Ontspullen

De deeleconomie van de jaren ’50

Door Gastauteur - 27 november 2018

Nu wordt er veel gepraat over ‘delen’, in de naoorlogse jaren van schaarste deden Nederlanders het gewoon. Van tv tot tandenborstel.

In een kerstverhaal voert de Engelse schrijfster Jeannette Winterson een eigentijdse Kerstman ten tonele. Die komt met een zak vol spullen (badzout, sokken, gebakken knoflook in olijfolie, een borduurset, porseleinen varkentjes) een huis uit en loopt de bewoners tegen het lijf. Die schrikken. De Kerstman stelt hen gerust en legt uit dat het tegenwoordig de omgekeerde wereld is. ‘Vroeger lieten we altijd cadeaus achter omdat de mensen niet veel bezaten. Nu heeft iedereen zoveel spullen dat mensen ons schrijven en vragen of we ze kunnen komen ophalen. Je hebt geen idee hoe goed het voelt als je op kerstochtend wakker wordt en ontdekt dat alles is verdwenen.’

Welke cadeaus moet je geven in een tijd dat ‘ontspullen’ de trend is?

December werd cadeaumaand en plaatst mensen in het rijke Westen voor een tot voor kort ongekend probleem. Wat moet je in een tijd dat ‘ontspullen’ en ‘ontzooien’ de trend is, geven aan familie, vrienden of personeel? Die hebben alles al en zitten er zowel figuurlijk als letterlijk warmpjes bij.

Dat was in het naoorlogse Nederland anders. Zo vertelde Remco Campert (1929) in een Volkskrant-column dat hij in de jaren vijftig op bezoek ging bij zijn vriend Gerrit Kouwenaar (1923-2014). Behalve een halveliterfles jenever bracht hij ook een zakje antraciet mee. Die kolen waren uiterst welkom, want Campert trof zijn vriend, dik ingepakt in truien en een winterjas, achter zijn schrijftafel aan bij een ‘uitte kachel’. Dankzij de kolen kon de schoorsteen weer even roken.

Of neem mijn ouders. Toen zij zich eind 1947 verloofden, moesten ze, net als alle andere jonge stellen, jaren sparen voor een uitzet. In een schrift hielden ze nauwgezet bij hoe die van hen langzaam groeide. In hun schrift zijn de cadeaus te herkennen aan de naam van de goede gever. Van Sinterklaas kregen ze een hark, een schoenleest en een appelmoeszeef. Van collega’s kreeg mijn vader voor zijn verjaardag een zeepklopper, kurkentrekker, zeef, knijpers (15 stuks) en een pannenspons. Mijn moeder kreeg op de hare een zeemleren lap van haar moeder, een kachelhaakje van haar vader en twee koektrommels van haar schoonfamilie.

Het meest interessant en illustratief vind ik de spullen die ze zelf aanschaften. Daar staat namelijk de prijs bij. Vergiet 2,45 gulden; zwabber met stok 2,24 gulden; aardappelschilmandje 3 gulden; wekker 10 gulden. Wanneer je weet dat mijn vader indertijd als ‘eersteklas handzetter’ 93 cent bruto per uur verdiende en hij dus meer dan één dag moest werken om een wekker te kunnen kopen, zie je pas hoe duur huisraad toen was.

‘Apparatuur was kostbaarder dan het arbeidsloon’

Ook apparaten en machines waren verhoudingsgewijs duur. Een in 1937 geboren timmerman vertelde me waarom zijn baas in de jaren vijftig weinig behoefte aan elektrische boormachines had. ‘Bij een klant thuis was het te veel gedoe om eerst een snoer uit te rollen, een stopcontact te zoeken en dan een paar gaatjes te boren. Dat ging net zo gemakkelijk met een handboor. Ook was apparatuur kostbaarder dan het arbeidsloon. Daarom maakte het niet uit dat boren met de hand veel tijd kostte.’

De tijden zijn veranderd. Nederland werd steeds rijker, met als onvermijdelijk bijproduct dat arbeid almaar duurder werd. Daarnaast zijn productietechnieken geautomatiseerd en/of uitbesteed aan lagelonenlanden, en wordt de productie steeds efficiënter. Deze twee elkaar versterkende ontwikkelingen zorgden ervoor dat de schaarste uit de jaren vijftig heeft plaatsgemaakt voor een overvloed aan vrijwel alle spullen die machinaal kunnen worden vervaardigd.

Veel van die dingen liggen in de kast, staan op zolder of in de schuur, en worden niet of nauwelijks gebruikt. Gevoegd bij het besef dat we te veel consumeren, heeft dat geleid tot pleidooien voor een ‘deeleconomie’, waarbij gezamenlijk gebruik centraal staat. Nieuw is dat vraag en aanbod vaak via internetplatforms op elkaar worden afgestemd, maar verder is het toch vooral oude wijn in nieuwe zakken. Zeker wanneer je ziet hoe in de naoorlogse jaren mensen met schaarste omgingen.

Meeste vrouwen konden hooguit dromen van eigen wasmachine

Toen midden jaren vijftig het gemiddelde weekloon 50 à 100 gulden bedroeg en een wasmachine 400 tot 600 gulden kostte, konden de meeste vrouwen hooguit drómen van een eigen wasmachine. Maar een machine húren voor één dagdeel per week, konden ze wel. Overal in Nederland waren verhuurbedrijven die de wasmachines op een bakfiets kwamen brengen. Sterke mannen sjouwden de apparaten de huizen in, desnoods de trap op. Dat kon, want in de machines zaten geen centrifuges met zware stabilisatoren, maar alleen een wringer.

Begin jaren zestig deed een hele buurt met één televisietoestel. Alle kinderen uit de straat zaten op woensdag- en zaterdagmiddag in de huiskamer van de ene familie die al wel televisie had en samen keken ze naar Pipo de Clown of Swiebertje. Voor hun vaders waren voetbalinterlands of Europacupwedstrijden het signaal om naar buren met televisie te gaan. Daar werd de kamer omgebouwd tot huisbioscoop en zat het bezoek op geïmproviseerde bankjes, gemaakt van op kratten gelegde planken.

Toen eind jaren zestig platen en geluidsinstallaties nog duur en schaars waren, vervulde het hippe tijdschrift Hitweek een soort makelaarsfunctie. Lezers met een goede geluidsinstallatie en een mooie collectie underground-lp’s konden zich in de rubriek ‘Luisterkorps’ melden, zodat anderen naar hen toe konden gaan voor een ‘luisteravond’. Tom Steenbergen (1949), popliefhebber en auteur van Pop­pioniers, maakte zo vrienden voor het leven. ‘Ik had lp’s van Bob Dylan, Jimi Hendrix, The Doors en Velvet Underground. Mensen kwamen bij mij thuis om een hele avond daar samen naar te luisteren.’

Het goede leven Na haar bestseller Gouden jaren publiceerde Annegreet van Bergen onlangs Het goede leven (Atlas Contact, € 19,99). Hoe de welvaart Nederland totaal veranderde.

Ook nu heeft het nog iets sympathieks om zo schaarse spullen te delen. Maar bij sommige vormen van ‘deeleconomie’ kunnen we ons niets meer voorstellen. Zo kwam er midden jaren vijftig een boer in de winkel bij een drogist in Elst, in de Betuwe. Voor het eerst van zijn leven wilde hij een tandenborstel kopen. Maar dan moest het er wel eentje van uitstekende kwaliteit zijn. ‘Want,’ zo zei hij, ‘het hele gezin gaat ermee poetsen.’

Ook niet meer voor te stellen is dat de directeur van een mulo in 1967, in een tijd van grote personeelskrapte, sollicitanten lekker probeerde te maken met een niet onbelangrijke secundaire arbeidsvoorwaarde: de school was in het bezit van een elektrische boor en het personeel mocht ook thuis van die boor gebruik maken. Nu scholen opnieuw kampen met tekorten aan leraren, gaan schoolleiders echt niet meer proberen om leerkrachten met gratis (gebruik van) elektrische apparaten te lokken. Met gratis diensten van een opruimcoach gooien ze hogere ogen. Die kunnen Nederlanders goed gebruiken.

 

Annegreet van Bergen Econoom en journalist. Werkte voor de Volkskrant en Elsevier Weekblad. Naast Het goede leven (2018) publiceerde ze De lessen van burn-out (2000) en Gouden jaren (2014).

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.