Onderwijs

In hoeverre zijn problemen op basisscholen ‘geïmporteerd’?

Door Fleur Verbeek - 08 mei 2019

Leerlingen in achterstandswijken hebben het veel moeilijker dan schoolgaande kinderen in reguliere wijken, blijkt uit onderzoek onder leraren in opdracht van onder meer het Jeugdeducatiefonds. Vier vragen en antwoorden.

Wat bleek uit het onderzoek?

Voor het onderzoek werden bijna driehonderd leerkrachten ondervraagd. Van de leraren geeft 87 procent aan dat de kinderen in achterstandswijken een taalachterstand hebben. In ‘gewone’ wijken is dat 23 procent. Ook hebben deze leerlingen vaker concentratieproblemen: 72 procent versus 57 procent.

‘Er zijn scholen waar 50 tot 70 procent bij Jeugdzorg loopt,’ zegt Hans Spekman van het Jeugdeducatiefonds in het AD.

Hoe komt het dat die verschillen zo uit elkaar liggen?

‘In de klas zitten ook veel kinderen met trauma’s door vluchten, armoede en vechtscheidingen,’ beschrijft een ondervraagde docent.

Vaak zijn hun ouders de Nederlandse taal niet voldoende machtig, is er vaker sprake van een gebroken gezinssituatie, hebben de gezinnen het financieel moeilijk en zitten ze in een sociaal isolement. Een leerkracht schetst dat ‘veel ouders niet of nauwelijks Nederlands spreken’ en ‘niet in staat zijn om hun kinderen te steunen bij het leren’.

Hoe kan dit worden opgelost?

Marco Pastors, directeur van het Nationaal Programma Rotterdam-Zuid (NPRZ) pleitte eerder al voor een hogere beloning voor leraren in Rotterdam-Zuid dan voor hun collega’s in de rest van Nederland. Volgens hem is het lastig om goede leraren lang aan scholen in Rotterdam-Zuid te binden.

‘We verslijten ze,’ zei Pastors vorig jaar tegen RTV Rijnmond. ‘Als ze beter betaald krijgen, voelen de leraren zich iets minder gekke Henkie. Op onze scholen moet je extra hard werken om hetzelfde uit de kinderen te halen.’

Lees ook dit artikel van Syp Wynia over de import van armoede:

Nee, migratiedeskundigen: de wereld is niet van iedereen

Basisscholen in Rotterdam-Zuid hebben in de afgelopen zeven jaar volgens Pastors een inhaalslag gemaakt van zestig procent. De gemiddelde Cito-scores zijn gestegen met ruim drie punten. In andere steden was dat maar een half punt. Als oplossing ziet hij op de eerste plaats meer contacturen. ‘Het mes snijdt aan twee kanten omdat de maatregel het aantal “slechte uren” – de uren op straat – vermindert. In plaats daarvan wordt de leerlingen iets bijgebracht.’ In de tweede plaats ziet hij veel voordeel in het vroeg inschakelen van hulpverlening. ‘Ouders weten die weg vaak niet te vinden. En als ze hem wel weten te vinden is het vaak veel te laat.’ Door tijdig bij te springen met hulp, gaan de schoolresultaten volgens Pastors omhoog.

In hoeverre is dit probleem geïmporteerd?

In 2017 schreef Gertjan van Schoonhoven over de toename van de armoede in Nederland.

‘Een deel van deze hardnekkige armoede is namelijk gewoon geïmporteerd. Ondanks de succesverhalen die er gelukkig ook zijn, hebben veel niet-westerse immigranten die naar Nederland komen, door gebrek aan kwalificaties en andere achterstanden weinig tot geen kans op werk.’

Dus zijn velen automatisch veroordeeld tot ‘armoede’ – al is dat dan wel de armoede van een bijna perfecte westerse verzorgingsstaat. De kwaliteit van leven ligt doorgaans een stuk hoger dan in het land van herkomst.

Volgens het SCP leeft ongeveer 20 procent van de niet-westerse migranten in armoede en is dat getal al een kwart eeuw ‘min of meer constant’.

Het is illusiepolitiek, symptoombestrijding. Wie doorgaat met beleid dat immigranten toelaat waaraan de arbeidsmarkt geen behoefte heeft, zal armoede blijven importeren. Per saldo is er de afgelopen twintig jaar een buitengewoon hardnekkige klasse van kanslozen bijgekomen.  Die zal alleen krimpen – of wellicht ooit zelfs verdwijnen – als er een einde komt aan die niet-westerse immigratie.

De schuingedrukte stukken komen uit het stuk ‘Nederland importeert armoede op grote schaal’ en verscheen op 12 december 2017 op de website.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.