Jules Deelder (1944-2019)

‘Ik heb nooit het gevoel gehad dat ik iemand anders zou willen zijn’

Door Hugo Camps - 19 december 2019

Elsevier Weekblad sprak in 2000 met dichter Jules Deelder. Deelder overleed op 19 december 2019. Hij werd 75 jaar.

We zijn nog niet van hem af. Dichter Jules Deelder heeft altijd wat in de machine staan. En over critici, Peper, de bonnetjes en smoezelige bestuurders heeft de nachtburgemeester van ‘New York aan de Maas’ een uitgesproken mening.

‘Burgemeester ben je 24 uur op 24, zei Bram. Dat had-ie nou net niet moeten zeggen. In die uitspraak is hij volledig aan mijn bestaan voorbijgegaan. Dan sta je wel heel ver van de werkelijkheid.’

‘Ik laat mij niet gek maken door de morele scherpslijpers in de raad’

Jules Deelder, nachtburgemeester van Rotterdam, spreekt. Over het karakter van Bram Peper, over de geschonden reputatie van een stad, over hypocrisie en kleinburgerlijkheid, over het volk dat zo racistisch is als de pest en natuurlijk over zichzelf. Een dichter, nu eens niet over de vleesetende bloem, over de vulva van een vrouw, maar over bonnetjes en smoezelige bestuurders. Realisme in optima forma. Hij heeft er zin in. ‘Het deugt niet wat Peper heeft geflikt, maar aan de andere kant laat ik mij ook niet gek maken door de morele scherpslijpers in de
Rotterdamse raad. Het klonk mij daar iets te fatsoensrakkerig, te geforceerd. Al die gasten hebben ook boter op hun hoofd. Hans Simons voorop. Die Simons deugt helemáál niet.

‘Peper wordt niet afgerekend op bonnetjes, dat is een misverstand. Peper wordt afgerekend op zijn karakter. De man kon niet met mensen omgaan. In de oude wijken zag je hem niet. De gewone man was voor hem een vreemde, terwijl dat zijn komaf is. De ellende begon uit schaamte: in Rotterdam was hij opeens niet meer de zoon van zijn vader. Raar is dat, hè. Het is treurig als je schaamte voor je afkomst hebt. Dan draag je toch een innerlijke scheuring mee. Van der Louw had wel de schwung om met gewone mensen om te gaan. Hij wekte de illusie dat iedereen zomaar het stadhuis kon binnenlopen. Peper was onbereikbaar, en omringd door jaknikkers.’

De halve stad stond klaar om de ex-burgemeester na zijn val nog een trap na te geven, weet Deelder. ‘Peper heeft zich onsterfelijk belachelijk gemaakt met dat referendum over de opdeling van Rotterdam. Je moet niet aan de stad komen. Van uiterst rechts tot uiterst links, iedereen kwam in opstand tegen de verkavelingszucht van Bram. Als minister van Binnenlandse Zaken wilde hij zijn
plannen alsnog doorzetten. Dat wisten de Rotterdammers en daarom is er nu
geen greintje mededogen. Wat Peper overkomen is, wordt aan de Coolsingel
getaxeerd als een terechte straf.’

Gevoel voor decorum is een politiek recht

De dag- en de nachtburgemeester spraken elkaar weleens. ‘De eerste keer dat ik Peper ontmoette was hij met Ischa Meijer. Mijn antennes stonden op scherp: ohohoh, zou hij wel deugen? Hij zat daar maar een beetje te luisteren, gaf totaal geen inzicht over zichzelf. Later begreep ik dat Bram een socioloog is. Nou ja, dat is het ergste soort. De uitvinders van de zachte sector, weet je wel. Daarnaast voelde hij zich een gemankeerd schrijver. Peper gaat gebukt onder een groot minderwaardigheidsgevoel. Daarom is hij zo belust op macht.’

Welnee, de ontluistering is niet tragisch. ‘Zowat alle bestuurderen in den lande zitten nu te bibberen. Misschien wel te bidden: O God, als ze morgen maar niet bij mij langskomen. De verontwaardiging van bestuurlijk Nederland is een farce. Geef gewoon toe dat er in alle kieren van de samenleving gesjoemeld wordt, dan is het geen corruptie meer. Zo zit de wereld nou eenmaal in mekaar. Geld is heilig
en het socialisme heeft zichzelf allang geleden onder de grond gestopt. Dat weten we toch.’

 ‘Natuurlijk, Neelie heeft in zijn leven het verlangen gebracht om bij de rijken te horen’

Deelder pleit voor verzachtende omstandigheden. ‘Bram had een bord voor zijn kop. Zijn reisjes, zijn etentjes, zijn relatiegeschenken, hij vond het billijk en rechtvaardig. En dat was het tot op zekere hoogte ook. Rotterdam was te klein voor hem. Kijk, je kan een burgemeester niet in een rijtjeshuis zetten. Op een gegeven ogenblik was er een geschikte ambtswoning gevonden in een van de villa’s tegenover museum Boymans. Er moest natuurlijk een en ander verbouwd worden. Dan begint het: de bureaucraten gaan meuten over de prijs van de gordijnen. Dat kan een man als Peper natuurlijk niet hebben.’

Gevoel voor decorum is een politiek recht. ‘In Nederland is er niet één burgemeester die kan zeggen: het lot van Peper zal mij nooit overkomen. Ik blijf geloven dat Bram in zijn hang naar weelde en decorum te goeder trouw is geweest. Natuurlijk, Neelie heeft in zijn leven het verlangen gebracht om bij de rijken te horen. Zij heeft hem de sfeer van de havenbaronnen laten proeven. Het is niet zo dat Peper een doortrapte schurk is. Hij is hooguit door de duivel verzocht. Het ontbrak hem aan zelfkritiek.’

De banderilla’s van Bram zijn doorzichtig. ‘Zeggen dat hij nooit nog een voet in Rotterdam zal zetten, is een verkeerde uitspraak. Zelfkwelling. Peper wordt niet gemist. Burgemeester Opstelten weet zich, tot verrassing van velen, soepel te bewegen, zelfs in de proletarische uithoeken van de stad. Ook daarom zit niemand op Peper te wachten. Rotterdammers zijn alleen bang dat ze in Den Haag Hans Simons ooit burgemeester maken. Ken je de uitdrukking iemand burgemeester maken? Dat betekent iemand zijn broek van zijn reet trekken. Is nu
met Peper gebeurd.’

‘Ik ga hier niet meer weg’

Met of zonder Peper, het geld blijft rollen aan de Coolsingel. ‘In 2001 is Rotterdam culturele hoofdstad van Europa. Een of andere commissie had 36 miljoen gebudgetteerd voor aanloopkosten. Die zijn al op. Blijft over: 12 miljoen voor projecten en 24 miljoen voor overhead. Voor eigen zak dus. En zo gaat het maar door. Paul de Leeuw is gevraagd als ambassadeur van Rotterdam. Nou ja, Paul woont in Amsterdam en is geboren in Lekkerkerk. Wat van ver komt, is lekker. Die hele commissie komt ook van buiten de stad. Incest van suburbia? Juist.’

Edoch, het blijft een stad om lief te hebben, ook voor een dichter. ‘Ik ga hier niet meer weg. Ik heb een prachtig huis. Met een kantoor zoals Mussolini er een had. Je komt binnen in een grote ruimte en helemaal aan het einde staat ergens een bureau. Je moet een week vakantie nemen om de afstand te overbruggen. Hier zijn de grachten gedempt ten faveure van brede verkeerswegen met ruime parkeergelegenheden. Wij hebben nog steeds geen wielklemmen. Aan die ordinaire geldklopperij doen wij niet. Laat ze getverdemme dieven gaan vangen.

‘Ik weet nog dat op de Coolsingel zes gebouwen stonden. Het centrum was een maanvlakte. Als ik nu op de brug sta denk ik: wat een zaak, wat een bedrijf.
Ook architectonisch begint Rotterdam ergens op te lijken. Alles gaat de hoogte in. Nou, het kan mij niet hoog genoeg zijn. Het tempo waarin gebouwd wordt is waanzinnig. Als je ergens drie weken niet geweest bent, staat er ineens zo’n knijter voor je neus. Ik ben in Rotterdam nog nooit wakker geworden zonder het geluid van een heimachine. Ik zou mij zorgen maken als het er niet meer was.’

Amsterdam als status aparte kan het schudden. ‘De hele Randstad wordt een grote stad. Je ziet de stadsgrenzen met de dag vervagen. New York aan de Maas kondigt zich aan. In reclamefilmpjes wordt Rotterdam steeds vaker opgevoerd als achtergrond. Rotterdammers doen overal zaken, ook in Amsterdam. Gelukkig maar, want Amsterdam dreigt meer en meer een getto te worden van provincialen met een zachte g. Wij houden ze bij de wereld.’

Het werk van de nachtburgemeester is niet voltooid. ‘Ik hoor in Rotterdam alleen maar praatjes over agressie en onveiligheid. Onzin: nooit is iemand mij te na gekomen. Het volk is zo racistisch als de pest, de mensen praten elkaar angst aan. Dat gezeur over overlast, ik kan er niet meer tegen. Als mensen midden in de stad wonen en ’s avonds na tienen niets willen horen, zitten ze op de verkeerde plek. Zij zorgen dan voor overlast door de politie te bellen. Die mensen moeten vrijwillig of gewapenderhand gedeporteerd worden naar de stadsrand. Desnoods met oprotpremie. Je kan niet aan de ene kant staan te geilen op Manhattan aan de Maas en aan de andere kant om dorpspolitiek mekkeren.’

‘Ik heb nooit het gevoel gehad dat ik iemand anders zou willen zijn’

Justus Anton Deelder werd op 24 november 1944 geboren in het Rotterdamse Overschie. ‘Ja ja ja, ik ben ouder dan de stad.’ Een kind van zijn tijd: Sparta, jazz, poëzie. ‘Ik heb nooit het gevoel gehad dat ik iemand anders zou willen zijn. Toen ik elf was schreef ik mijn eerste gedicht, terwijl ik nog nooit een gedicht had gelezen. Ik heb me nooit moeten afvragen: wat doe ik hier?’ Zijn vader was handelsreiziger. ‘Een goeie verkoper. Prima babbel en veel humor. Hij is vroeg gestorven: botkanker. In die tijd kreeg je niets tegen de pijn, want daar kon je verslaafd aan raken. Hij heeft nooit een dokter kunnen vinden die hem wat wilde geven. Op een dag zei hij: “Jules, jij komt weleens in de stad, kan jij me niet
helpen.” Daar heb ik toen voor gezorgd. Mijn moeder is ook dood. Ik mis haar niet hoor. Ze was uitgeleefd. Ik ben al blij dat ik haar niet naar een tehuis heb hoeven brengen. Ik ben altijd mijn gang gegaan. Soms bleef ik wel drie maanden weg. Je gaat altijd met ruzie het huis uit en later kom je weer terug. Het lijkt dan of je andere ouders hebt gekregen.’

De literaire wereld kan hem niet goed plaatsen. ‘Jules Deelder, de performer, schrijven ze dan. Nee ik ben dichter, daar begint en eindigt het mee. Als ze
denken dat ze mij doorhebben, heb ik ineens weer de Antigone bewerkt. Of Sneeuwwitje. Ik heb een goed oor voor dialogen. Daar zijn we in Nederland
niet zo sterk in. Het is altijd toneelschoolgegalm. Sommigen zeggen dat ik een cabaretier ben, dan zijn ze van mij af. Nou ze zijn nog niet van mij af. Ik heb altijd wat in de machine staan. Als ik thuiskom, kan ik gelijk door met iets. De ene keer dient het zich aan in de vorm van verhalen, de andere keer als een gedicht. Niets is mooier dan een tekst in de vorm op papier zien staan. En dat je weet: er kan geen woord meer af of bij.’

 Critici willen poëzie lezen die alleen zij begrijpen. Als er niets uit te leggen valt, kunnen ze wel inpakken

Aan koketterie met de quasi-ziel van de dichter wil hij niet. ‘Er wordt zelden een essay gewijd aan mijn oeuvre. Critici blijven in de roddelsfeer steken. Verder dan mijn zwarte pak komen ze niet. Critici willen poëzie lezen die alleen zij begrijpen. Als er niets uit te leggen valt, kunnen ze wel inpakken.

‘Ik schrijf in de taal van het volk. Het gedicht voor mijn dochter Ari is ingeslagen als een bom. Iedereen wil dat horen. Daaruit blijkt dat je nog een mens bent. Alsof je al die andere dingen voor lul hebt geschreven. Ik word veel gebruikt bij crematies en op geboortekaartjes. Als ik mijn ogen toe doe/ben ik in Honolulu, aan zo’n zin ontlenen mensen troost. Hij staat nu ook op de kussenslopen van de
Bijenkorf. Nu ik het zeg: ik moet er achteraan gaan; ik krijg een gulden per sloop en ze worden voor 20 gulden verkocht. En die gozer maar bijdrukken.’

Er volgt een ode aan zijn dochter. Vijftien jaar is ze. ‘Een leraar op school zou een gevoelig gedicht voorlezen. Terloops zei hij tegen Ari: “Daar hoef je niet voor bij je vader te zijn, nietwaar?” Ohohoh, wat werd ze boos. De volgende dag kwam ze met mijn gedicht “Van vader op zoon”. Toen heeft die leraar zijn excuses aangeboden.

‘Ik denk dat het Nederlands over een tijdje wordt afgeschaft’

‘Het onderwijs is van een onzegbare droefheid. In mijn tijd moest je al sterk in je schoenen staan wilde je niet met een afkeer voor de Nederlandse literatuur van school komen. Het is alleen maar erger geworden. We zijn een kijkersvolk. Ik denk dat het Nederlands over een tijdje wordt afgeschaft. Als het goed is voor de handel gaan Nederlanders Engels lullen. Nog twee generaties en we komen met onze taal in de folkloristische hoek terecht. Nederlands spreken wordt dan als volksdansen en vendelzwaaien.’

Internet en aanverwante moderniteiten zijn de nieuwste brandstapels van de taal. ‘Wie wil er nou in een worldwide web zitten? Ik niet. Dan word je toch  leeggezogen. Ze zeggen dat internet de mensen dichter bij elkaar brengt. Juist niet. Alles kan via de computer. Straks komt er nog een computer waar je je lul kan insteken. Dat kan niet goed zijn. Het isolement rukt op. Internet wordt verkocht als vrijheid. Nee meneer, het is mindcontrol. En die Bill Gates maar lachen. Hij is de spin.’

De dans der atomen is overal

Na een gin tonic. ‘Kan de dichter anders dan een romanticus zijn? Alleen het feit dat je de dingen opschrijft, is een romantische daad. In alles wat mooi is, zit iets treurigs. Zonder kwaad, geen goed. De dans der atomen is overal. Dat kan je zien in een goeie trip: alles beweegt. Zelfs de muren dansen mee op het ritme van jouw hartslag.

‘Het onvervulbare verlangen, daar gaat het om. Als ik een landschap zie waarin de horizon laag is onder zeventiende-eeuwse luchten, heb ik altijd de onbedwingbare neiging om achter die horizon te kijken. Zoals vroeger, toen je als kind op zomeravonden niet alleen voor, maar ook na het avondeten mocht buiten spelen en dan bevangen werd door het vallen van de avond. Dan had je ook het idee dat er om elke straathoek nog iets was. Dat heb ik nog steeds. Ik ben als dichter een generalisator van wat er om de hoek zou kunnen zijn.’

 ‘Geld en seks zijn beide altijd humorloos. Ik roep de lezer op voortaan onder een grote poster te slapen: Fuck seks’

Een mens van spreuken, ook dat is Jules Deelder. ‘Mijn laatste was: Op een beweeglijk standpunt sta je het sterkst. Denkend aan de nieuwe eeuw ben ik geneigd om ‘Fuck seks’ als spreuk voor de komende jaren te gebruiken. Ik word doodziek van het geouwehoer over seks. Dat treurige gedoe op die bankstelletjes met een schemerlampje erbij, het moet maar eens afgelopen zijn. Dat gesop op de televisie ook, ohohoh ik kan er niet tegen. De relativiteitstheorie is volkomen voorbijgegaan aan seks. Geld en seks: beide zijn altijd humorloos. Bij deze roep ik de lezers op voortaan onder een grote poster te slapen: Fuck seks. Dan zijn we overal van af. Tenslotte gaat al dat geneuk ook van onze creatieve energie af.’

Gelukkig als een kind zegt hij: ‘Het gaat niet om seks, het gaat om schoonheid. Ik heb pas een nieuwe CX gescoord. Van deze auto zijn er maar tweehonderd  gemaakt. Cassisrood, leren bekleding, dashboard in echt notenhout. Je weet niet wat je ziet. Nee, het is geen auto voor mannen in die verschrikkelijke vrijetijdspakken en achterlijke schoenen. Het is een auto voor mannen met stijl. Wat zeg ik, voor mannen met design.’

Een auto voor Jules Deelder dus.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren
Bij het plaatsen van een reactie geldt een aantal voorwaarden. Klik hier voor de voorwaarden.