Simon Rozendaal

Menig hoogleraar is niet veel meer dan actievoerder in toga

Door Simon Rozendaal - 26 februari 2016

Is er verschil tussen antiprikactivisten die vaccins wantrouwen en klimaatsceptici die aan opwarmingstheorie twijfelen?

Als iets ons onderscheidt van voorouders, inboorlingen en halsafsnijders, dan is het kennis. En dus heeft deskundigheid groot aanzien.

Waarom dan toch zouden journalisten op hun hoede moeten zijn voor hoogleraren en andere deskundigen? En waarom daarbij onderscheid maken tussen disciplines?

Het is een vraag die ondergetekende vaak heeft gekregen van zowel wetenschappers als collega-journalisten. Dus hierbij, op veler verzoek, een poging tot antwoord.

Allereerst, wetenschappers hebben de waarheid niet in pacht. Ze zijn op zoek naar de waarheid en als je naar iets zoekt, heb je het nog niet gevonden. Chemici dachten lang dat er in brandbare stoffen een substantie zat (flogiston) die ze deed ontvlammen. Het is een volslagen logische notie maar helaas onjuist. Dat substanties branden, komt niet door wat er in die stoffen zit, maar door een bestanddeel van lucht: zuurstof.

Wetenschap is panta rhei, altijd in beweging. Ook het huidige kennislandschap heeft regionen waarvan ze ooit zullen zeggen: onbegrijpelijk dat ze dat in 2016 geloofden!

Wereldvreemd

In die zin is wetenschap ook een beetje weetnietkunde. Iedere beoefenaar van wetenschap moet zich afvragen wat hij wel en wat hij nog niet weet. Op dat vlak zit er verschil tussen disciplines. Natuurkundigen verwonderen zich al ruim tweeduizend jaar waarom een appel naar beneden valt en niet naar boven.

Dus als een fysicus iets beweert over de zwaartekracht, staan daar lange rijen voorgangers en metersdikke boeken achter. Zet daar tegenover hersenonderzoek. Dat is aanzienlijk jonger en dus is er meer reden om op je qui-vive te zijn als een neuroloog iets over de hersenen zegt.

Een tweede verschil tussen disciplines is dat de ene politieker is dan de ander. Een jaar of vijftig geleden zaten professoren nog in een ivoren toren. Dat had als voordeel dat je redelijk van hen op aan kon. Tegenwoordig bestaan er nauwelijks wereldvreemde wetenschappers meer. Onderzoekers weten wat er buiten het lab gebeurt en dat hun uitspraken impact hebben. Niet zelden krijgen ze mediatraining.

Sommige vakgebieden zijn zo gepolitiseerd dat het voor buitenstaanders moeilijk is om te beoordelen wat waarheid en wat verdichting is. Voorbeelden zijn de klimaatwetenschap en de migratiewetenschap. Gelukkig zijn er zelfs daar serieuze geleerden, maar ook velen die weinig meer zijn dan actievoerders in toga, voortdurend jonglerend met feiten en argumenten.

Er zijn meer verschillen tussen wetenschappelijke disciplines. Een hoogleraar in de Assyrische geschiedenis weet meer van zijn discipline dan een hoogleraar in de zonnefysica van zijn vakterrein – niet omdat hij slimmer is, maar omdat zijn gebied overzichtelijker is.

Tegenargumenten

Wat betekent een en ander voor hen die de wetenschap moeten wegen: politici, journalisten, burgers?

In de eerste plaats, helaas, een zeker wantrouwen. Natuurlijk blijft een hoogleraar altijd meer te vertrouwen dan een makelaar, maar toch moeten we iedere hedendaagse deskundige de nieren proeven, net als een makelaar. Waarom zegt hij dit? Heeft hij belangen? Is hij lid van een actiegroep? Denken zijn collega’s er hetzelfde over? Hoe deskundig is hij? Zijn er tegenargumenten?

Neem het wantrouwen in vaccins en dat in de klimaatwetenschap. Antiprikactivisten zijn bijna zonder uitzondering laagopgeleide querulanten, onder klimaatsceptici zitten verrassend veel academici. Vaccins redden al meer dan eeuw miljoenen mensenlevens, klimaatwetenschap is jong. Vaccinonderzoekers staan in een laboratorium, klimaatwetenschappers niet zelden op een kansel of in de rechtbank.

Het ene vakgebied komt dus meer argwaan toe dan het andere.

Elsevier nummer 9, 2 maart 2016

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.