nederland

Integratie: Turkse en Marokkaanse jongeren blijven zorgenkindje

Door Servaas van der Laan - 19 november 2014

Hoewel ze het beter doen dan hun ouders, blijven Turkse en Marokkaanse jongeren achterlopen op andere allochtone of autochtone leeftijdsgenootjes. Matige schoolprestaties van deze jongeren staan een succesvolle integratie in de Nederlandse samenleving in de weg.

Dat blijkt uit het Jaarrapport Integratie 2014 van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Grote achterstand

Turkse en Marokkaanse jongeren gaan steeds hogere niveaus volgen in het voortgezet onderwijs en het vervolgonderwijs, maar vergeleken bij autochtone, Surinaamse, Antilliaanse en, in het bijzonder Iraanse leeftijdsgenootjes, blijft de achterstand groot.

Leerlingen van Turkse en Marokkaanse komaf zitten in de derde klas van het voortgezet onderwijs de helft zo vaak op havo of vwo als autochtone leerlingen. Turkse en Marokkaanse meisjes doen het gemiddeld iets beter op school dan jongens met dezelfde afkomst. Opvallend is dat overige niet-westerse leerlingen, niet van Turkse, Marokkaanse, Surinaamse of Antilliaanse herkomst, wat opleiding betreft veel minder verschillen van autochtone leerlingen. Iraanse leerlingen gaan zelfs vaker naar havo of vwo dan autochtone leeftijdsgenootjes.

Taalachterstand

Volgens het CBS beïnvloedt de thuissituatie in grote mate de schoolprestaties van de leerlingen. Als er thuis geen Nederlands wordt gesproken, is dit terug te zien in de Eindtoets Basisonderwijs. Taalachterstand is, samen met het hebben van laagopgeleide ouders, niet-werkende ouders, een alleenstaande ouder of een laag huishoudinkomen, één van de overheersende kenmerken van vroegtijdige schoolverlaters.

Niet westerse allochtonen verlaten dan ook vaker het onderwijs zonder een diploma. Deze vroegtijdige schoolverlaters hebben zes jaar later minder vaak werk, vaker een uitkering en zijn bovendien vaker betrokken bij misdrijven in vergelijking met leeftijdsgenoten die hun school wel afmaken.

Economische crisis

De economische crisis heeft de zaken er niet makkelijker op gemaakt voor niet-westerse jongeren. Begin 2014 had 68 procent van de autochtonen werk. Voor Turken en Marokkanen ligt dit percentage op 44 procent.

Turkse en Marokkaanse jongeren hebben vaker een tijdelijk contract dan autochtone jongeren. Deze flexibele contracten werden in tijden van crisis eerder beëindigd. Begin 2014 was de Turkse en Marokkaanse tweede generatie vaker werkloos dan de eerste.

Binnen de vier grootste niet-westerse herkomstgroepen hebben personen van Surinaamse herkomst gemiddeld het hoogste inkomen, gevolgd door personen van Antilliaanse herkomst. Dit hangt samen met hun hogere arbeidsparticipatie en lagere bijstandsafhankelijkheid. Wel liggen de inkomens nog een stuk lager dan de inkomens van autochtonen.

Crimineel

Naast een slechtere arbeidsparticipatie vertonen Turkse en Marokkaanse jongeren ook vaker crimineel gedrag. Marokkanen scoren hier slechter dan Turken.

Ongeveer één op de tien Marokkaanse jongvolwassenen (18 tot 25 jaar) kreeg in 2013 een proces-verbaal wegens het plegen van een misdrijf. Dat is twee keer zo vaak als Turkse en vijf keer zo vaak als autochtone jongvolwassenen.

Thuissituatie

De thuissituatie en achtergrond is in veel gevallen bepalend voor de carrière en levensloop van niet-autochtone Nederlanders. Zo is er bij Turkse en Marokkaanse vrouwen vaak sprake van vroege gezinsvorming. Deze vrouwen trouwen op jonge leeftijd, zonder dat zij hiervoor met hun man samenwoonden. Ook krijgen ze vervolgens snel kinderen.

Dit staat in contrast met autochtone vrouwen die later trouwen en kinderen krijgen en dit bovendien pas doen nadat ze eerst een tijd ongehuwd hebben samengewoond. Van de Surinaamse en Antilliaanse vrouwen met kinderen is de meerderheid juist niet getrouwd en veel van hen hebben zelfs geen partner.

Deze verschillen zorgen ervoor dat autochtone vrouwen veel vaker een volle arbeidscarrière hebben dan niet-westerse vrouwen. Ook zijn autochtone vrouwen het beste in staat om werk met het gezin te combineren.

Pluspuntjes?

Pluspuntjes voor de tweede generatie allochtonen in Nederland zijn er te vinden bij de woonsituatie. Tweedegeneratieallochtonen (30 tot 40 jaar) met een eigen huishouden wonen vaker in een koopwoning en minder vaak in een sociale huurwoning dan degenen die nog thuis wonen (5 tot 15 jaar).De tweede generatie met een eigen huishouden woont, met uitzondering van degenen van Turkse herkomst, vaker dan de thuiswonenden in een appartement dan in een eengezinswoning.

Volgens het CBS wijzen de verandering in woonsituatie op een voortgaande integratie van de tweede generatie. Wel is het zo dat tweedegeneratieallochtonen vaker in een sociale huurwoning zitten en in buurten wonen met een relatief hoog aandeel andere niet-westerse allochtone inwoners.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.