#Eerste vrouw

Suze Groeneweg: het eerste vrouwelijke Kamerlid

Door Carla Joosten - 10 juli 2017

Elsevier Weekblad-journalist Carla Joosten bespreekt geregeld de eerste vrouw in een beroep of functie. Dit keer Suze Groeneweg (1875-1940), het eerste vrouwelijke Tweede Kamerlid en ook de eerste vrouwelijke ambtenaar van de burgerlijke stand.

Suzanna (Suze) Groeneweg, dochter van een landarbeider en winkelier, was 43 jaar toen ze in de Tweede Kamer werd gekozen, door mannen. Toentertijd, op 3 juli 1918, hadden alleen mannen algemeen kiesrecht. Vrouwen hadden passief kiesrecht: ze mochten niet kiezen, maar wel gekozen worden. Op 10 juli 1919 veranderde dat en kregen ook vrouwen actief kiesrecht. Groeneweg zou tot 1921 in de Tweede Kamer de enige vrouw tussen 99 mannen blijven.

Dat ze het tot het Binnenhof schopte, kwam niet alleen doordat haar moeder erop had aangedrongen dat dochter Suze, het derde kind in een gezin van vijf, zou doorleren. Ze was ongehuwd gebleven en hoefde daardoor niet haar baan op te geven zodra ze trouwde, zoals destijds gebruikelijk was voor vrouwen in overheidsdienst.

Betrokkenheid

Suze Groeneweg werd onderwijzeres. Eerst in haar geboortedorp Strijensas (Zuid-Holland) en later in het Zeeuwse Duivendijke, in Krimpen aan den IJssel, Dordrecht, Montfoort en Rotterdam. In laatstgenoemde stad stond ze ook bekend als ‘de juffrouw van het vacantiefeest’, omdat ze de eerste was die er een kinderfeest organiseerde.

In de liberale krant De Grondwet werd later vastgesteld dat het juffrouw Groenewegs bestemming bleek om overal de eerste in te zijn. ‘Op het vruchtbare Zeeuwsche eiland Schouwen was ze de eerste onderwijzeres die zich bij den toen zoo beruchten bond aansloot,’ verwees de krant naar de onderwijzersbond waarvan de ‘militante die ze van huis uit is’ lid werd.

Lees ook dit portret van de hand van Carla Joosten: Judith Leyster, de eerste vrouwelijke meester-schilder >

Groenewegs maatschappelijke betrokkenheid bleek groot. Ze maakte zich altijd sterk voor kinderen en voor de rechten van de vrouw en werd lid van de Nederlandsche Vereeniging tot Afschaffing van Alcoholhoudende Dranken. Een club waarvan ze later hoofdbestuurder werd. Na haar toetreding tot de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) in 1903 begon haar politieke opmars.

Hoewel erg verlegen, werd ze een gepassioneerd spreekster bij de SDAP. Dat spreken kon ze al als kind. Op de zondagschool in Strijensas had ze eens een verhaal moeten vertellen. ‘Wat kun jij praten! Kind, je wordt nog advocaat!’ zei de student theologie die eens op de zondagsschool te gast was. Jaren later, toen ze al Kamerlid was, werd in haar dorp wel gezegd: ‘De advocaat is weer aan het woord geweest.’

Maar het kind van destijds was ook een enthousiast sporter. Ze hield van fietsen, zwemmen, schaatsen en roeien.

Vrouwenrechten

Suze Groeneweg was een overtuigd feministe. In 1905 richtte ze binnen de Rotterdamse partijafdeling een vrouwenpropagandaclub op. De arbeidersvrouw moest politiek bewust worden en actief in de partij. Een aparte vrouwenorganisatie zag ze niet zitten. Ze wilde haar idealen samen met mannen bereiken, maar vond wel dat meer vrouwen lid van de partij moesten worden.

Daarom ook was ze tegenstander van de in 1908 opgerichte Bond van Sociaal-Democratische Vrouwenclubs. De animositeit met de voorvrouwen van die bond – Groeneweg verzette zich jaren tegen een landelijke afdeling – verdween gaandeweg. Maar ze behield haar voorkeur om voor gemengde groepen te spreken.

In 1908 werd ze lid van het federatiebestuur van de SDAP in Rotterdam en in 1914 van het landelijke partijbestuur. Dat laatste zou ze tot 1936 blijven. Eenmaal Kamerlid begon ze zich meteen in te zetten voor vrouwenrechten, zuigelingen- en moederschapszorg. Ook bepleitte ze een wettelijk zwangerschapsverlof en het recht op betaalde arbeid.

Het door Groeneweg opgebrachte dilemma van de zwangere, werkende vrouw werd pragmatisch opgelost: zwangerschap en bevalling werden voortaan als ‘ziekte’ gekenmerkt. De vrouwen konden de ziektewet in. De confessionele politici zorgden er wel voor dat deze regeling alleen gold voor getrouwde vrouwen. Buitenshuis werken, hoopte Groeneweg, zou trouwens eigenlijk voor gehuwde vrouwen niet nodig moeten zijn. Een zienswijze die de vrouwenbond van de SDAP afkeurde.

Pacifiste Groeneweg sprak in de Tweede Kamer overigens niet alleen over vrouwenzaken, maar ook over onderwijs, drankbestrijding, antimilitarisme.

Missie

Een gedegen voorbereiding was Groenewegs handelsmerk. Ze was volgens haar mannelijke collega P.J. Oud (VDB) ‘geen katje om zonder handschoenen aan te pakken’. Hij vond ook dat ze de ‘juiste smaak’ ontbeerde, je kon nog altijd zien dat ze uit een lagere klasse afkomstig was. Maar Groeneweg trok er zich niets van aan en zette haar missie onverdroten voort. Zo zorgde ze er in 1930 voor dat vrouwen voortaan burgemeester zouden kunnen worden. Ze trotseerde hierbij premier Charles Ruijs de Beerenbrouck (RKSP), die ‘natuurwettelijke beletselen’ had gesignaleerd.

Een jaar later bereikte ze een tweede primeur in haar leven: het eens eerste vrouwelijke Tweede Kamerlid werd de eerste vrouwelijke onbezoldigde ambtenaar van de burgerlijke stand. Het eerste huwelijk dat ze sloot, was dat tussen SDAP-Kamerlid Willem Drop en Carolina Blom, dat op 20 augustus 1931 werd voltrokken in Rotterdam.

Groeneweg zelf bleef zoals gezegd ongehuwd. Ze combineerde het lidmaatschap van de Tweede Kamer met dat van de Rotterdamse gemeenteraad (alwaar ze met één ander vrouwelijk raadslid, Johanna van Kersen-van Muylwijk, de eerste vrouw in de raad was) en met het lidmaatschap van Provinciale Staten van Zuid-Holland. Het meest genoot ze van spreekbeurten ‘buiten’, zoals ze de wereld buiten de politiek noemde. Ze vertelde in 1918 aan een journalist van het Algemeen Handelsblad: ‘Het is een van mijn grootste voldoeningen geweest toen een vooraanstaande vrouw uit onze beweging me eens zei: “Jij krijgt ze altijd mee. Weet je waardoor? Ze voelen dat jij hun eigenschappen hebt. Maar dan gecultiveerd.”’

‘Grootsteedse’

In 1937 gaf Groeneweg haar werk door ziekte gedwongen op. Op haar 65ste, drie jaar later, blikte ze terug op haar entree op het Binnenhof. ‘Wanneer ik als Kamerlid mislukte, dan zouden de vrouwen het gedaan hebben. Ik was het eerste vrouwelijke Kamerlid en ik was door mannen gekozen… Als ik blunders gemaakt zou hebben, was er natuurlijk direct geroepen dat de vrouwen het niet konden en dan waren de vrouwen ineens een heel eind achterop geweest in hun strijd voor gelijkberechtigdheid.’

Maar ze mislukte niet en zette zich in voor ‘de verheffing van het proletariaat’ en ‘de bewustwording van de arbeidersvrouw’, onder meer door mee te werken aan wetgeving die het leven van de arbeidersklasse moest verbeteren.

‘Ze kende het Nederlandse proletariaat in al zijn zwakke en sterke zijden als weinigen. Plattelandster van afkomst, grootsteedse door levenservaring,’ omschreef SDAP-voorman Willem Vliegen Groeneweg bij haar vertrek uit de politiek.

In de krant Het Volk stelde Suze Groeneweg vast dat ze zelden tijd had gehad voor ‘een mooi boek’ en dat alles altijd ‘zo vliegensvlug moest gebeuren’. Die tijd kreeg ze na haar pensioen in haar huis in Barendrecht, waar ze ontspanning vond in boeken en planten.

Ze overleed daar, door een sterk verslechterde gezondheid, 65 jaar oud.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.