. Tweederde van de afgestudeerde hbo’ers en academici uit 2013 en 2014 koos een studie vooral uit interesse, een magere 6 tot 7 procent ging af op de baankansen, zo blijkt uit het onderzoek Studie & Werk 2015 van Elsevier en SEO Economisch Onderzoek. Helaas, liefst 23 procent van de hbo’ers en 16 procent van de academici had achteraf liever iets anders gekozen. Meest genoemde reden: te weinig banen in hun vakgebied.

Kijk naar persoonlijke capaciteiten en interesses, maar vooral naar wat het diploma straks waard is. Een studie is een investering voor de lange termijn, geen vierjarig amusementsprogramma. Op bestebanen.elsevier.nl is te zien hoe sterk de afgestudeerden van 110 veelgekozen opleidingen staan op de arbeidsmarkt.

Wie toch – puur uit interesse – kiest voor een studie met slechte perspectieven, kan beter vooraf weten dat het hard werken wordt om aan de slag te komen: hoge cijfers halen, extra minorvakken volgen en opvallen met een masteropleiding en stages.

3. Hogeschool of universiteit?

Eigenlijk is het niet zo ingewikkeld: op de havo worden scholieren klaargestoomd voor het hbo, op het vwo voor de universiteit. Wie van dit pad afwijkt, loopt al gauw tegen hindernissen aan.

Verreweg de meesten met een atheneum- of gymnasiumdiploma gaan naar de universiteit. Het percentage vwo’ers dat zich aanmeldt voor een hbo-bacheloropleiding, is afgenomen van 15 procent in 2004 tot 11 procent in 2014. Slechts 10 procent van alle hbo’ers komt van het vwo.

Er zijn uitzonderingen. Van de studenten aan de opleidingen docent muziek heeft 37 procent een vwo-diploma. Daarnaast telt  de hbo-opleiding verloskunde ook opvallend veel vwo’ers.

Minister van Onderwijs Jet Bussemaker (PvdA) wil meer vwo’ers naar het hbo lokken, bijvoorbeeld door hun een driejarig programma te bieden in plaats van vier jaar. Op de Pabo University van de Fontys Hogeschool in Tilburg is dit er al. Daar kunnen vwo’ers vanaf dit collegejaar in drie jaar een pabodiploma halen en doorstromen naar een masteropleiding aan de universiteit. De intensieve bacheloropleiding is alleen bestemd voor excellente studenten.

De minister maakt het kiezen zo wel ingewikkeld. In die drie jaar kunnen vwo’ers ook een bacheloropleiding aan een universiteit volgen. Wie zijn kansen wil optimaliseren, kiest al gauw het hoogste niveau. Niet onbelangrijk: academici krijgen doorgaans ook beter betaalde banen dan hbo’ers.

Bovendien vinden veel vwo’ers die twijfelen tussen hogeschool en universiteit en uit voorzichtigheid het hbo kiezen, bij nader inzien het niveau te laag. Dat blijkt uit onderzoek door ResearchNed. Daarin komt evenzeer naar voren dat veel twijfelaars die kiezen voor de universiteit, het onderwijs daar toch weer te pittig vinden.

Wellicht is voor hen de tussenvorm van Bussemaker een uitkomst. Hoe dan ook: volg bij aarzeling extra meeloopdagen en neem de uitkomst van je studiekeuzecheck serieus.

Kiezen voor het hbo met het plan later door te stromen naar een masteropleiding aan een universiteit, betekent meestal een extra – en kostbaar – schakeljaar. Een master aan een hogeschool is een optie, maar dat aanbod is vooralsnog beperkt.

4. Specialisatie of brede studie?

Scholieren die al weten wat ze willen worden, kiezen doorgaans voor een ‘smalle’ opleiding die toegang geeft tot een specifiek beroep als arts of leraar. Daarnaast zijn er van oudsher ‘brede’ opleidingen die toegang geven tot een waaier aan functies, maar die tegelijk een helder inhoudelijk profiel hebben. Zoals economie of recht.

Meer recent bedachten hogescholen en universiteiten een rits ‘brede’ opleidingen waarvan minder duidelijk is wat je eraan hebt. Zo moeten studiekiezers op hun hoede zijn voor namen waarin communicatie, ­media, business, creation, information of international voorkomt. Heel wat afgestudeerden daar hebben, blijkt ook uit het onderzoek Studie & Werk, spijt van hun keuze omdat werkgevers hun opleiding niet serieus nemen.

Bekijk het curriculum vooraf dus secuur. Is dat een potpourri van onsamenhangende colleges, zoek dan snel verder. Op de site bestestudies.elsevier.nl staat van elke opleiding een profiel, plus oordelen van studenten. Dat geeft een goede indicatie.
Maar breed is niet altijd vaag.

Hogescholen en universiteiten bieden ook brede propedeuses binnen een afgebakend interessegebied. Zo kunnen studenten van de brede propedeuse zorg & welzijn aan de Hogeschool Leiden doorstromen naar verpleegkunde of sociaal-pedagogische hulpverlening. Dit type propedeuse is niet vaag, maar geeft studenten juist een handig extra jaar om op de juiste plek te komen.

Ook erg breed en beslist niet schimmig zijn de university colleges die de meeste universiteiten nu kennen. Het onderwijs is internationaal georiënteerd, legt een brede academische basis en het is er hard werken. Studenten wonen op een campus, selectie-­eisen zijn streng. Studenten aan de university colleges zijn bovengemiddeld tevreden, blijkt uit Beste studies. Na drie jaar zoeken zij een ‘smalle’ master in binnen- of buitenland.

5. Thuis wonen of op kamers?

Studenten op kamers hebben doorgaans ­hogere kosten dan thuisblijvers. Die laatsten hoeven geen huisraad aan te schaffen, eten moeders hap en betalen hooguit wat kostgeld. Afgelopen jaar woonde 47 procent van de studenten die waren ingeschreven bij de Dienst Uitvoering Onderwijs nog bij hun ouders thuis.

Een belangrijk argument om niet op kamers te gaan wonen, is voor studenten – en hun ­ouders – vaak kostenbesparing. Toch kan het ­zinvol zijn om wel uit huis te gaan. Nestverlaters ­hebben allereerst het voordeel dat zij uit meer opleidingen kunnen kiezen. De beste studies worden immers niet allemaal in de buurt van het ouderlijk huis aange­boden.

Een tweede voordeel van op kamers wonen is de sociale winst die dat oplevert. Vooral studenten in een huis met studenten van dezelfde opleiding of op een campus kunnen er veel baat bij hebben om zo nu en dan met elkaar te ‘sparren’ over de colleges en de tentamenstof.

Uit het arbeidsmarktonderzoek Studie & Werk blijkt daarnaast elk jaar weer dat uitwonende studenten gemiddeld sneller werk vinden dan studenten die thuisblijven. Op kamers wonen wordt door werkgevers kennelijk beschouwd als een blijk van zelfstandigheid.

Het maakt uit waar je een kamer zoekt. In Enschede of Tilburg vind je makkelijker iets betaalbaars dan in Utrecht of Amsterdam. Wie een ruime kamer in het centrum wil, moet al voor de zomer beginnen met zoeken.

6. Lenen of bijbaantje?

Thuiswonende studenten geven gemiddeld 750 euro per maand uit, berekende Elsevier op basis van de Studentenmonitor van het ministerie van Onderwijs. Studenten die op kamers wonen, geven 300 euro per maand meer uit. Nu de basisbeurs is afgeschaft, moeten studenten hun studie zelf betalen. Hoe rapen ze dat geld naast hun drukke studie bij elkaar?

De meeste studenten krijgen een bijdrage van hun ouders, afhankelijk van wat die kunnen en willen betalen. Hebben de ouders een laag inkomen, dan legt de overheid maandelijks maximaal 378 euro bij. Deze aanvullende beurs wordt een gift na tijdig afstuderen. Meer uitleg over het nieuwe leenstelsel is te vinden op de website bestestudies.elsevier.nl in het filmpje ‘Wat kost studeren in 2015?’.

De meeste studenten zullen geld moeten bijlenen. Daartoe biedt de overheid bijzonder aantrekkelijke aflossingsvoorwaarden. Studenten kunnen tot 1.178 euro per maand lenen tot wel 100.000 euro voor de hele studie inclusief drie jaar vertraging.
Afgestudeerden krijgen 35 jaar om de lening terug te betalen.

Aflossen begint pas twee jaar na het afstuderen en schuldenaren mogen vijf aflossingsvrije ‘jokerjaren’ inzetten als ze krap bij kas zitten. Maandelijks lossen zij van elke euro die ze meer verdienen dan het minimumloon nooit meer af dan 4 eurocent. Het bedrag dat zij aan het einde van de rit niet hebben afgelost, wordt nog kwijtgescholden ook.

Lenen wordt op die manier erg verleidelijk, maar leen nooit meer dan strikt noodzakelijk is. Zo voorkom je een hoge studieschuld. Banken rekenen de studieschuld bijvoorbeeld gewoon mee bij het bepalen van een maximale hypotheek.

Een bijbaan nemen kan natuurlijk ook, maar pas op: uit de Studentenmonitor blijkt wel dat 42 procent van de studenten die werken, dan minder tijd heeft voor studeren. Als dat leidt tot serieuze studievertraging, komt als vanzelf het moment waarop extra lenen duurder wordt dan wat de bijbaan ­oplevert.

Studenten die geld willen bijverdienen, kunnen in elk geval het beste kiezen voor een job die aansluit bij de studie die ze volgen. Van de hbo’ers had 30 procent de afgelopen jaren een ‘relevante’ bijbaan, van de academici was dat 37 procent. Relevante werkervaring staat goed op een cv en geeft een goede indruk tijdens een sollicitatie­gesprek. Bedenk daarnaast dat goede studieresultaten meestal meer kans geven op werk – een bijbaan kost wel studietijd.

Wie twijfelt over zijn studiekeuze kan twee vliegen in één klap slaan: de studiekeuze uitstellen en de spaarrekening spekken. Dat kan door een gap year, een sabbatical tussen school en studie, te nemen – om geld te verdienen en te sparen voor de opleiding. En dan alsnog te kiezen. Zeker is: het leenstelsel nieuwe stijl vraagt om een doordacht financieel plan.

7. Extra activiteiten of focus op studie?

Lid worden of niet, dat is de vraag. Blijft er naast de drukke studie nog wel tijd over voor activiteiten binnen een studie- of studentenvereniging? En: wat levert die extra inzet voor commissies en besturen buiten de studie om eigenlijk op?

Van de afgestudeerde academici was de afgelopen jaren 80 procent lid van een studie- of studentenvereniging, van de hbo’ers was dat 25 procent. Binnen die clubs moet veel worden georganiseerd: lustrumfeesten, debatten, de bar moet bemand, de website gerund. Van de academici deed 46 procent bestuurswerk, van de hbo’ers 18 procent.

Bestuurservaring opdoen, is niet alleen gezellig en goed voor het netwerk. Studenten leren organiseren, financiën bijhouden en ‘polderen’ met andere commissies. Afgestudeerden met bestuurservaring verdienen na hun afstuderen iets meer dan minder actieve studenten.

Toch hechten werkgevers tegenwoordig meer waarde aan een nuttige opleiding en goede studieresultaten, blijkt uit Studie & Werk 2015. Voorkom vertraging en stel al in het eerste studiejaar een studieplan op. Bedenk, eventueel samen met de studieadviseur en het bestuur van de vereniging, welke periode de meeste ruimte biedt voor commissiewerk of bijvoorbeeld een korte studietijd in het buitenland.

Studentenverenigingen houden steeds meer rekening met de studieloopbaan van hun leden. Voor omvangrijke bestuursposten, zoals secretaris of voorzitter, gelden vaak strenge selectie-eisen, bijvoorbeeld dat de sollicitant al zijn studiepunten heeft gehaald.

In de bibliotheek van de Leidse ­sociëteit Minerva zijn studieplekken met draadloos internet gecreëerd. Studieboeken voor rechten en geneeskunde staan er zelfs permanent  ter inzage. Hoe beter de planning, des te meer tijd er overblijft voor een heus studentenleven.

Elsevier nummer 39, 26 september 2015

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.