Oek de Jong Premium Corner

‘Je moet jezelf als schrijver pijn kunnen doen’

09 juli 2020

Hoe win je het als schrijver nog van Netflix? Oek de Jong (67) laat met zijn succesvolle jongste roman Zwarte schuur zien dat het kan. Over suspense en scenisch schrijven. ‘Je moet heel ver gaan, heel diep,’ zegt De Jong. Net als eens Ellen van Langen.

Voor pessimisten die twijfelen aan de toekomst van de literaire roman is het altijd weer een hoopgevend gezicht: al die mensen die ’s zomers, op het strand, de camping, het hotelterras of in de tuin, verdiept zijn in een kloeke roman, opgeslokt door wat ze lezen. Onherroepelijk legt het boek het af tegen het beeld. Maar dat massale ­zomerlezen is toch een teken van vitaliteit. Het geschreven woord kan blijkbaar nog steeds iets wat het beeld niet kan.

Deze zomer zal het ongetwijfeld de ­zomer zijn van Zwarte schuur. De vijfde grote roman van Oek de Jong verscheen afgelopen najaar, kreeg goede kritieken en werd ook meteen ‘omhelsd door de lezers’, zoals De Jong het zelf zegt in wat zijn eerste interview ooit met Elsevier Weekblad blijkt te zijn.

Zwarte schuur – genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs – vloog de boekwinkel uit, De Jong toerde tot de coronacrisis langs volle zalen. Het leek wel veertig jaar geleden. Toen werd De Jongs verpletterende romandebuut Opwaaiende ­zomerjurken een onverwachte hit en trad de schrijver – amper 27 jaar – als een popster op in afgeladen zalen, zich schamend voor zijn armoedige kleren.

Met veel vaart geschreven, maar zeker geen lichte kost

Het succes van Zwarte schuur is om meer redenen bijzonder. Ten eerste is het een bij uitstek literaire roman: gelaagd en ambitieus. En het is wel met veel vaart, spanning en dramatische effecten geschreven, maar zeker geen lichte kost. Hoofdpersoon Maris Coppoolse – succesvol schilder van Zeeuwse komaf – is een vulkanisch mens met een ziel die net zoveel schakeringen telt als een oude deur verflagen.

Getraumatiseerd, driftig, sensitief en destructief, ambitieus en onzeker, macho en zorgzaam. Dader en slachtoffer ineen bovendien: zelf gevormd door (huiselijk) geweld van zijn moeder, doodt hij in zijn jeugd in een fatale opwelling van drift het pubermeisje Matty. Dit duistere verleden komt volop spoken als Coppoolse, als 59-jarige, tegelijk op het toppunt van zijn roem is én verwikkeld in een homerische huwelijkscrisis.

De Jong is bezig met de vraag: wat kan alleen de roman zeggen?

Oek de Jong (Breda, 1952) ­debuteerde in 1977 met de ­bekroonde verhalenbundel De hemelvaart van Massimo. Zijn romandebuut en grote doorbraak beleefde hij in 1979 met Opwaaiende zomerjurken, ook bekroond. Daarna volgen de romans Cirkel in het gras (1985), Hokwerda’s kind (2002), Pier en oceaan (2012) en Zwarte schuur (2019), dat werd genomineerd voor de ­Libris Literatuurprijs 2020.

Dus ja: wat je noemt een geladen, dramatische roman. Zo verschijnen ze niet vaak. Het succes ervan is extra interessant omdat De Jong, voordat hij zes jaar geleden aan Zwarte schuur begon, in 2013 het essay Wat alleen de roman kan zeggen publiceerde. Daarin probeert hij de vraag te beantwoorden of de roman nog wel opkan tegen de steeds dominantere beeldcultuur. En zo ja: hoe? Wat kan de roman dat Netflix niet kan?

Het essay leest achteraf bijna als een handleiding voor Zwarte schuur. Eerst de theorie, dan de praktijk: zo schrijf je een ‘roman die er inhakt’. Dat de theorie – getuige het succes van Zwarte schuur – in de praktijk nog werkt ook, zegt iets over het ambachtelijke meesterschap van De Jong. Alle reden om met hem te praten over the making of… Zwarte schuur. Hoe werkt die roman, en waarom werkt hij?

 

‘Ik wil een boek schrijven dat mensen niet snel vergeten’

Het is eigenlijk bij elke roman hetzelfde,’ zegt De Jong. ‘Om het een beetje stoer te zeggen: ik wil een roman schrijven die er inhakt. Je raakt, ontroert. Een boek dat mensen niet snel vergeten. Dat is eigenlijk het eerste wat ik wil bereiken – daarom werk ik er ook zo lang aan. Au fond ben ik een verteller. Tolstoj is een van mijn grote voorbeelden. Maar ook Amerikaanse schrijvers van nu als Jonathan Franzen en Don DeLillo. Allemaal vertellers.

‘Wat ik vooral van het essay heb geleerd, is dat suspense onontbeerlijk is, wil een roman kunnen concurreren met film, met Netflix. Daaraan ben ik gaan werken. En de respons die ik krijg van ­lezers is dat het werkt. Mensen hebben Zwarte schuur in een weekend uit. Ze worden drie dagen in mijn roman gezogen, omdat ze een dreiging voelen die ze door het verhaal sleept.

‘Ik heb dit gegeven twee jaar als een verpletterende last gevoeld’

‘Ik ben nog scherper gaan beseffen dat je als schrijver hoog moet inzetten om je lezer bij de lurven te pakken. Dat doe ik in Zwarte schuur door Maris ­Coppoolse op zijn veertiende de dood van een meisje te laten veroorzaken.’

‘Ik ben geen schrijver die begint met een concept. Voor mij begint een roman met dwingende beelden. Een jongen die op een hooizolder een meisje een duw geeft waardoor ze in de diepte valt en sterft – dat was één van die dwingende beelden. Vervolgens is er alles wat zo’n gebeurtenis meebrengt aan oorzaken en gevolgen. Ik heb dit dramatische gegeven een jaar, misschien wel twee jaar als verpletterende last gevoeld. Hoe kan ik in godsnaam een verhaal schrijven over iemand die dát op z’n geweten heeft?

‘Zo leg ik de lat hoog. Ik heb veel gelezen over trauma: over mensen die de kampen hebben overleefd, over oorlogsveteranen. Ik heb me er enorm in verdiept, maar dan kom je ook wel op iets uit, iets fundamenteels.’

Laden…

Word abonnee en lees direct verder

Al vanaf 8 euro per maand leest u onbeperkt alle edities en artikelen van Elsevier Weekblad. Bekijk onze abonnementen.

Verder lezen?

U hebt momenteel geen geldig abonnement. Wilt u onbeperkt alle artikelen en edities van Elsevier Weekblad blijven lezen? Bekijk dan onze abonnementen.

Word abonnee

Er ging iets fout

Uw sessie is verlopen

Wilt u opnieuw

Premium Corner
Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren
Bij het plaatsen van een reactie geldt een aantal voorwaarden. Klik hier voor de voorwaarden.