interview

Jolande Withuis: ‘Een biograaf moet soms harteloos zijn’

Door Ron Kosterman - 13 november 2018

Socioloog en schrijfster Jolande Withuis (69) houdt in december de Huizinga-lezing. Over de biografie, een tegenwoordig populair genre waarin ze zelf uitblinkt.

De ogen van Jolande Withuis stralen. Ze is dol­enthousiast. Op de keukentafel in haar huis in Zutphen liggen eerdere Huizinga-lezingen. Vrijdag 7 december aanstaande spreekt ze de hare uit in de Pieterskerk in Leiden. Om aan te geven hoe verguld ze is, grijpt ze naar de lezing van een van haar illustere voorgangers, de in 1999 overleden schrijver Karel van het Reve. Diens lezing is uit 1978.

Van het Reve schreef: ‘De Huizinga-­lezing is verbonden met een zekere deftigheid, eerbiedwaardigheid – een eerbiedwaardigheid die je geneigd bent te respecteren, ook wanneer voor die lezing af en toe iemand uitgenodigd wordt met wie het zo’n vaart niet loopt.’ Sarcasme is Withuis vreemd. Maar, zegt ze, ‘deftig en eerbiedwaardig is de lezing zeker en als je dan wordt gevraagd – waarmee ik zeer vereerd en blij verrast was –, dan ga je je inderdaad ook een beetje zo voelen.

‘Ik heb de lezing met veel plezier geschreven. Het uitspreken vind ik het engere deel. Er is gevraagd om een lezing van een uur. Een lange zit, maar je kunt wel een echt verhaal vertellen. Voor het boekje mocht ik meer woorden inleveren. Dat maakt het nog luxer.’

Jolande Withuis schreef twee geprezen biografieën

Ze is socioloog en schrijfster, feminist en atheïst. Haar lezing heet Leve het leven. Over vrijheid en de biografie. Zelf schreef ze twee alom geprezen biografieën: Weest manlijk, zijt sterk. Pim Boellaard 1903-2001 (uit 2008, Boellaard was een verzetsheld en ondernemer) en Juliana. Vorstin in een mannenwereld (uit 2016). Ze won er prijzen en nominaties mee. Van het boek over Juliana zijn er maar liefst 55.000 verkocht.

‘Ik ben aangespoord om uit te pakken over eigen werk. Dat zou ik niet uit mezelf hebben gedurfd. Misschien komt dat door die deftigheid, maar het is ook bescheidenheid. Gek eigenlijk, want mijn ervaring is juist dat mensen graag willen weten hoe je dat nou doet, zo’n biografie maken.’

JOLANDE WITHUIS (Zutphen, 1949) studeerde sociologie aan de Universiteit van Amsterdam. Ze publiceerde onder veel meer over de naoorlogse geschiedenis van het communisme. Ze is gehuwd met socioloog Tom de Ridder.

De mede door Elsevier Weekblad georganiseerde lezing is vernoemd naar de vooraanstaande historicus en auteur Johan Huizinga (1872-1945). Huizinga was een conservatief en een streng gelovige man. Anders dan haar directe voorganger – priester Antoine Bodar die de voordracht vorig jaar voor zijn rekening nam – kende Withuis Huizinga nauwelijks.

‘Ik ben van alles van hem gaan lezen. Ik ben niet ineens een bewonderaar, maar ik heb met groot ontzag zijn biografie van Erasmus gelezen. Een klein boekje, maar het is groots. In een kort bestek schetst Huizinga een hele persoon.

‘Psychologie was in de geschiedwetenschappen lang een taboe. Voor Huizinga niet en dat verraste me. Hij heeft een mooi psychologisch portret geschreven. Met een enorme durf beweert hij van alles over Erasmus. Dat doet hij overtuigend. Psychologie gebruiken doe ik ook, maar het is riskant. Het kan vreselijk zijn. Over trauma’s en depressies wordt te makkelijk gepraat.’

‘Ik zou dat nooit uit mijn pen krijgen’

‘Wel kritiseer ik hem in mijn lezing. Huizinga schrijft dat het Erasmus ontbreekt aan echte mannelijkheid en dat hij te veel vrouwelijk gevoel heeft. Ja, hij was een conservatieve man, maar daar beoordeel ik niet op. Voor hem waren dat vaststaande eenheden: echt mannelijk, echt vrouwelijk. Ik zou dat nooit uit mijn pen krijgen. Wat als echt mannelijk en echt vrouwelijk wordt beschouwd, staat niet vast. Dat verschilt per historische periode.

‘Een van de redenen waarom ik de biografie zo’n mooi genre vind, is dat vanzelfsprekende aannames worden weersproken. Veel vaste associaties, die het gevolg zijn van indelingen in hoog en laag, in links en rechts, in sekse, kleur of religie, zijn misplaatst. Boellaard was als ondernemer een mannetjesputter en het toppunt van een “foute” werkgever, maar hij was buitengewoon zorgzaam voor de mensen in de kampen en zij die daar zwaar beschadigd uit kwamen.’

Een biograaf heeft vrijheid nodig. Je gaat op een wereldreis

Een biograaf heeft vrijheid nodig, vertelt ze. ‘Je gaat op een wereldreis. Je kunt niet van een bepaalde club zijn en over het opperhoofd van de club schrijven. Je moet je hoofdpersoon ook als een vrij mens beschouwen, als de baas over zijn leven. Zo moet je naar hem kijken en vervolgens de vragen stellen: waarom deed hij dit en waarom dat niet?

‘Daarom Leve het leven. Mijn lezing gaat over de blijdschap dat je in een biografie volwaardige aandacht kunt geven aan het leven van een individu. Je hoeft dat individu niet te reduceren tot een klasse, sekse, geloof of kleur. Ik wil ook vieren dat de biografie intussen een succesgenre is in Nederland en dat we veel mooie biografieën hebben.’

De biografie werd lang minachtend bekeken

‘Het genre werd lang met minachting bekeken. Ik citeer in mijn lezing uit vrouwenstudies. Dat was mijn vak, daar hoorde ik bij. Midden jaren zeventig was onderzoek naar individuele vrouwen – wat in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk gebruikelijk was – in Nederland nog controversieel.

‘De emancipatie van vrouwen bereikte je alleen maar als je aan de massa der vrouwen aandacht zou besteden. Dat is ontzettend socialistisch. Ik vind dat van een diepe treurigheid. Wat is er nou interessanter dan een boek over Virginia Woolf?

Huizinga-lezing door Jolande WithuisJolande Withuis houdt vrijdag 7 december de 47ste Huizin­ga-lezing in de Leidse Pieterskerk. Titel: ‘Leve het leven. Over vrijheid en de biografie’. De Huizinga-lezing wordt georganiseerd door de faculteit geesteswetenschappen van de Universiteit Leiden, de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde en Elsevier Weekblad. Kaarten zijn er vanaf 12,50 euro, te bestellen via www.elsevierweekblad.nl/huizinga

‘Traditionele collectieven moesten sowieso nooit veel hebben van individuele levens. Door de ontzuiling en ontideologisering is dat veranderd. Daardoor is er ruimte gekomen voor de biografie. We doen niet aan heldenverering, nee, dat zit niet in onze cultuur. Maar ik vind dat een ingewikkelde uitspraak.

‘Wij kennen geen loon naar prestatie. Cao’s gaan over je leeftijd en je jaren, niet over je prestaties. Dat heb ik altijd raar gevonden. Tegelijkertijd zie je tegenwoordig dat mensen worden opgehemeld die niks kunnen. Die beroemd zijn, omdat ze beroemd zijn.

‘Verbazingwekkend, maar ook interessant. Het is een vreemd soort conformisme. Ik ben opgegroeid met The Beatles, dat waren idolen, die maakten muziek. Dat is toch wat anders dan een influencer die op sociale media vertelt welke jurk ze heeft gekocht.’

Ze groeide op in een communistisch milieu

Withuis’ lofzang op het individu is te verklaren. Ze groeide op in een communistisch milieu. Vader Berry was lid van de CPN, redacteur van De Waarheid en een bekend schaakjournalist. Hij overleed in 2009. Eerder dit jaar verscheen haar boek Raadselvader. Dat is zowel biografie als autobiografie. Adriaan van Dis noemde het boek ‘een meesterlijke sectie op een sekte’.

Zelf zegt ze: ‘Het is begonnen als een zoektocht naar mijn vader. Mijn vader was niet iemand die een hele biografie verdient. Bovendien is het verhaal over mijn vader mijn verhaal, ik ben deelnemer. Hij ging heel gewoon dood, in zijn eigen bed, op zijn 89ste. Daar was niets dramatisch aan, maar zijn dood kwam veel harder bij me aan dan ik had voorzien.

‘Hij liet me met veel raadsels achter. Ik had hem nog van alles willen vragen. Over de oorlog die hij in Duitsland had doorgebracht, over de jaren erna en zijn rol bij de CPN. Daar werd thuis niet over gesproken. Toen was hij dood en was de kans voorbij.’

Withuis werkte destijds bij het onderzoeksinstituut NIOD. In de archieven daar vond ze haar vader terug. Inlichtingendienst BVD had na de oorlog een dossier van hem opgebouwd. Ze ontdekte dat er ook een dossier van haar was. Ze peurde in vaders leven en in haar jeugd die ze grotendeels in Amsterdam doorbracht. Het was in de Koude Oorlog toen communisten de vijand waren. Zij voelde zich nooit echt veilig.

‘Geloof kan mensen tot vreselijke dingen aanzetten’

‘Ik denk niet dat mijn vader gevaarlijk was. Zijn ideologie was gevaarlijk. Ik probeer in Raadselvader te laten zien wat ideologie met mensen kan doen. Communisten waren voor het goede doel tot veel kwaad bereid. In die zin is het boek een parabel over het moslim-extremisme. Geloof kan mensen tot vreselijke dingen aanzetten.’

Een biograaf is een voyeur. Door Raadselvader keek ze naar haar eigen leven. ‘Ik wist dat we door de BVD werden gevolgd. Dat werd me door mijn ouders ingepeperd. Toch was ik, toen ik die dossiers las, onthutst over hoeveel erin stond. Ik heb in een afdelingsbestuur van de CPN gezeten, in de Transvaalbuurt in Amsterdam. Op een gegeven moment heb ik dat bestuur verteld dat ik meer aan mijn studie wilde doen. Dat stond letterlijk in mijn dossier.’

De onthutsing ten spijt, Withuis zal een volgende biografie niet anders aanpakken. Een biografie ontleent haar kracht, zo citeert ze een Britse collega, aan ‘de onverbiddelijke plicht tot waarheid’. Zij vindt ook dat een hoofdpersoon dood moet zijn.

Het kan onbeschoft zijn om van een levend persoon van alles op te rakelen

‘Je moet vrij staan tegenover iemand. Dat kan bijna niet als iemand nog leeft. Of je wordt geïntimideerd of je voelt je geïntimideerd. Het kan ook gewoon onbeschoft zijn om van een levend persoon van alles op te rakelen. Een leven is pas af als het af is. Je moet lange lijnen en patronen zien. Je moet over een heel leven kunnen heen kijken.

‘De persoon zelf kan dat niet. Van tijdgenoten, van vrienden en familie, kun je niet verwachten ze met afstand en een kritische blik kijken. Een biograaf moet harteloos kunnen zijn. Sommige biografieën zijn afrekeningen. Dat vind ik geen fijne biografieën. Iemand moet een faire kans krijgen. Maar als je gaat graven, kom je ook nare dingen tegen. Ik heb de buitenechtelijke relatie van Boellaard vermeld, terwijl ik wist dat zijn zoon dat vervelend vond.’

Withuis is streng voor zichzelf

Doden kun je niet om wederhoor vragen. ‘Daarom heb ik altijd strenge leescommissies. Dat hoeft niet, maar ik vind dat noodzakelijk. Ik heb ook blinde vlekken. Ik ben atheïst, Juliana was hyper-religieus. Soms kroop er in mijn teksten een onaardig toontje. Dan is het goed als mensen je daarop wijzen. Het gaat niet om mij, maar om het onderwerp.’

Withuis is ook streng voor zichzelf. Dat zij als ongelovige Bodar opvolgt, vindt ze grappig. Misschien heeft ze meer gemeen met de priester dan ze denkt. Schrijven is voor haar een roeping. Ze zoekt naarstig naar een volgende kandidaat voor een biografie. Ze is ook niet aan een ander boek begonnen. Sinds 2014, toen ze het NIOD verliet, is ze gepensioneerd.

Als ik wakker word, wil ik meteen achter mijn computer om aan mijn boek te werken

‘Nee, de mensen zijn niet op. Ik heb nog niemand op het oog. Ik kan moeilijk iemand vermoorden. Ik zit te piekeren. Als ik wakker word, wil ik meteen achter mijn computer om aan mijn boek te werken. Maar dat is er niet. Daar word ik narrig van.

‘Als ik in een boek zit, wil ik niet worden gestoord. Mijn echtgenoot is ook gepensioneerd. Die vraagt dan: “Zullen we vanmiddag naar Kröller-Müller gaan?” Ik kan nu vrolijk “ja” zeggen , maar een jaar geleden had hij gehoord: “Ik werk!” Niets is zo fijn om ’s avonds met een stapeltje prints naar bed te gaan en met een vulpennetje te corrigeren, om de volgende ochtend meteen achter de computer te schuiven.

Lees het interview met Antoine Bodar ‘Katholiek word je niet voor je verdriet’

‘Mijn hoofd moet de ruimte hebben. Ik vind het vervelend mijn hoofd stop te moeten zetten voor een vakantie of een etentje met vrienden. Eerst moet mijn hoofdstuk af. Ik vind dat fijn. Ik sta mezelf toe helemaal met mijn werk bezig te zijn. Om door te gaan zo lang ik wil en niet te hoeven denken: o jee, ik moet boodschappen doen, vanavond komen er gasten.’

Sinds 2003 woont ze weer in Zutphen, de Gelderse stad waar ze is geboren en haar familie vandaan komt. In haar jeugd bracht ze er, zonder ouders, vakanties door.

‘Ik kon hier gezellig spelletjes spelen. Ik ging met groot genoegen mee naar de kerk. Mijn familieleden waren nette kleinburgers die bij de maatschappij hoorden. Ik voelde me veilig. Ik was me wel bewust van mijn verraad. Ik werd door mijn ouders uitbesteed, maar kreeg wel te horen dat mijn oma en tantes in sprookjes geloofden.’

‘Ik ben een brave voorbereider’

Aan tafel, een maand voordat het zover is, vertelt ze dat ze de lezing repeteert. ‘Maar dat moet nog een paar keer. Ik moet langzamer en nadrukkelijker spreken. Ik lees voor aan mijn man. Dat is een verschrikking. Verkeerde klemtoon, een Amsterdamse s, ik moet veel overdoen. Maar dat is goed. Ik ben een brave voorbereider.’

Bodar had zijn werkkledij aan, incluis priesterboord. ‘Tsja, kleding is een ingewikkelde bijkomstigheid. Mannen trekken gewoon een pak aan. Ik heb iets aangeschaft, maar ik aarzel nog. Misschien is het te vrolijk. De aandacht moet op de tekst gericht zijn, niet op mij.

‘Wellicht kies ik iets dat de kant van een beroepspak op gaat. Daar doe ik dan wel een vrolijk gekleurde sjaal bij. De lezing heet niet voor niets Leve het leven. Ik ga niet in een gescheurde spijkerbroek en een trui staan.’