Geschiedenis

Pim Waldeck: ‘Nederlands buitenlandbeleid is al 400 jaar hetzelfde’

Door Berend Sommer - 21 november 2017

Pim Waldeck besloot na een lange carrière in de diplomatie een boek te schrijven over de grondlegger van het ministerie van Buitenlandse Zaken: Maarten van der Goes van Dirxland (1751-1826). Waldeck was onder meer ambassadeur in Londen. Vorige week promoveerde hij aan de Universiteit Leiden bij historicus Henk te Velde.

Over Maarten van der Goes is nog nooit een boek geschreven. Hoe kwam u op dit onderwerp?

‘Vlak voor mijn pensioen maakte ik plannen over wat ik met mijn tijd zou doen. Toen besloot ik dit boek te gaan schrijven. Ik heb er vijf jaar over gedaan. Het idee is ontstaan in het klasje van Buitenlandse Zaken, veertig jaar geleden.

We kregen college diplomatieke geschiedenis van professor Boogman uit Utrecht. Terloops zei hij: “Die Van der Goes van Dirxland, die man kan wel eens meer voor Nederland hebben betekend dan wij weten. Eigenlijk verdient hij een biografie.”

Destijds heb ik daar een notitie van gemaakt. Toen ik me aan het einde van mijn loopbaan afvroeg, wat ga ik nu doen, bedacht ik dat ik voor mezelf wilde schrijven; ik heb mijn hele leven al voor anderen geschreven. Met mijn biografie wil ik Van der Goes tot leven wekken.’

Diplomaat in roerige tijden

Portret Maarten van der Goes door Narcisse Garnier (1805). Het hangt in het Museum Kanselarij der Nederlandse Orden, Paleis Het Loo, Apeldoorn.

Aan het einde van de achttiende eeuw is Maarten Van der Goes een vooraanstaand diplomaat van de Nederlandse Republiek. Het zijn roerige tijden. Als de patriotten de macht grijpen en de orangisten (de aanhangers van stadhouder Willem V) uit het landsbestuur werken, wordt de Republiek omgedoopt tot de Bataafse Republiek. Als de kruitdamp is opgetrokken, wordt Van der Goes gevraagd om agent van Buitenlandse Zaken te worden, de voorloper van het huidige ministerie.

Onder het bewind van de patriotten wordt een nieuwe richting ingeslagen: Nederland moet democratischer. Daarbij krijgen ze steun van de Fransen. Maar dat pact blijkt, zeker na de Franse Revolutie, desastreuze gevolgen te hebben voor het Nederlandse bestuur. Langzaam wordt duidelijk dat Frankrijk de kleinere Bataafse Republiek wil inlijven. Waldeck: ‘Daarna verdween de liefde van de patriotten voor Frankrijk heel erg snel. Van der Goes moest het onderste uit de kan halen om dat proces van annexatie te frustreren.’

Wie is die Van der Goes? Wat maakt hem zo leuk?

‘Van der Goes was noch patriot, noch orangist. Hij zocht naar partijen waarmee hij kon samenwerken. Dat maakte hem verdacht. Ook toen was het geen tijd voor grootse visies. Hij was de meest geïnformeerde man van Den Haag. Wat ik leuk vind aan de man is dat hij ontzettend knorrig kon zijn. Tot driemaal toe dreigde hij om zelf op te stappen, omdat hij zich niet kon vinden in het regeringsbeleid. Dan probeerde de regering hem weer binnenboord te houden. Hij zat niet aan het pluche gekleefd. Dat vind ik geestig.

De portefeuille van Van der Goes zou je ook kunnen typeren als ‘ministerie van Franco-Bataafse betrekkingen’. Samen met ambassadeur Rutger-Jan Schimmelpenninck (1761-1828) lukte het hem om Frankrijk zo lang mogelijk van Nederland af te houden.’

Uit uw boek maak ik op dat een Franse annexatie onafwendbaar was?

‘Dat was ook zo: het moest op een gegeven moment wel fout gaan. Dat had Van der Goes al snel door, maar opgeven was geen optie. Tegelijkertijd waande de Republiek zich nog steeds een belangrijke mogendheid op het wereldtoneel. Van der Goes moest de grote ambities van de regering temperen.

Een cruciaal moment voor de Bataafse Republiek was de machtsgreep van Napoleon Bonaparte (1769-1821). Schimmelpenninck was inschikkelijk wat Napoleon betreft, Van der Goes was terughoudender. Toen Napoleon naar Brussel kwam, in 1803, maakte hij snel duidelijk hoe hij over het Frans-Bataafse bondgenootschap dacht. Naar verluidt zei hij: “De Bataafse Republiek is een satelliet van mijn planeet.” Dat was volgens mij een kentering.’

‘Napoleon dacht dat de Bataafse Republiek zo rijk was als Croesus, en vroeg voortdurend om financiële en militaire steun voor zijn campagnes. Die kreeg hij, naar zijn mening, onvoldoende. Er was wel veel geld in Nederland, maar dat was veelal in handen van Amsterdamse kooplieden. Die betaalden relatief weinig belasting en hadden hun geld als leningen uitstaan in het buitenland. De staat zelf was zo arm als Job, om de vergelijking af te maken.’

Was de diplomatie van Van der Goes geen verspilde moeite?

‘Nee, dat is niet helemaal zo: die Republiek heeft het nog erg lang volgehouden. De Fransen hebben lang aangedrongen voor ze de macht daadwerkelijk overnamen. Dat vertragen is een diplomatiek spel, dat in wezen nog steeds wordt gespeeld.’

Zijn er overeenkomsten tussen het ministerie van Buitenlandse Zaken nu en in de achttiende eeuw?

‘De verschillen zitten in de organisatie. Die is nu totaal anders. Maar dat is ook logisch, met internet gaat alles veel sneller. Van der Goes kwam er bijvoorbeeld pas na een maand achter dat de stadhouder was afgezet omdat hij zelf in Madrid zat. Maar er zijn ook dingen hetzelfde. Nederland is als economische mogendheid altijd veel sterker geweest dan als politieke mogendheid. Dat zag je toen, en nu weer.

Is Halbe Zijlstra, de nieuwe minister van Buitenlandse Zaken, een waardig opvolger van Van der Goes?

‘Je kunt accenten leggen als minister van Buitenlandse Zaken, maar mijn stelling is dat het buitenlandbeleid al vierhonderd jaar hetzelfde is. Onze buitenlandpolitiek bestaat bij de gratie van de handel. Wat heb je daarvoor nodig? Vrede, stabiliteit en een internationale rechtsorde. Het is eerst de koopman, en dan de dominee. Dat moet ook Halbe Zijlstra blijven doen. Als kleine mogendheid met een groot financieel-economisch potentieel moeten we niet alleen de lusten najagen, maar ook bereid zijn invloed te verwerven met het dragen van lasten.

Meestal is er consensus over buitenlandse politiek. Dus waarschijnlijk gaat Zijlstra het beleid van Koenders of Timmermans voortzetten, alleen misschien iets meer als koopman dan als dominee.

Diplomatieke ervaring is niet per se nodig. Zijlstra heeft natuurlijk een ambtelijk apparaat, daar zit de ervaring. De diplomaten moeten hem min of meer gidsen. Wat wel een voordeel is, is een minister die langere tijd zit. Dan wordt hij bekender. Die anciënniteit zorgt voor extra gewicht, dat zag je ook bij Van der Goes.’

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.