Interview

Paul Groot: ‘Met satire sla je geen deuk in een pakje boter’

Door Ron Kosterman - 11 februari 2019

Op het podium leeft acteur Paul Groot (51) zich uit. Daar voelt hij zich veilig. In het dagelijks leven is dat minder. Groot, één van de mannen van Koefnoen, speelt in de musical A Little Night Music.

Paul Groot is deze vrijdag net een week in Enschede. Zondag gaat hij even terug naar zijn woonplaats Amsterdam om een was te draaien. Groot is in de Twentse stad om te repeteren voor de musical A Little Night Music. Dat gebeurt in het Wilminktheater. Na deze week zijn er nog vijf ­weken om te repeteren. Op 16 maart gaat de voorstelling van de Nederlandse Reisopera er in première. Daarna toert het gezelschap door het land.

In het café bij het theater zit een tevreden man. Groot, gelauwerd musicalster en bekend van zijn vele imitaties en typetjes in onder meer het satirische tv-programma Koefnoen, verheugt zich enorm op de voorstelling. Het vooruitzicht dat hij de komende weken in Enschede verblijft, vindt hij heerlijk. Niet dat hij de stad kent, er vrienden heeft of wat dan ook. Groot houdt ervan zich extreem te concentreren op een voorstelling. En hij is heel graag alleen. Als het werk erop zit, trekt hij zich ’s avonds terug. ‘Naar de kroeg met mijn collega’s? Ben je gek zeg. Socializen is voor mij harder werken dan repeteren.’

Paul Groot (Hilversum, 1967) kreeg in 2013 de Johan Kaart Prijs voor theaterpersoonlijkheid van het jaar en een Musical Award voor zijn rol in Shrek. Ook met tv-werk won hij prijzen, waaronder de Zilveren Nipkowschijf voor Koefnoen.

Groot is niet ‘heel sociaal’

Groot – lang en slank, sprekende en onderzoekende ogen – maakt geen grap. Hij heeft eerder verteld dat hij niet ‘heel sociaal’ is. ‘Laat ik het zo zeggen: ik ben redelijk op mezelf. Waar ik zit, maakt dan niet zoveel uit. Ik heb het wel naar mijn zin tot nu toe in Enschede.

‘In de bus, op tournee met een gezelschap, ben ik een half uur sociaal. De resterende anderhalf uur van de reis ben ik liever in mijn eentje. Dan zet ik een koptelefoon op of duik ik in een boek. Je hebt mensen die energie krijgen van ­andere mensen, ik word leeggezogen.’

In een voorstelling voelt hij zich veilig

‘Op het podium voel ik me senang. In het script staat hoe iedereen gaat reageren. Een voorstelling is een heel gecontroleerde wereld. Ik voel me er veilig en binnen die veiligheid voel ik me vrij. Er is vastigheid en structuur. Je weet: de voorstelling is van zo laat tot zo laat. In het privéleven zijn er geen eindtijden. Hoelang moet een afspraak in een café duren? Dat vind ik lastig.’

 Een licht autistisch trekje heb ik wel, moet ik zeggen, maar ik ga er niet onder gebukt, hoor.

‘Ik zag een keer een documentaire over mensen met asperger. Niet dat ik dat heb, maar ik herkende wel dingen. Twee mensen die een relatie met elkaar hadden, zeiden: “Wij zijn elkaars aanbevolen dagelijkse dosis contact.” O ja, dacht ik. Ik zag mensen die in hun werk goed functio­neerden, maar die het, zodra ze sociaal met hun collega’s moesten doen, te ingewikkeld vonden worden en liever naar huis gingen. Dat heb ik ook.’

Hij is vrijgezel. ‘Een relatie vind ik ook ingewikkeld. Ik kom snel in het stadium dat ik me afvraag: hoeveel behoefte aan contact voel ik in een doorsneeweek? En hoe vaak moet ik hem dan sms’en? Een licht autistisch trekje heb ik wel, moet ik zeggen, maar ik ga er niet onder gebukt, hoor. Ik snap mezelf, ik accepteer het. Ik probeer er maar een beetje omheen te ­leven.’

In A Little Night Music speelt Groot een geremde man

A Little Night Music werd in 1973 geschreven door componist en tekstschrijver Stephen Sondheim. De nu 88-jarige Amerikaan heeft met bijvoorbeeld West Side Story (1957), Sweeney Todd (1979) en Into the Woods (1987) meer grote musicalsuccessen op zijn naam staan. Groot speelt in A Little Night Music – een voorstelling die zich afspeelt in Zweedse ­societykringen rond 1900 – advocaat Frederik Egerman.

‘Een nogal geremde man. Hij is tegen de vijftig en inmiddels elf maanden getrouwd met een vrouw van achttien. Die vrouw wil maar niet met hem naar bed en dat frustreert hem enorm. Hij bedenkt als een echte advocaat hoe hij haar het bed in krijgt. Ik kan dit doen, dat doen, de directe manier, de indirecte, de charmante of de agressieve. Hij weegt alles af. Ja, ja, ik herken dat. Ik doe het alleen niet zo extreem cerebraal als hij het doet.’

Groot speelde vanaf 2000 in talrijke musicals en andere theatervoorstellingen, waaronder Spamalot, het door hemzelf geschreven stuk Stessen, Shrek, Adèle (over Adèle Bloemendaal), Robert Long en You’re the Top (over de Amerikaanse componist Cole Porter). Het werk van Sondheim kent hij goed. Groot speelde eerder in twee van diens stukken: Putting It Together en Into the Woods. Tijdens zijn studie theaterwetenschappen was hij regieassistent bij uitvoeringen van Sondheim-musicals.

De perfecte voorbereiding van operazangers valt hem op

Nieuw is dat hij in A Little Night Music met een operagezelschap werkt. ‘Wat me opvalt, is de perfecte voorbereiding van operazangers en -zangeressen. Ik ben op zich wel gewend om goed voorbereid op de eerste repetitie te verschijnen, maar de ingewikkelde partijen, waarbij je door elkaar heen zingt, vogel je bij musicals tijdens de repetities uit. Zij zongen die partijen meteen probleemloos.

Lees het interview van Ron Kosterman met Jenny Arean: ‘Ouder worden gaat van je tijd af’

‘Het stuk is geschreven voor acteurs die zingen en voor klassieke zangers die acteren. Ik ben heel erg onder de indruk van hun stemmen. Ik merk dat zij het leuk vinden om te ontdekken hoe acteurs een voorstelling benaderen. Wij doen dat heel erg vanuit de tekst. Ik heb voor elke rol zangles. In Shrek moest ik alles op mijn knieën doen en dat acht keer per week. Dan moet je ervoor zorgen dat je je adem goed hebt zitten. Nu moet het hier en daar iets klassieker. Een operazanger kantelt altijd zijn strottenhoofd als hij gaat zingen, heb ik geleerd.’

Dat Groot op het podium belandde, is voor een deel aan Sondheim te danken. ‘Ik stond als regieassistent in de coulissen te kijken en schoof af en toe wat decorstukken het toneel op. Op een gegeven moment dacht ik: ik wil het zelf spelen. Ik was als student behoorlijk bescheten, dus ik had wat stappen te maken. Daniël Cohen, de theaterregisseur, heeft me behoorlijk gestimuleerd. Hij heeft me bijvoorbeeld ingezet in A Funny Thing Happened on the Way to the Forum, nog een musical van Sondheim.’

Het ging hem goed af. Dat had hij kunnen weten. ‘Acteren is voor mij een vlucht naar voren. Rond mijn vijftiende was ik zo verlegen dat, als de leraar me vroeg een stukje voor te lezen, er echt geen woord uitkwam. Moest ik een spreekbeurt houden, dan zat iedereen in de klas te gniffelen: daar komt-ie hoor, nu gaan we lachen. Maar zo’n spreekbeurt ging vloeiend, want die had ik voorbereid. Ik deed aan jeugdtoneel. Daar had ik ook nergens last van.’

Zijn ouders namen hem vaak mee naar het theater

Groot groeide op in een keurig, katholiek gezin. Zijn vader was eerst slager en daarna keurmeester bij de Algemene ­Inspectiedienst. Moeder werkte op de administratie bij een artsenlaboratorium en speelde amateurtoneel. Dat deed zijn oudere zus Karin ook. Groot heeft nog een jongere broer, Frans, die het tot profhonkballer in de Verenigde Staten schopte. Pa en ma namen hun drie kinderen, toen die puber waren, om de beurt mee naar het theater.

 Omdat ik het ook heel leuk vond om te schrijven, ben ik theater­wetenschappen gaan studeren

Op de middelbare school tekende hij graag en veel. ‘Ik wilde eigenlijk grafisch ontwerper worden. Na het vwo ben ik bij twee kunstacademies geweest, in Amsterdam en Utrecht, met posters en ­decorschetsen die ik voor het amateur­toneel had gemaakt. Ze vonden me te jong. Ik moest eerst nog maar wat om me heen kijken, vonden ze. Daar was ik goed ziek van.’

Hij besloot in Amsterdam theater­wetenschappen te doen. De toneelschool was nooit een optie. Een meisje van het jeugdtoneel was er afgewezen. ‘Die was heel goed. Als ze haar al niet aannemen, dacht ik, dan hoef ik het niet eens te proberen. Omdat ik het ook heel leuk vond om te schrijven, ben ik voor theater­wetenschappen gegaan. Ik wilde comedy’s schrijven. Dat heb ik vanaf het eerste jaar ook gedaan.’

Door Goede tijden, slechte tijden brak door bij een groter publiek

Groot schreef onder meer mee aan Laat maar zitten met de in 2011 overleden Johnny Kraaijkamp senior, het jeugd­programma Zaai van Plien & Bianca en het satirische programma Dit Was Het Nieuws. ‘Ik kon prima leven van het schrijfwerk, totdat een paar opdracht­gevers wegvielen. En als ik geen structuur heb in de vorm van werk, dan verpieter ik. Er moest wat gebeuren.’

In 1993 kreeg hij een rol in de tv-soap Goede tijden, slechte tijden. Dat deed Groot drie jaar lang. Hij brak door bij een groter publiek. Niet veel later deed hij zijn eerste imitaties in het radio­programma Spijkers met Koppen. In 2001 begon hij bij de versie daarvan op televisie, Kopspijkers. ‘De aanslag op het WTC in New York was net geweest. Het was een heftige tijd.’ Groot imiteerde Pim Fortuyn, zijn maatje Owen Schumacher deed toenmalig defensieminister Frank de Grave en Thomas van Luyn was O­sama bin Laden. ‘Dat viel meteen in goede aarde.’

Drie jaar later begon hij met Schumacher Koefnoen. Dat bleef tot in 2016 op de buis. Omroep AVROTROS besloot met het programma te stoppen, omdat het op primetime zaterdagavond niet meer het gewenste aantal kijkers trok. ‘We hebben van alles gepersifleerd. Het musicalpubliek, ja, maar ook het volk dat op een filmfestival rondloopt. Bij het eindgesprek kregen we van AVROTROS te horen: jullie maken onze leden belachelijk. Dat ging vooral over Ipie, hahaha.’

Groot vond troost in Ipie

Ipie is misschien wel Groots favoriete typetje. Ze is een zelfbenoemde ‘happy single’ van middelbare leeftijd die, doordat ze uiterst klungelig door het leven gaat, vreselijk sneu is. ‘Ipie is de uitvergroting van een kern in mij. Ik kan zo klungelig en onhandig zijn. Ik vond troost in Ipie. Guurtje, het kakwijf uit de Amsterdamse Beethovenstraat, zegt heel foute dingen. Van die dingen die ik ook weleens denk, maar niet hardop zeg. In Guurtje kon ik mijn slechte eigenschappen kwijt.’

Over zijn talent voor typetjes en imitaties zegt hij: ‘Ik ben een buitenstaander die graag observeert. Ik ben ook altijd op mijn qui-vive. Ik let heel erg op mensen. Dat komt ook doordat ik mensen niet erg vertrouw. Bij elke afspraak die ik maak, denk ik: er zal wel iets tussen komen, het gaat niet door. Ik houd er altijd rekening mee dat mijn vertrouwen wordt beschaamd. Of ik jou vertrouw? Mmm, niet zomaar, nee.’

 Ik vind dat satire zin moet hebben, ja. Die ambitie had ik met Koefnoen wel.

Met Schumacher werkt hij aan een theaterversie van Koefnoen. Eind 2020 moet die te zien zijn. Snel reageren op het nieuws, zoals ze op televisie deden, zal in het theater niet lukken.

Volgens Groot zijn het moeilijke tijden voor satire. ‘Toen Donald Trump aan de macht kwam, werd het bewijs geleverd dat je met satire geen deuk in een pakje boter slaat. Wat is er wel niet uit de kast getrokken om die man belachelijk te maken? Dat heeft dus geen enkele zin. Ik vind dat satire zin moet hebben, ja. Die ambitie had ik met Koefnoen wel. Je hoopt dat je invloed hebt op de publieke opinie. Satire moet iets benoemen, iets blootleggen of ridiculiseren wat status heeft.’

Hij wil tegen de polarisering ingaan

‘Het maatschappelijke discours is feller geworden. Iedereen vindt via sociale media een uitlaatklep om grappen te ­maken en zijn gram te halen. Ik voel me nu vaak overbodig. Sterker: ik heb de neiging om te sussen en tegen de polarisatie in te gaan. Dat is voor satire natuurlijk niet handig.’

Groot denkt na over humor. ‘Sigmund Freud heeft een boek geschreven over de grap in relatie tot het onbewuste. De lach is de energie die vrijkomt als we ons kunnen bevrijden uit ons keurslijf van goed gedrag. De heren van Veronica Inside doen soms behoorlijk homofobe uitspraken. Geintje, moet kunnen. Zo wil ik het ook best zien. Maar ze weten dat er honderdduizenden mensen naar ze kijken. Waarom proberen ze niet net iets volwassener te zijn en iets meer verantwoordelijkheid te nemen?’

‘De ellende is: humor is niet volwassen. Humor staat aan de kant van de ontspanning en het platte. Lompe praat over een transseksueel zorgt voor een lach. Heerlijk, we hoeven geen begrip op te brengen en niet politiek correct te zijn.

‘Mensen met hogere idealen leg­gen het snel af. Dat zijn ­moraalridders. Degene die zijn gat afveegt met wat de moraalridder zegt, krijgt de sympathie. Iemand die lekker het vliegtuig neemt en met 160 over de snelweg rijdt, is grappiger dan ­iemand die zijn stukje vlees laat staan en de trein neemt. Het eerste is aardser en vitaler. Je ontzegt jezelf niks.’

Improviseren is niets voor Groot

Vorig jaar speelde hij in Zoetermeer zijn meest persoonlijke voorstelling. Dat was één avond, met liedjes die hij zelf had gekozen en nieuwe liedjes die mede door hem waren geschreven. Hij was geen typetje. ‘Heel leuk om te doen. Ik kreeg er goede reacties op. Nee, dat was niet eng. Het duurde twee keer een uur. Ik had een autocue meelopen voor de zekerheid.

‘Stand-upcomedy, improviseren is niets voor mij. In de comedykelders hangt me ook te veel testosteron. Mijn vorm is het theater. Met mensen die ­netjes op hun stoel zitten, geen drankje erbij, geen geschreeuw erdoorheen. Ik heb de show bedacht en doe mijn riedel. Ik hoef niet met de eerste rij in gesprek.’

 Op het podium leef ik me uit. In mijn ­privéleven vind ik het gênant om te dansen

Direct na A Little Night Music volgt voor Groot een nieuwe musical, ’t Schaep met de 5 Pooten. Zijn liefde voor dat genre is onverwoestbaar.

‘In het dagelijks leven ben ik niet zo uitbundig, nee. Op het podium leef ik me uit. In mijn ­privéleven vind ik het gênant om te dansen. Maar als een choreograaf zegt: doe dit, doe dat, dan doe ik het en komt het goed. Dan is dansen ook hartstikke leuk. Maar voor mezelf, zonder context of ironie? Dat durf ik niet.’

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.