nederland

Bij moord op partner is het kind vaak ooggetuige

Door Elif Isitman - 12 november 2014

In gevallen van partnerdoding zijn kinderen vaak getuige. Minstens een kwart van de kinderen waarvan een ouder door de andere ouder wordt gedood, ziet dit gebeuren.

Dit komt voort uit de bevindingen van een onderzoek van het Psychotraumacentrum WKZ van het UMC Utrecht naar de gevolgen van partnerdoding voor kinderen. Jaarlijks verliezen zo’n 26 kinderen een ouder omdat die door de andere ouder wordt vermoord. Minstens een kwart hiervan ziet de vaak gruwelijke moord voor zijn of haar ogen gebeuren. In een vierde van deze gevallen behoudt de dader na de doding voor een bepaalde tijd het gezag over de kinderen.

Gruwelijk

Voor het onderzoek werden 170 dossiers onderzocht en kinderen, ouders, verzorgers en hulpverleners geïnterviewd. In de periode tussen 2003 en 2012 verloren 257 kinderen een biologische ouder doordat deze door de andere ouder werd vermoord. Een deel van de kinderen verloor ook de andere ouder: een op de zes daders pleegde zelfmoord. Het grootste gedeelte van de daders was mannelijk.

Het meest bekende recente voorbeeld van partnerdoding is de moord op Claudia Oskam in Zevenbergen door haar ex-man William R. De kinderen waren er in dit geval niet bij.

De partnerdodingen die werden onderzocht waren van gewelddadige en gruwelijke aard. In bijna alle gevallen was er voor de doding sprake van een relatiebreuk. Volgens het onderzoek leven kinderen jaren later nog steeds in een ‘fragiel evenwicht’: 92 procent ervaart psychische problemen, variërend slaapproblemen of agressief gedrag.

Onwenselijk

Kinderen werden na de moord vaak misleid over wat er aan de hand was. Onderzoekers zeggen dat kinderen soms hoorden dat hun moeder nog in het ziekenhuis lag of nog sliep of dat hun vader de politie aan het helpen was bij het opsporen van de dader. Dit is uiteraard slecht voor de rouwverwerking van het kind.

De onderzoekers pleiten voor een automatische voogdijmaatregel na de moord. Volgens hen is het ‘zeer onwenselijk’ dat daders na de moord het gezag houden over het kind.

‘In eerste instantie denken hulpverleners soms dat de situatie stabiel is, als de dader zegt dat hij overal aan mee wil werken’, zegt onderzoeker Arend Groot van UMC Utrecht tegen de Volkskrant, ‘dan wordt alleen een ondertoezichtstelling aangevraagd en soms helemaal geen kinderbeschermingsmaatregel. Maar na verloop van tijd zie je bijna altijd dat er spanningen ontstaan.’

Strijd

Een verrassende uitkomst is dat kinderen na een moord in principe zowel bij de familie van het slachtoffer als die van de dader ‘naar tevredenheid’ kunnen wonen. Voorwaarde hiervoor is wel dat kinderen buiten de strijd worden gehouden zodat zij zelf in alle rust een mening kunnen vormen over de dader.

Families van het slachtoffer en de dader krijgen in veel gevallen strijd, vaak over waar het kind moet wonen. Maar ook bagatellisering van de dood door de familie van de dader kunnen een reden zijn voor hevige ruzies.

In gevallen van strijd kan de dader soms moeilijk gaan doen over de woonplaats van het kind omdat hij niet wilt dat het bij de andere familie woont. Of daders gaan behandelingen dwarsbomen.

Staatssecretaris Fred Teeven (VVD) van Veiligheid en Justitie heeft een wetsvoorstel ingediend waarin hij bepleit dat de kinderrechter het laatste woord heeft over contact of omgang van kinderen met de dader. De rechter zou moeten oordelen op basis van een verzoekschrift van de raad voor de kinderbescherming. De norm is hierbij geen contact of omgang tenzij bewezen kan worden dat dit in het belang van het kind is.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.