nederland

Janken op de puinhopen – over de opkomst en ondergang van een voetbalclub

Door Simon Rozendaal - 18 april 2016

Ooit was Zwart-Wit ’28 landskampioen bij de amateurs en een van de grootste voetbalverenigingen in Nederland. Eerder dit jaar werd ze uit de competitie genomen en failliet verklaard. Tot overmaat van ramp ging de kantine in vlammen op. Hoe een christelijke Rotterdamse club naar de filistijnen ging.

Dit verhaal verscheen eerder in Elsevier in juli 2004.

Het was een piepklein nieuwsbericht op maandag 2 februari 2004: het clubhuis van de voetbalclub Zwart-Wit ’28, enkele dagen daarvoor officieel aangedragen voor een faillissement, was afgebrand. Het pand, gelegen op sportpark De Vaan in Rotterdam-Zuid (vlak bij Ahoy’), werd vermoedelijk door vandalen in de fik gestoken en is grotendeels in rook opgegaan.

Klein bericht, groot drama. Het betreft immers niet zomaar een voetbalclub. In de jaren zestig en zeventig had Zwart-Wit ’28 ruim 1.300 leden, negentien seniorenelftallen en nog meer juniorenteams en was daarmee een van de grootste voetbalverenigingen van Nederland. De club werd twee keer landskampioen bij de zaterdagamateurs, een maal algeheel landskampioen en won drie keer de beker.

Zwart-Wit ’28 speelde altijd technisch verzorgd voetbal en heette daarom het ‘Feyenoord van het zaterdagvoetbal’. Ze leverde talloze spelers aan het Nederlandse amateurelftal. Een van hen was Frans Steur, een frivole, aalvlugge spits die in de kranten de ‘Cruijff van het amateurvoetbal’ werd genoemd. De trainer die de club in 1971 algemeen landskampioen maakte, Wim van der Gijp, stelt zelfs dat het totaalvoetbal waarmee Nederland bij het WK van 1974 wereldwijd indruk maakte, al jaren daarvoor door Zwart-Wit ’28 werd vertoond. Ach, een beetje grootspraak misschien, maar feit is dat het beste Nederlands elftal aller tijden bij de voorbereiding op dat WK maar net met 2-1 van Zwart-Wit kon winnen.

Niet zelden waren er vijfduizend toeschouwers op De Vaan. Dat was toen het in 1966 werd geopend een voetbalcomplex om van te watertanden: zoveel bomen en struiken, dat je vergat midden in de stad te zijn, aan een kant een imposante en overdekte tribune en elders diverse rijen zit- en staanplaatsen. Bij de openingswedstrijd tegen Ajax (0-1) keek de toenmalige Ajax-voorzitter Jaap van Praag zijn ogen uit. Een amateurclub! Erevoorzitter van Zwart-Wit ’28 Henny Troost (79) weet het nog goed: ‘Hij zei tegen mij, zo’n lichtinstallatie hebben wij niet eens.’

Zwart-Wit ’28 had ook altijd een uitstekend bestuur en tientallen vrijwilligers die bereid waren om hun vrije avonden en weekeindes in de club te steken. Ex-speler Harm Oosthoek (49), lang lid van de ledenraad: ‘Het was een gestaalde organisatie, met een solide bestuur, talloze jeugdcommissies en technische commissies. Je moest bijna smeken om in een commissie te komen.’

Hoe is het in ’s hemelsnaam mogelijk dat zo’n vereniging naar de filistijnen gaat?

Lees ook‘Genuanceerd, nee. Maar heeft Johan Derksen ongelijk?’2013-01-12 09:49:28 AMSTERDAM - Een grensrechter langs de lijn bij een wedstrijd van voetbalclub Nieuw Sloten. De club speelt voor het eerst sinds de dood van grensrechter Richard Nieuwenhuizen van SC Buitenboys weer. ANP KOEN VAN WEEL

Scharensliep

Zwart-Wit ontstond in 1928 uit de protestants-christelijke cultuur van Rotterdam-Zuid. Dat deel was voor Rotterdam lang een soort blindedarm, ongeveer zoals Noord dat voor Amsterdam is. Destijds was Rotterdam-Zuid nog grotendeels weiland. Pas later in de eeuw ontstonden buurten als Tuindorp-Vreewijk, Zuidwijk en Pendrecht.

Het was de grote stad – ’s werelds grootste haven nog wel – maar tegelijkertijd klein en gemoedelijk. Wie hier woonde, waande zich in een dorp. In Tuindorp-Vreewijk, bijvoorbeeld, kwam de scharensliep aan de voordeur en lagen achter de huizen grintpaadjes waarop nog tot in de jaren zeventig klompen knarsten. Her en der liepen binnendijken, zoals de Groene Hilledijk, die eraan herinnerden dat hier nog niet zo lang geleden sluizen, boezems en weteringen waren.

De perfecte biotoop dus voor ‘eilanders’, mensen die kwamen uit de Hoekse Waard of van de andere Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden. Velen van hen waren protestant, en voetbal was dus eigenlijk uit den boze. Maar toen de kinderen aandrongen en de kerk er zijn zegen aan gaf, ontwikkelde zich uit een christelijke knapenvereniging de Rotterdamse Christelijke Voetbal Vereniging Zwart-Wit ’28.

Natuurlijk verwaterden de christelijke beginselen ietwat, naarmate er meer niet-christelijke voetballers bijkwamen. Maar toch, de meeste jongens kwamen uit een fatsoenlijk nest en er werd niet gevloekt op het veld. Bij de bestuursvergaderingen werd tot halverwege de jaren negentig zelfs nog een stukje uit de Bijbel gelezen. Kees Kool (67), ex-bestuurslid en vijftig jaar lid: ‘Bij elke vergadering werd de zegen over de club gevraagd.’

Jan Nieuwstraten speelde in de jaren zestig bijna dertig keer in het Nederlands amateurelftal en werd destijds door diverse betaalde clubs (Feyenoord, Ajax, PSV) benaderd. Hij weigerde keer op keer, omdat hij niet op zondag wilde voetballen. De club deed op dezelfde principiële gronden lange tijd niet mee aan de voor amateurverenigingen uiterst profijtelijke toto. En tot de jaren tachtig werd er op zaterdagmiddag geen bier geschonken in de kantine.

Onder gereformeerden en hervormden in Rotterdam-Zuid was er een grote bereidwilligheid om de handen uit de mouwen te steken voor de club. Zoals Colijn en Biesheuvel hun politici waren en De Rotterdammer hun krant was, zo was de R.C.V.V. Zwart-Wit ’28 hun vereniging. Daar hadden ze veel voor over.

Er werden klaverjastoernooien georganiseerd om geld in te zamelen voor het nieuwe clubhuis, er werd met zakjes kachelhout voor een gulden geleurd van deur tot deur, voor de wedstrijden van het eerste werden er verlotingen gehouden. Zowel op het oude sportpark Varkenoord (naast het Feyenoord-stadion) als later op De Vaan, bouwden meer dan honderd vrijwilligers eigenhandig een prachtig complex. Eerste-elftalspelers, junioren, ouders, bestuursleden, iedereen moest na school of werk sjouwen en beton storten. Ex-politieagent Henny Troost, die meer dan zestig jaar lid is geweest: ‘In de tijd dat De Vaan werd gebouwd, ging ik ieder nieuw juniorlid af: wat is je vader van beroep, wanneer kan hij helpen met de bouw?’

Zwart-Wit ’28 leek in de genen te zitten. Troost was bestuurslid, zijn vrouw werkte in de kantine, zijn zoon speelde bij de junioren, zijn dochters verrichtten hand- en spandiensten, zijn zwager plande de bouw van het sportpark. Jan Oorebeek, jarenlang spits van het eerste en later bestuurslid, kwam bij Zwart-Wit omdat zijn vader er vroeger had gespeeld, en ook zijn eigen zoon ging er later spelen. Harm Oosthoek: ‘Ik werd tegelijk met drie broers lid, tot het laatst hebben er drie neefjes van me gespeeld, mijn schoonvader Leen Klink scheurde de entreekaartjes af.’

Sociale cohesie

De ondergang van Zwart-Wit ’28 staat niet op zichzelf. In dorpen en kleine steden floreert het amateurvoetbal nog steeds. Barendrecht is de grootste voetbalclub van Nederland en verenigingen als Noordwijk, Quick Boys (Katwijk), Spakenburg en IJsselmeervogels (ook uit Spakenburg) staan er nog even fier bij als twintig, dertig jaar geleden.

Anders is het in de grote stad. Neem Rotterdam. Diverse ooit zo roemruchte amateurclubs zijn inmiddels niet meer. Op het veld van RFC in Rotterdam-Noord, in de schaduw van de Mevlana-moskee, de grootste van Nederland, worden nu Hindoestaanse feestdagen gehouden. De Charloise Leeuw (DCL) is failliet. De Musschen – ooit even gerenommeerd als Zwart-Wit ’28 – moest fuseren om te overleven.

Klaarblijkelijk is de sociale cohesie die een amateurclub schraagt in kleinere gemeenschappen nog wel aanwezig. Kees Kool, ex-eerste-elftalspeler van Zwart-Wit ’28 (zijn concurrent destijds was een rossige rechtsbuiten met de naam Leo Beenhakker): ‘De slager in Spakenburg moet wel een van de twee clubs sponsoren, anders heeft hij minder klandizie. Dat werkt niet meer in de grote stad.’

Het voetbal trekt sowieso minder. Veertig jaar geleden was er voor een jongen school, eventueel kerk, thuis, meisjes en voetbal. Meer smaken waren er niet. Tegenwoordig zijn er: uitgaan, vakkenvullen om aan geld te komen, GTST en al die andere tv-series die ’s avonds moeten worden gevolgd, wil je de volgende dag op school mee kunnen praten, je moet je sms-contacten onderhouden, op tijd de juiste kleding kopen omdat je anders voor gek loopt, er zijn de nieuwste releases van Final Fantasy en andere computerspelletjes. En wie dan nog tijd over heeft, kan kiezen uit sporten die je vroeger alleen kende van horen zeggen: basketbal, tennis, honkbal, skateboarden, klimmen.

Volgens Rob de Leede, persvoorlichter van de KNVB, groeit het ledental van de Koninklijke Nederlandse Voetbal Bond nog steeds. Dat klopt. Maar een analyse van de cijfers leert dat er toch een probleem is. Vergelijkingen met vroeger worden vertekend doordat tegenwoordig ook vrouwen, pupillen (van zes tot twaalf jaar) en zelfs mini’s (onder de zes) lid mogen worden van een voetbalclub. Wie alleen naar de junioren (van twaalf tot achttien) kijkt, constateert een achteruitgang: in het seizoen 1974/1975 waren er ruim 250.000 voetballende junioren in Nederland, in 2002/2003 nog maar 170.000.

In het geval van Zwart-Wit ’28 komt erbij dat de band met de omringende wijken zwakker werd. Neem een buurt als Zuidwijk. Nog steeds is er die licht-provinciale charme. De etalage van Coen Moulijns kledingwinkel aan de Langenhorst wordt als vanouds geboend en binnen doet de kleine grote, en inmiddels tamelijke ronde, voormalige linksbuiten van Feyenoord en het Nederlands elftal een bakkie met een klant. Maar de flat waar ooit Ger Reitsma woonde, de keepende arts uit het kampioenselftal van Zwart-Wit ’28, die later bij Feyenoord mislukte doordat Rinus Israel en Theo Laseroms niets moesten hebben van die kapsonesarts achter zich, is inmiddels gesloopt. Een deel van de Oldegaarde, vroeger een brave laan met keurige burgers en uitzicht op het Zuiderpark, staat in de steigers. Andere wijken in Rotterdam-Zuid waaruit Zwart-Wit ’28 putte, zoals de omgeving van de Dordtselaan en Mijnsherenlaan, zijn zelfs ronduit verpauperd en halen met schietpartijen en fouilleringen het nieuws.

Zwart-Wit ’28 ging in de wandeling Zwart-Zwart ’28 heten. Op een gegeven moment was 80 procent van de jeugd allochtoon. Er waren elftallen met nog maar een blanke er in. Daar is natuurlijk niks mis mee, maar de allochtonen deden geen vrijwilligerswerk. Een grote club als Zwart-Wit ’28 heeft tientallen vrijwilligers nodig. Mensen die de netten in de goals hangen, de lijnen kalken, de kroketten uit de frituur halen, de shirtjes van het eerste elftal wassen, die bereid zijn om de jongens van C4 naar SSS in Klaaswaal te rijden, willen vlaggen bij het veertiende, een weekeinde kamperen met A1 in Luxemburg willen begeleiden, en die op donderdagavond B3 willen trainen.

Niemand weet waardoor het komt. Misschien denken veel allochtonen dat Nederland schathemeltjerijk is, dat alles hier dus vanzelf loopt en dat mensen die bij een voetbalclub werken ook wel betaald zullen worden door de overheid. Het kan zijn dat ze een van origine blanke club als Zwart-Wit ’28 toch zien als iets van ‘hun’ en niet van ‘ons’. Niet dat Zwart-Wit het niet heeft geprobeerd, maar feit is dat de club er niet in slaagde om bij de allochtonen dezelfde betrokkenheid op te roepen als eerder bij het protestants-christelijke volksdeel.

Ex-secretaris Jan Oorebeek: ‘Ik ben het hele land door gereisd om te horen hoe andere clubs het aanpakten. Ik ben bij de Dienst Sport & Recreatie van de gemeente Rotterdam geweest, bij de KNVB. Op een gegeven moment hebben we iemand uitgenodigd die zich in allochtonensport had gespecialiseerd en bij ons een toespraak hield om meer ouders bij de club te betrekken. Dat leverde welgeteld een reactie op, van een vrouw die af en toe de bestuurskamer wilde stofzuigen.’ Henny Troost: ‘Uiteindelijk kregen we een stuk of vier allochtone ouders zover dat ze als begeleider of meerijder meegingen, maar ze deden alleen wat je vroeg. Zelf iets bedenken, ho maar.’

Zo’n 100 tot 150 allochtone leden betaalden geen contributie, zelfs niet na talloze aanmaningen. ‘We hadden regelmatig 25.000 gulden niet te innen contributie,’ zegt Jan Oorebeek. ‘Per maand stuurde je dan drie boze brieven, je schakelde een incassobureau in. We werden er gek van!’ Het vandalisme nam ook toe. ‘Op het laatst kostte het ons tienduizend gulden per jaar. Hup, dan ging er weer een tegel door een ruit en voor de beveiliging arriveerde, was er weer heel wat ijs, bier en limonade verdwenen.’

Rommeltje

Zowel het voetbal als de club veranderde van karakter. Kees Kool: ‘Scheidsrechters kregen de verschrikkelijkste dingen naar hun hoofd, er werd gevochten op het veld, ouders riepen “trap hem kapot” en zochten later aan de bar ook mot. Het was steeds minder het oude Zwart-Wit.’ Dieptepunt was dat een van de elftallen, bevolkt door asielzoekers uit het naburige centrum, wegens vechtpartijen uit de competitie werd genomen.

Zijn echtgenote Miep Kool, die 25 jaar verantwoordelijk was voor de frikadellen en de kaassoufflés: ‘Ik merkte het ook in de bakhoek. Je werd als blanke vrouw soms minachtend behandeld. Op het laatst moest er dan ook altijd een man achter de bar staan, waar we het vroeger altijd makkelijk met vrouwen alleen af konden.’

Dit alles versterkte de witte vlucht. Niet alleen waren de wijken in Rotterdam-Zuid onherkenbaar geworden, ook bij hun eigen cluppie voelden veel Zwart-Witters zich niet langer thuis.

De neergang in kader manifesteerde zich in een slecht bestuur. Waar Zwart-Wit ’28 altijd een degelijk bestuur en dito financieel beheer had gekend, was het de laatste jaren een rommeltje. Ook wilde de club koste wat kost de schijn hoog houden. In de tijd dat de club landskampioen werd, vielen de kosten van een topteam nog mee. Het eerste ging ten behoeve van de teambuilding voor de wedstrijd biljarten in Café Rustburcht, nabij het winkelcentrum Zuidplein. Er waren voor de spelers gratis shirts en trainingspakken die ze niet zelf hoefden te wassen, dat was het. Oh ja, en je ging met een bus naar een uitwedstrijd in plaats van met het eigen vervoer.

De laatste jaren liepen de spelers van het eerste niet alleen tijdens de wedstrijd in dezelfde outfit, maar ook ervoor en erna: in strak gesneden kostuums van Van Gils met allemaal dezelfde stropdassen, net als de grote jongens van Barcelona en Milan. Ex-profvoetballers als John de Wolf, Jean-Paul van Gastel en Romeo Wouden werden aangetrokken om in de hoogste klasse te blijven. En waar de toppers van vroeger al dolblij waren met gratis vloerbedekking van ex-Zwart-Wit-doelman Aad van der Laan, de tapijtkoning van Rotterdam, kwamen de ex-profs naar verluidt voor minder dan 10.000 euro per jaar hun bed niet uit.

Dat dreef een wig tussen het eerste elftal en de rest van de vereniging. Waar het in het vijfde steeds vaker gebeurde dat de spelers zelf de netten in de goal moesten hangen of de lijnen nog even moesten trekken, daar liepen die snelle boys van het eerste in pakken die een fortuin hadden gekost. Dat moest fout gaan en dat ging het ook. Zo liet de laatste voorzitter eens per ongeluk de lijst met betalingen aan de spelers van het eerste elftal en de elftalmanager op de kopieermachine liggen. Enkele oudgedienden die zich al jaren de benen uit het lijf hadden gelopen om de vermeende sterren van dienst te zijn, zagen het lijstje en stopten subiet met hun vrijwilligerswerk.

Tot overmaat van ramp was er ineens ook onzekerheid over de toekomst van sportpark De Vaan. Zwart-Wit kreeg van de gemeente Rotterdam te horen dat er een metro op de plek van het hoofdveld zou komen en dat de club een oprotpremie zou krijgen en moest verhuizen. Uiteindelijk ging dit niet door omdat de Betuwelijn en de hogesnelheidslijn voorrang kregen in de kabinetsplannen. Maar in de tussenliggende onzekere periode werd nagelaten onderhoud te plegen aan het sportpark. Dat hielp ook niet mee om spelers te behouden. Harm Oosthoek: ‘Dan stond je te douchen, was er opeens geen heet water meer of viel er een tegeltje van de wand.’

Op het laatst was er 350.000 euro schuld. De premie van de brandverzekering was al twee jaar niet voldaan en de lijst van schuldeisers, waaronder de brouwerij met een rekening van 60.000 euro, was indrukwekkend. Naar verluidt werd er gesjoemeld. De kascontrolecommissie trad af. ‘Zwart-Wit ’28 werd een zootje. Op een gegeven moment was het budget voor het eerste elftal al halverwege het jaar op,’ aldus Harm Oosthoek.

Uiteindelijk lieten de KNVB en de gemeente Rotterdam Zwart-Wit ’28 vallen. Bij veel Zwart-Witters leeft het idee dat het moord met voorbedachten rade was. De KNVB zou een voorbeeld hebben willen stellen: als de grote club Zwart-Wit ’28 al zo hard werd aangepakt, dan hoefden de kleine amateurclubs helemaal nergens meer op te rekenen. Henny Troost, die jarenlang onbezoldigd voor de KNVB actief is geweest: ‘Wij kregen geen maand uitstel van betaling, terwijl ik weet dat er tal van verenigingen zijn die tot 2005 soepele regelingen hebben.’

De onwilligheid van de KNVB en de gemeente om Zwart-Wit ’28 de helpende hand toe te steken, is vreemd. Dirk Oosthoek (47), leraar filosofie en geschiedenis en jarenlang lid en jeugdtrainer van Zwart-Wit ’28 zegt: ‘Het verenigingsleven zorgt voor maatschappelijk cement en houdt kinderen van de straat.’ Zijn broer Harm (vroeger een linksbuiten met een prachtige voorzet), milieu-ambtenaar, is het met hem eens: ‘Je leert contact te maken met arm en rijk, met zwart en wit, met accountants zowel als monteurs.’

Slechte nachten

De ondergang van Zwart-Wit ’28 doet pijn. Kees Kool heeft staan janken op de rokende puinhopen. Jan Oorebeek kreeg rond het faillissement hartproblemen. Hij is er van overtuigd dat Zwart-Wit ’28 nog steeds had bestaan als de KNVB en de gemeente Rotterdam meer hun best hadden gedaan. Henny Troost is ook die mening toegedaan.

Maar hoe lang had de club het dan nog gered? Hadden de problemen met allochtonen die in het verleden zo onoplosbaar leken, dan wel aangepakt kunnen worden? Zou de club zich op het allerhoogste niveau hebben kunnen handhaven? Volgens de gebroeders Oosthoek, die ‘enkele slechte nachten’ hadden toen de club in vlammen opging, is het misschien wel goed zo: ‘It is better to burn out than to fade away.’

Grote club, spectaculair einde.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.