#MeToo

Gezond verstand ontbrak bij onterechte melding intimidatie

Door Hilde Veraart-Maas - 13 december 2017

Een hbo-studente doet onterecht melding van seksuele intimidatie door een docent. Een deskundigenonderzoek dat aan alle kanten rammelt. Waar blijft ieders gezond verstand?

#MeToo heeft wereldwijd geleid tot een niet te stuiten stortvloed aan beschuldigingen inzake seksuele intimidatie. Een carrière kan binnen een week gebroken zijn: schuldig zonder rechter. Wie kan met zekerheid zeggen of dit terecht is of niet?

Zeker, het vraagt veel moed om aangifte te doen of om officieel een klacht in te dienen. Sociale media werken versnellend: de hashtag #MeToo is nu al ruim 17 miljoen keer gebruikt in 85 landen. Door de relatieve internet-anonimiteit van #MeToo is de drempel verlaagd om iemand aan de schandpaal te nagelen, de beschuldigingen stromen massaal binnen. De grenzen zijn inmiddels ook opgerekt: het gaat niet alleen meer over seksuele agressie en intimidatie maar nu ook al over ‘grensoverschrijdend gedrag’.

Veel van die vaak ernstige beschuldigingen en aangiften zullen zonder meer gegrond zijn en persoonlijke drama’s bevatten. Toch, nu de aantallen beschuldigingen met de dag groeien, vraag ik me steeds meer af of al die meldingen wel zo gegrond zijn. De keerzijde van elke melding is dat een beschuldigde direct en publiekelijk aan de schandpaal worden genageld. Die ‘dader’ krijgt levenslang, want zijn leven én dat van zijn gezin worden te gronde gericht. Volgens een volkswijsheid weten we immers dat ‘waar rook is, ook vuur zal zijn’.

Vanwaar mijn aarzeling?

Wij leven in een rechtsstaat waarin waarheidsvinding, inclusief het recht op hoor en wederhoor, vooropstaat: iemand is onschuldig totdat zijn schuld is bewezen.

Is iemands schuld in een zedenzaak onherroepelijk bewezen? De straf kan mij niet hard en hoog genoeg zijn. Het slachtoffer moet een leven lang zien te dealen met die afschuwelijke ervaring.

Hoe vaak een aangifte of een beschuldiging onterecht is, is niet met zekerheid te zeggen. We kennen alleen het topje van de ijsberg aan bewezen onterechte aangiften. Wat we zeker weten, is dat van alle aangiften van verkrachting 5 procent bewezen vals is: vijf keer zo hoog als in andere strafzaken. Dit percentage geeft de omvang niet correct weer: verkrachting is namelijk maar één vorm van seksuele agressie en dan hebben we het nog niet over seksuele intimidatie of ongewenste intimiteiten.

Daar staat tegenover dat alleen al bij de politie regio Limburg Noord en Midden (januari-september 2011) 450 meldingen van zedendelicten binnenkwamen, resulterend in 96 aangiften (21 procent). Het merendeel van deze meldingen is niet doorgezet, wat niet betekent dat de melding onjuist was. Meld(st)ers kunnen om diverse redenen afhaken na de melding, bijvoorbeeld omdat zij opzien tegen de lange en pijnlijke juridische procedure waarin zij alles weer expliciet herbeleven, de zogeheten ‘tweede verkrachting’. De 5 procent bewezen valse aangiften van verkrachting zegt te weinig over alle zedenzaken. Dat 79 procent van de meldingen niet in een aangifte wordt omgezet, is ook geen goede indicatie voor onterechte aangifte.

Harvey Weinstein is plots een paria in Hollywood

Lees ook dit veelgelezen commentaar van Elif Isitman:

#MeToo: stop onnodige heksenjacht op mannen >

Bovendien wil vrijspraak of seponeren evenmin zeggen dat er sprake was van een onterechte beschuldiging. Daarvoor moet onschuld komen vast te staan en dat maakt het juist zo gecompliceerd. Justitie vervolgt (nagenoeg) nooit wegens valse aangifte en vermeende slachtoffers komen vrijwel nooit op hun verhaal terug.

Chris Veraart: advocaat en Valse Zeden

Chris Veraart (1944-2014) was advocaat strafrecht, gespecialiseerd in zedenzaken. Hij beschrijft zijn ervaringen in het boek Valse Zeden. Hij krijgt in zijn praktijk te maken met onterechte aangiften en vanuit zijn drang naar waarheidsvinding stelt hij zich in elke zaak consequent de vraag: ‘Wie is hier slachtoffer?’ Hij onderscheidt vier soorten aangiften:

  • de verzonnen zedenzaak: de aangeefster wil de dader treffen of wraak nemen;
  • de mislukte vrijage: er is wat gebeurd met beider instemming, maar achteraf krijgt één van de twee spijt of voelt zich slecht behandeld;
  • de uit de hand gelopen vrijage, waarin de schuldige wel te ver is gegaan, maar waar nog geen sprake is van ernstige aanranding of verkrachting;
  • de ernstige zedenzaak, zoals verkrachting, incest of kinderporno.

Wat brengt iemand ertoe om een ander zomaar te beschuldigen of een onterechte aangifte te doen? Er is iets vervelends, schaamtevols of onwenselijks gebeurd. Je praat erover met familie of vrienden en geeft in je verhaal de ander daarvan de schuld. Het verhaal wordt groter en groter, je omgeving gaat om je heen staan en dan kun je eigenlijk al niet meer terug. Aangifte volgt, het verhaal komt zwart op wit te staan maar dat verhaal over seksuele intimidatie, aanranding of verkrachting is uitgegroeid tot een overaangifte. Het vermeende slachtoffer krijgt alle steun en sympathie van familie, vrienden en kennissen, hulpverleners, politie en justitie.

Daarentegen moet de beschuldigde zijn onschuld maar zien te bewijzen. Hoe dan ook heeft hij de schijn tegen en hij loopt aan tegen onbegrip, vooroordelen, agressie en (volks)woede. Hij kan zich nauwelijks verdedigen en wat hij ook doet of zegt: het is altijd fout en verdacht. Op voorhand is de beschuldigde al veroordeeld.

Ivonne Leenhouwers heeft de zedenpraktijk van Chris Veraart na zijn overlijden voortgezet. Zij constateert dat het nog gecompliceerder is geworden om weerwoord te geven omdat tijdens de procedure het gevoel sterk leeft dat een ‘tweede verkrachting’ moet worden voorkomen. ‘Je mag al bijna geen kritische vragen meer stellen want dat zou de indruk wekken dat je de beschuldiging niet serieus zou nemen. Hoe begrijpelijk het ook is dat men het “slachtoffer” geen extra schade wil toebrengen, als het om ontkennende verdachten in zedenzaken gaat schuurt dit.’ Kortom: hoe kun je als onterecht beschuldigde je onschuld nog bewijzen?

De redenen om onterechte aangifte te doen verschillen van rancune of spijt achteraf tot een verkeerde uitleg van signalen of bezorgdheid en beschermingsdrang (waar het gaat om jonge kinderen). Wat het extra lastig maakt is het feit dat er bij seksuele gedragingen meestal geen directe getuigen zijn. Daarom is aandacht voor achtergrond en ontstaansgeschiedenis van een beschuldiging zo belangrijk, steeds vanuit de vraag: ‘Als het inderdaad niet waar is, zoals u zegt, waarom zegt iemand dat dan?’ Dit stelt hoge eisen aan bewijsvoering en onderzoek.

Aangifte en beschuldiging van seksuele intimidatie en agressie spelen zich af in drijfzand: vage scheidslijnen en gecompliceerde bewijsvoering terwijl de motieven tot aangifte niet altijd zuiver zijn. Bovendien gaat  de sympathie op voorhand uit naar het ‘slachtoffer’; de vermeende dader loopt vaak tegen onbegrip en vooroordelen op. Juist omdat de emoties bij alle partijen hoog kunnen oplopen is waarheidsvinding bij de bewijsvoering cruciaal.

Hoe belangrijk waarheidsvinding is laat ik zien aan de hand van een contra-expertise. Het is een evaluatie van een onderzoek naar de beschuldiging van seksueel intimiderend gedrag door een docent op een hogeschool, ingediend door drie studentes en uitgevoerd door een externe onderzoekscommissie.

Mag ik je voorstellen aan Martin?

Ik noem hem Martin. Martin was achter in de vijftig en jarenlang een gewaardeerd docent in een creatief vak op een hogeschool. Drie studentes hadden hem hadden beschuldigd van seksuele intimidatie. Zij werden daarin gesteund door twee docentes. Hangende het onderzoek was Martin nu al bijna een jaar op non-actief gesteld. Hij had de schooldirecteur meer dan eens om een gesprek gevraagd maar die wilde uitsluitend nog formeel en schriftelijk met hem communiceren. Collega’s meden hem, ouders dreigden hun kinderen van school te halen, vrienden haakten af en tot zijn verdriet werden ook zijn vrouw en kinderen nu met de nek aangekeken.

De hogeschool had een groot, gerenommeerd én ter zake gespecialiseerd adviesbureau in de arm genomen om de beschuldigingen te onderzoeken. Het bureau stelde een onderzoekscommissie in van drie medewerkers van het adviesbureau onder voorzitterschap van een jurist.

Na maanden van onzekerheid en stilzwijgen voor Martin had de onderzoekscommissie het rapport eindelijk afgerond; dit zou als bewijsstuk worden ingebracht bij de ontslagaanvraag door de hogeschool. Hij kreeg schriftelijk de mogelijkheid op het rapport te reageren. Nadat Martin zijn exemplaar had bestudeerd had hij sterk het gevoel dat het op veel punten rammelde maar hij kon er de vinger niet goed achter krijgen. Martin vroeg mij of ik als socioloog het onderzoeksrapport van de commissie wilde evalueren: een contra-expertise. Hij wist dat ik alleen een uitspraak zou kunnen doen over de deugdelijkheid van het onderzoeksrapport.

Martin was niet uit op een geldelijke (schade)vergoeding of juridische genoegdoening. Hij wilde maar een ding: rehabilitatie.

Wat kwam ik tegen in het onderzoek door de commissie?

Voordat ik iets kan zeggen over mijn bevindingen zal ik in het kort schetsen aan welke eisen een goed onderzoek moet voldoen. De methodologische details zijn taai en voeren hier ook te ver. Wat telt is dat goed onderzoek moet voldoen aan twee criteria:

  1. Validiteit gaat over de inhoud: meet het meetinstrument wat je wilt weten? Voorafgaand aan het verzamelen van gegevens wordt vastgesteld of de onderzoeksstrategie het zogenaamde ‘begrip zoals bedoeld’ kan weerspiegelen. En is het ‘begrip zoals bedoeld’ dusdanig operationeel gemaakt dat het begrip ook echt gemeten kan worden: ‘het begrip zoals bepaald’?

Validiteit hangt af van de mate waarin de meting vrij is van systematische fouten. Systematische fouten hebben bijvoorbeeld te maken met de neiging tot sociaal wenselijke antwoorden of met beïnvloeding van de geïnterviewde. De onderzoeker kan zelf ook bewust of onbewust de resultaten beïnvloeden door bijvoorbeeld wel of niet doorvragen, het toevoegen of overslaan van vragen, zijn eigen non-verbale gedrag of door zijn waarneming en interpretatie van uitingen of gedrag van de geïnterviewde.

  1. Betrouwbaarheid heeft te maken met de stabiliteit van het onderzoeksresultaat. Zou het onderzoek herhaald worden, komen dan dezelfde resultaten naar voren?

Zo heb ik de contra-expertise langs twee sporen aangepakt: (1) een analyse van de validiteit en betrouwbaarheid van het onderzoek volgens het rapport en (2) een volledige analyse van de interviews.

Wat ik tegenkwam was een aaneenschakeling van systematische fouten.

  1. Het begrip ‘seksuele intimidatie’ werd in het onderzoek niet gedefinieerd, impliciet ging de commissie uit van ‘verbale seksueel getinte dan wel erotiserende uitingen’. Een heldere definitie was echter nodig om het begrip te vertalen naar concreet gedrag.

Dat had moeiteloos gekund; er waren meer dan genoeg formele documenten die zich hierover uitspraken  (waaronder de Arbeidsomstandighedenwet en uitspraken door de Arbeidsinspectie). Zonder definitie en operationalisering bleef onduidelijk wat de commissie ging onderzoeken zodat alles naar willekeur kon worden geïnterpreteerd.

  1. Kennelijk heeft de commissie gekozen voor ‘open, ongestructureerde interviews’ met de meldsters, maar zonder heldere indicatoren van het bedoelde gedrag zijn open interviews ongeschikt voor dit doel. De verkregen informatie is nu willekeurig en onderling niet vergelijkbaar.
  2. De interviews zijn aantoonbaar niet objectief of onafhankelijk uitgevoerd. De vragen zijn zelfs suggestief, de commissie vraagt niet door op relevante informatie waar bijvoorbeeld twijfel bij de geïnterviewde uit spreekt (… ‘dat weet ik niet, maar dat zou kunnen…’, de commissie vraagt niet door op eigen en onderling tegenstrijdige uitspraken door meldsters, de commissie vraagt niet door op termen als macht, angst of onveiligheid; de commissie neemt de vele interpretaties, vermoedens, oordelen en veroordelingen voor lief. De commissie neemt ‘het gevoelsniveau’ (‘het voelt gewoon onveilig…’) als een vrijbrief aan zonder enige poging tot nadere onderbouwing.

Gertjan van Schoonhoven over de zaak Brandt Corstius:

Hilversum heeft nu z’n eigen MeToo-puinhoop >

Hetzelfde beeld komt naar voren uit de verslagen van de interviews. Ik heb alle gespreksverslagen geanalyseerd op gesprekstechnische interventies door de commissie en alle verslagen ook onderling vergeleken. De verslaglegging is niet systematisch opgezet, zodat de analyse beperkt blijft tot die gespreksinterventies die in het verslag te traceren zijn, maar dat laat al genoeg zien. Het blijkt dat:

  • de vragen en het verloop per interview anders zijn;
  • de commissie veelvuldig suggestieve vragen stelt (‘Gevraagd of mevrouw B het niet vreemd vond dat ….’) en zo woorden in de mond van meldsters legt; sommige van die vragen zijn bovendien irrelevant en zelfs impertinent (‘Gevraagd of Martin wel eens vroeg wat zij (op seksueel gebied) met haar vriendje deed, …… ‘)
  • de commissie uitsluitend doorvraagt naar seksueel/erotisch getinte uitspraken of gedrag: ‘Gevraagd of hij deze vragen stelde met een seksuele ondertoon, antwoordt mevrouw H. bevestigend. Zij acht zichzelf in staat dit ‘haarfijn’ aan te voelen’;
  • op relevante informatie van geïnterviewden niet wordt doorgevraagd. Op diverse punten betreft dit informatie of zelfs twijfel van de geïnterviewden die zou bijdragen aan een vollediger beeld van zowel de aard als de context van de betreffende momenten ‘Gevraagd of zij Martin op zijn gedrag heeft aangesproken, antwoordt mevrouw W. ontkennend. Zij realiseerde zich dat zij het tentamen daadwerkelijk slecht had voorbereid, en vond de beoordeling door Martin om die reden “ergens ook wel terecht”‘ ;
  • de gevoelens ‘macht’, ‘angst’ en ‘onveiligheid’ in alle gevallen als feit worden aangenomen ‘Martin heeft veel macht, onder meer omdat hij beslist over het al dan niet toekennen van studiepunten’; bij geen van de meldsters vraagt de commissie hierop door;
  • de meldsters zich bij veelvuldig uitspreken in termen van vermoedens, interpretaties, oordelen en (ver)oordelingen; in geen der gevallen vraagt de commissie hier door naar gronden of aanleiding;
  • alle meldsters zichzelf en elkaar een of meer keren tegenspreken tijdens het gesprek, waar de commissie volledig aan voorbijgaat;
  • de commissie in niet één interview samenvattingen geeft om structuur in het gesprek te houden.

De invloed van de interviewers op de verworven informatie is zo groot dat van objectiviteit geen sprake meer is. Daarmee is ook de betrouwbaarheid en validiteit van de verworven informatie gering. Conclusies zijn niet meer systematisch te trekken.

Er volgen meer systematische fouten:

  1. De commissie laat na de officiële vertrouwenspersoon te horen. Deze vertrouwenspersoon is deskundig en vrij van persoonlijke belangen. Zij heeft al op basis van de eerste melding laten weten onvoldoende gronden voor een procedure te zien.
  2. Die rol van vertrouwenspersoon is vervolgens ad hoc officieus overgenomen door docente B, die vanuit die hoedanigheid bij alle interviews aanwezig was. (N.B.: het werd de advocaat van Martin niet toegestaan bij de interviews aanwezig te zijn.) Zij gaf meermaals ongevraagd inhoudelijke informatie (‘ik denk dat hij het elk jaar opnieuw doet’; ‘het zit in hem’) in de plaats van de studentes. Maar bovenal: deze officieuze vertrouwenspersoon was tevens een van de meldsters. De commissie laat dit toe.
  3. De commissie heeft het principe van ‘wederhoor’ niet nageleefd. Martin kreeg de mogelijkheid om zich voor de commissie te verweren. Hij doet dat consciëntieus en beschrijft bij elk incident de toedracht helder en duidelijk. Hij ontkent alle aantijgingen die voor hem geen waarheidsgehalte bevatten. Bovenal plaatst Martin elk door meldsters als intimiderend geïnterpreteerd incident zorgvuldig in de algehele context van lesgeven, situatie en omgeving. Zijn verweer is nergens in het onderzoeksrapport terug te vinden;.  De commissie negeert zijn informatie volledig en meent toch te kunnen concluderen:

‘Martin heeft geenszins ontkend dat hij heeft gehandeld zoals in deze voorbeelden omschreven.’

Webcommentaar van Philip van Tijn:

#MeToo verplaatst de rechtszaal naar de tv-studio >

  1. De commissie heeft geen aandacht besteed aan de totale studieresultaten in de klassen van Martin. Martin gaf in het betreffende studiejaar les aan 154 studenten, verdeeld over 8 klassen. 7 studenten (4,5 procent van al zijn studenten) hebben een onvoldoende voor een tentamen gekregen. De drie meldsters hebben een onvoldoende.
  2. Martin doceert een creatief vak. De commissie gaat volledig voorbij aan de eisen en vaardigheden die aan deze functie worden gesteld ten opzichte van bijvoorbeeld een docent Engels.
  3. De voorzitter van de commissie is ‘verstoord’, hij voelt zich gepasseerd en verbindt hieraan de conclusie ‘dat de commissie nu geen verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het onderzoek meer kan garanderen.’ Reden: Martin heeft in een eerder stadium een kort geding aangespannen om zijn initiële schorsing ongedaan te maken.

De voorzitter erkent hiermee dat hij niet langer de noodzakelijke professionele distantie kan bewaren; hij verbindt daar echter niet de voor de hand liggende consequentie aan door zich terug te trekken uit het onderzoek. Hij dient het rapport gewoon in bij de opdrachtgever, in de volle wetenschap dat de hogeschool het rapport als bewijsmateriaal zal inbrengen bij de ontslagprocedure.

De onderzoeksresultaten zijn volstrekt willekeurig. Elke relevante of ontlastende informatie werd stelselmatig genegeerd. Ondanks al deze fouten acht de commissie het in haar conclusies en advies aannemelijk dat Martin zich schuldig heeft gemaakt aan seksueel intimiderend gedrag c.q. seksuele intimidatie. De commissie gaat zelfs uit eigen beweging nog een stap verder: zij geeft de hogeschool ongevraagd het advies zich te beraden of Martin wel gehandhaafd kan blijven als docent: ‘een reële kans op herhaling is te verwachten.’

Op basis van dit rapport heeft de hogeschool de ontslagaanvraag bij het kantongericht ingediend. De dag erna valt mijn contra-expertise in de brievenbus.

Mijn evaluatie van dit onderzoek toont aan dat:

  • Informatieverzameling en bewijsvoering geenszins voldoen aan de methodologische eisen van validiteit en betrouwbaarheid. De vraag in hoeverre Martin ‘seksueel intimiderend gedrag’ aan de dag zou hebben gelegd is aantoonbaar niet beantwoord.
  • De vraag die de commissie meent te moeten oproepen omtrent geschiktheid van Martin als docent niet gestoeld is op onderzoek of feiten, derhalve kan er evenmin enig waarheidsgehalte aan worden toegekend.
  • Nu aan de uitspraken, uitkomsten en adviezen van de commissie geen waarheidsgehalte kan worden toegekend het rapport de hogeschool geen deugdelijke gronden biedt om beëindiging van de arbeidsverhouding met Martin te initiëren.

Een ‘happy’ end?

Na ontvangst van mijn contra-expertise heeft de jurist van de hogeschool de al ingediende ontslagaanvraag binnen drie dagen bij het kantongerecht ingetrokken. Binnen drie dagen nam de schooldirectie het initiatief tot overleg. Martin werd volledig en publiekelijk gerehabiliteerd. Hij mocht zijn werk met onmiddellijke ingang hervatten. Dit kon hij niet meer opbrengen. Hij besloot te verhuizen en is de laatste jaren tot aan zijn pensionering freelance aan de slag te gaan. Er komt een financiële regeling aangaande zijn pensioenopbouw en de kosten die Martin voor eigen rekening heeft gemaakt voor de contra-expertise zijn volledig vergoed.

Martin leeft nu, met zijn gezin, in betrekkelijke rust, maar loslaten zal het hem nooit meer.

Naast de door Martin aangeleverde studieresultaten wordt ook uit de fragmentarische gespreksverslagen duidelijk dat een van de studentes een onvoldoende had gekregen. Zij heeft zich niet gewend tot de examencommissie, passeerde de officiële vertrouwenspersoon en maakte geen gebruik van het klachtrecht. Zij wist twee vriendinnen mee te krijgen deze procedure in te zetten, gesteund door twee docentes waarvan tenminste één een dubieuze rol speelde.

Mijn conclusie

Zo simpel is het dus: éen jongedame is gefrustreerd omdat zij als een van de weinigen een onvoldoende kreeg en wil de in haar ogen verantwoordelijke man laten boeten.  Zonder enige moeite kon zij de molen in werking zetten. Niemand stelde de voor de hand liggende vragen: waarom niet de officiële vertrouwenspersoon? Ben je al bij de examencommissie geweest? Waarom niet het klachtrecht? Waar bleef de professionele nieuwsgierigheid en distantie van het gespecialiseerde bureau? Wat was er met ieders gezonde verstand, zelfreflectie én verantwoordelijkheidsbesef gebeurd? Chris Veraart zei het al: alle sympathie gaat uit naar het ‘slachtoffer’, de beklaagde loopt tegen muren op.

Martin had nog de vechtlust om op de enig hem nog openstaande manier steun te zoeken door de juridische bewijsvoering te laten toetsen. Zonder dat  had de kantonrechter af moeten gaan op het onderzoekrapport uitgebracht uit naam van het adviesbureau. Nu werd hij volledig gerehabiliteerd.

Staat de ervaring van Martin op zichzelf? Is het toeval? Of domme pech? Helaas: nee!

Martin representeert de achterkant van het gelijk in onterechte beschuldigingen. En binnenkort ook van het #MeToo-gelijk. Nu de #MeToo-beweging niet meer te stuiten lijkt zullen er nog veel meer Martins en Martines gaan komen. We zien dat vijf procent van de aangiften, alleen al in verkrachtingszaken, bewezen onterecht zijn. Als we dit conservatieve percentage extrapoleren naar de miljoenen beschuldigingen via #MeToo, dan zouden op elke miljoen beschuldigingen minimaal vijftigduizend daarvan onterecht zijn.

Uit deze casus blijkt wel dat vooral de onderzoekscommissie met haar vooringenomenheid en gebrek aan professionele distantie de zwakste schakel is. Daarom doe ik een dringend beroep op iedereen die persoonlijk, maar vooral professioneel betrokken is bij een melding, klacht of aangifte. Daarmee denk ik dan aan familie en vrienden, maar zeker ook aan management, Human Resources Management, vertrouwenspersonen en directie binnen organisaties. Bovenal doe ik op alle professionals binnen ambtelijke, hulpverlenende, onderzoekende en justitiële instanties het beroep om professioneel, kritisch en autonoom te blijven denken en handelen. Alleen dan is er kans op waarheidsvinding.

Als die waarheidsvinding niet zorgvuldig tot stand komt voorzie ik namelijk nog een negatief bijkomend effect: naarmate meer beschuldigingen halfslachtig of vals blijken maakt dit de weg voor diegenen met een werkelijk gegronde beschuldiging alleen nog maar moeizamer en pijnlijker.

 

Mijn dank gaat uit naar de echte “Martin”, die mij zijn volledige vertrouwen heeft geschonken.

Chris Veraart zeg ik postuum dank omdat hij ons, tegen alle politieke correctheid in, inzicht heeft gegeven in de schokkende aard en werking van onterechte aangiftes.

Ook dank aan Wouter Veraart, hoogleraar rechtsfilosofie Vrije Universiteit, aan Ivonne Leenhouwers, advocaat zedenzaken en aan André de Zutter, rechtspsycholoog Vrije Universiteit / Universiteit Maastricht, voor hun meedenken en beantwoording van al mijn vragen.

Opmerking van de auteur: de naam Veraart komt meerdere keren voor. Er is inderdaad een familierelatie. Chris Veraart was een neef van mijn man Gijs Veraart. Chris  overleed in 2014. Wouter Veraart is de oudste zoon van Chris; hij was actief betrokken bij het schrijven van het boek Valse Zeden.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.