Philip van Tijn

Burgemeester Van Hall verdient formeel eerherstel

Door Philip van Tijn - 08 januari 2018

De afgelopen week was (voor Nederland althans) de week van rapper Boef en klapper Camiel. Allebei natuurlijk klein bier. Twee omhooggevallen, zichzelf overschattende mannetjes, met beperkte bagage.

Voor mij was dit de week van mr. Gijs van Hall, wiens noodzakelijke eerherstel een stapje dichterbij kwam.

Van Hall was burgemeester van Amsterdam van 1957-1967. Opvolger van Arnold Jan d’Ailly, een joviale man, die destijds dezelfde heldenstatus bereikte als in onze dagen Eberhard van der Laan.

Vergeleken met zijn voorganger was Van Hall een wat stijve, formele man. PvdA’er maar tegelijk heer van stand, ongeveer zoals burgemeester Schelto Patijn in de jaren negentig, al bezat deze eerder de jovialiteit van D’Ailly.

Negen jaar lang was Van Halls burgemeesterschap een succes. Hij wist bij opeenvolgende regeringen voor Amsterdam belangrijke zaken binnen te halen, zoals de financiering van de IJ-tunnel en van de universiteit, plus de annexatie van de Bijlmerpolder om de woningnood in de hoofdstad op te lossen. Daarbij is het goed te beseffen dat ‘Den Haag’ toen behoorlijk Amsterdam-vijandig was. Van Halls succes berustte op zijn goodwill, op het feit dat hij voor een Amsterdammer zo’n nette man was, op zijn knappe lobbywerk en op zijn gelijktijdige lidmaatschap van de Eerste Kamer (wat al sinds lang is uitgesloten).

Het laatste jaar van Van Hall was rampzalig

Zijn laatste jaar was een ramp. Midden jaren zestig brak een nieuwe tijd aan en de ‘regent’ Van Hall (generaties Amsterdams patriciaat) was daar niet op gebouwd. Het huwelijk van prinses Beatrix en Claus van Amsberg met de befaamde rookbommen haalde de wereldpers, het bouwvakkersoproer kostte een leven, de provo-happenings en -rellen leken de stad te ontwrichten.

Op al deze en andere gebeurtenissen en ontwikkelingen reageerde Van Hall niet adequaat. Demonstraties met de yell ‘Van Hall ten val!’ leidden inderdaad zijn val in. Op 9 mei 1967 ontsloeg het op 5 april aangetreden kabinet-De Jong de Amsterdamse burgemeester, zeker op dit niveau een ongekend feit.

Van Hall had tevoren, volkomen terecht, geweigerd ‘de eer aan zichzelf te houden’ zoals dat zo vals heet. Zijn uitspraken ‘Barbertje moet hangen’ (op weg naar het gesprek met premier Piet de Jong) en ‘Ik laat mij niet als een oneerlijke keukenmeid wegsturen’ zijn beroemd geworden.

Had iemand anders dan Van Hall het beter gedaan?

Dankzij een recent verschenen biografie en de openbaarmaking van stukken die tot 2018 geheim moesten blijven, staat de affaire-Van Hall weer in de belangstelling. Gelukkig, want zijn wegsturen is een niet op waarde geschatte zwarte bladzijde in onze naoorlogse geschiedenis.

Verscheidene aspecten in deze zaak zitten mij al een halve eeuw dwars. Om te beginnen is het zeer de vraag of iemand anders het beter zou hebben gedaan. De nieuwe tijd verraste iedereen en zeker de gezagsdragers. Niemand kon omgaan met de provocaties van provo en de anti-Oranje-gevoelens bij veel jongeren. En het was de regering die had doorgedrukt dat het huwelijk van prinses Beatrix en Claus in Amsterdam en nergens anders moest plaatshebben. Tegen het nadrukkelijke advies van Amsterdam in en – zoals een aantal jaren geleden onthuld – ook tegen het advies van Beatrix en Claus zelf.

Het ontslag van Van Hall is een schoolvoorbeeld van spierballenpolitiek, zoals deze wel meer wordt gehanteerd door weinig heldhaftige mensen. Onder hen reken ik niet premier Piet de Jong. Bij hem speelde vermoedelijk een rol dat hij net een maand in politiek Den Haag was neergedaald.

De grote boosdoener is de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken, mr. Henk Beernink, die dit allemaal heeft doorgedrukt. Leider van de gezichtsloze CHU, na een weinig glanzende ambtelijke carrière, die hem voerde van commies in Papendrecht en Almelo naar hoofdcommies in de gemeente Rijswijk, waar hij vervolgens 22 jaar lang gemeentesecretaris was, om plotsklaps minister te worden. Een klein, miezerig mannetje dat plotseling veel macht kreeg – zoals bekend een gevaarlijke combinatie.

Van Hall was wél dapper in de oorlog

Gijs van Hall was vermoedelijk op weg naar een glanzende bankierscarrière, toen de oorlog uitbrak. Via zijn broer Walraven raakte hij betrokken bij het verzet. Samen wisten zij op ingenieuze wijze het verzet te financieren. Nog dit jaar, of in 2019, zal een film hierover, Bankier van het verzet, in de bioscoop komen.

Broer ‘Wallie’ werd verraden en gefusilleerd, Gijs wist maar net te ontkomen, maar zou de rest van zijn leven de dood van zijn jongere broer meedragen.

In diezelfde jaren 1940-1945 zat Hendrik Karel Jan Beernink als hoofdcommies op de gemeentesecretarie van Rijswijk. En lagen de demonstranten die ‘Van Hall ten val!’ riepen nog in de luiers of waren nog niet geboren. Maar zij kunnen zich er op beroemen dat zij heel dapper waren een kwart eeuw de oorlog tegen een man die heel dapper was in de oorlog.

Een monument (voor Walraven) is er al, boeken zijn verschenen, een tentoonstelling is enkele jaren geleden geweest (in het Verzetsmuseum) –  het wordt langzamerhand wel tijd voor een echt formeel eerherstel.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.