nederland

Steeds machtiger Brussel gaat meer en meer op Washington lijken

Door Jelte Wiersma - 16 maart 2015

Er zijn veel verschillen tussen de hoofdstad van de Verenigde Staten en die van de Europese Unie. Maar het aantal overeenkomsten neemt toe, zeker nu Brussel steeds machtiger wordt. Wat valt insiders op?

De ene stad werd gebouwd aan de Potomac-rivier als hoofdstad van een ontluikende wereldmacht, de andere groeide organisch aan het riviertje de Zenne als hoofdplaats van Brabant.

Washington D.C. en Brussel ontwikkelden zich totaal verschillend, maar nu zijn het de hoofdsteden van de belangrijkste machten ter wereld: de Verenigde Staten en de Europese Unie. De steden groeien onmiskenbaar naar elkaar toe. De overeenkomsten en verschillen aan de hand van zeven thema’s.

1 Het decor van de politiek

Op televisie lijkt het heel wat, in werkelijkheid zijn de zaaltjes op het Capitool en in het Witte Huis in Washington niet groot.

‘De zaaltjes en werkkamers van de Afgevaar­digden in Washington zijn kleiner dan die in het Europees Parlement,’ zegt Derk Jan ­Eppink (56), schrijver en tot met 2014 lid van het Europees Parlement. Hij was lid van de Parlementsdelegatie voor de Verenigde Staten en woont in New York.

Het Capitool (gebouwd, gerenoveerd en uitgebreid tussen 1793 en 1850) is genoemd naar het Romeinse voorbeeld, ligt op een heuvel en kijkt uit over de stad. Het witte gebouw is het huis van de Senaat en van het Huis van Afgevaardigden, ofwel de Amerikaanse Eerste en Tweede Kamer.

Iedereen mag naar binnen. ‘Je gaat door een detectiepoortje en kunt er bijna als toerist rondlopen. Toen ik er voor het eerst was, dacht ik dat een beveiliger me wel zou aanspreken. Maar dat gebeurde niet,’ zegt Eppink.

Hoe anders is dat bij het Europees Parlement. Daar is een burger niet welkom zonder uitnodiging van een Parlementslid of medewerker. Washington en het Capitool zijn gebouwd voor de burgers van de nieuwe republiek. Voor het glazen gebouw van het Europees Parlement (1979-heden) werd de schitterende Leopoldwijk half platgegooid; Brusselse burgers moesten wijken.

Binnen zijn het twee verschillende werelden. ‘Amerikanen hangen alle muren vol, Europeanen minder,’ zegt Eppink. Bij Amerikanen gaat het om vlaggen van hun staat en spulletjes die aan thuis herinneren.

Vooral Amerikaanse Senatoren – die grote kantoren hebben – maken daar musea van, met soms zelfs een lijst namen van gevallen militairen uit hun staat. In het Europees Parlement: veelal kale muren.

Met mensen uit 28 verschillende landen neemt altijd wel iemand aanstoot aan een muurversiering. Al hebben sommige Europeanen er wel een vlag van hun land of hun regio hangen.

Recht tegenover het Capitool, gescheiden door een gazon, staat het Witte Huis, die andere machtsbasis in Washington. De leden van het Europees Parlement hebben geen zicht op de twee andere Brusselse machtsbases: die van de Raad (de 28 Unielanden) en de Commissie (de uitvoerende dienst).

Tussen die twee in staat, bijna symbolisch, de Duitse ambassade. Het Europese machtsspel speelt zich vooral af in de hoofdsteden, met Berlijn als centrum. De Britse en de Nederlandse ambassade staan aan de rechterzijde. Ook bijna symbolisch.

2 De band met de kiezer

Washington is in veel het voorbeeld voor Brussel. ‘President’ Jean-Claude Juncker van de Europese Commissie – na de verkiezingen van vorig jaar heette hij zelfs even president elect, zoals de nieuwe Amerikaanse president tot zijn inauguratie wordt genoemd – houdt jaarlijks een State of the Union, zoals de Amerikaanse president.

Net als in Washington zijn de gebouwen in Brussel genoemd naar grondleggers van Europa en andere historische hoofdrolspelers.

Verschillen zijn er ook. Misschien wel het grootste is de omgang met kiezers. De 751 leden van het Europees Parlement worden eens in de vijf jaar gekozen.

Voor het Huis zijn permanent verkiezingen. De leden zijn dan ook veel minder in Washington te vinden dan hun Europese tegenhangers in Brussel omdat zij steeds op campagne moeten in hun district of staat.

Zij doen dat om kiezers te werven en om particulier geld te vergaren. ‘Barbecues, bedrijfsopeningen, fairs, kerkdiensten, fund­raisingdiners: Amerikaanse politici zijn daar veel tijd aan kwijt. Het voordeel is dat ze bij mensen aan tafel zitten en horen wat er speelt,’ zegt Eppink.

Europese politici krijgen belastinggeld om eens in de vijf jaar campagne te voeren. Zij kunnen de kiezer al die tijd mijden.

Voor de rest geldt: politiek is politiek, waar ook ter wereld. Een Senator die steun geeft aan bijvoorbeeld een wet over landelijke normen voor uitlaatgassen wil in ruil een brug in zijn staat.

Dezelfde koehandel is er in Brussel. De gekste dossiers worden aan elkaar geknoopt. Subsidie voor een vliegveld in Finland in ruil voor steun aan stralingsnormen voor mobiele zendmasten; heel gewoon.

3 Lobbyen: groot geld, sneaky

Brussel huisvest de meeste lobbyisten ter wereld. Niet verwonderlijk. Brusselse ‘wetten’ zetten veel meer dan Amerikaanse wereldwijd de standaard. Europa handelt meer en is een grotere markt dan de Verenigde Staten. Niet-Europese producenten die hun waar in de Unie willen verkopen, moeten aan die standaarden voldoen.

Zo exporteert de Unie producteisen over de hele wereld. Alle grote firma’s hebben ambassade-achtige gebouwen; de kleinere lobbyen via brancheorganisaties of lobbykantoren. Hoe zij proberen hun doel te bereiken verschilt, zegt de Britse lobbyist Julia Harrison (51) van FTI Consulting. Zij werkte in beide steden.

Harrison: ‘In D.C. wordt meer gelobbyd op basis van feiten. Lobbyorganisaties laten peilingen doen om met de resultaten Congresleden te overtuigen. Dan kun je wetgeving killen. In Brussel kun je wetgeving alleen bijsturen. Daar zijn milieugroepen en vakbonden veel sterker. Dat geeft meer druk om tot een compromis te komen.’

In Brussel betaalt het politieke systeem zijn eigen oppositie. Veel ‘sociale’ lobbygroepen krijgen subsidie van de Europese Commissie.

In D.C. wordt veel meer particulier geld in lobbyen gestoken, mede doordat bedrijven zelf hun belang verdedigen. In Brussel zijn het sectoren die via belangenorganisaties lobbyen.

De laatste jaren zijn er veel groepen gekomen als Cosmetics Europe, Business Europe, Insurance Europe. Harrison: ‘Die groepen, ook de industrieën, zitten aan tafel in expertgroepen die wetgeving mede vormgeven. Brussel is meer sneaky. Je weet niet wie het met wie doet. In Brussel is de pers ook meer geïntegreerd in het wetgevingsproces, journalisten weten meer dan de rest. Er wordt meer gelekt.’

In D.C. zijn lobbyisten verplicht zich in te schrijven in een register, en is het openbaar hoeveel geld welk bedrijf uitgeeft en met wie lobbyisten praten. Zelfs bonnetjes van maaltijden worden gepubliceerd. In Brussel niet. ‘Al wordt het, denk ik, op termijn ook verplicht,’ zegt Harrison.

4 Elite: macht ontglipt

Zowel Brussel als D.C. kende duidelijke elites. In Brussel waren het de christen-democraten en in mindere mate de socialisten die de opinies van burgers kanaliseerden. Die partijen fungeerden als spons, opleidingsinstituut en machtsblok.

Vooral Franstalige katholieken – meestal jezuïeten – maakten als politieke superkaste Brussel tot wat zij nu is. In D.C. was de protestantse elite bijna exclusief afkomstig van rechtenfaculteiten in het noordoosten.

Maar in beide steden ligt de bestaande politieke cultuur onder vuur. In Brussel pookt Nigel Farage, leider van de Britse UKIP, het politieke huis op, in D.C. is het de Tea Party die samen met opiniezender Fox News politieke gewoontes in de Republikeinse Partij doorbreekt.

‘Er was een soort coherentie,’ zegt politiek filosoof Larry Siedentop (79), Amerikaan van geboorte, Brit van nationaliteit, docent aan de Universiteit van Oxford en auteur van Democratie in Europa. ‘Maar het zwaartepunt in de Verenigde Staten verschuift van noordoost naar zuid en west.’

Het is te zien en te horen: Republikeinse latino’s voeren campagne in twee talen en brengen het Spaans mee naar Washington. En Tea Party-leden uit onder meer Texas hebben de Republikeinen gedwongen conservatiever te zijn, met enorme clashes tussen Democraten en Republikeinen tot gevolg.

Het heeft Washington gespleten. In Brussel drukken het Duits en Engels het Frans naar de marge.

Duits is de taal van de nieuwe macht, het Engels de taal van een nieuwe generatie uit onder meer Oost-Europese landen, zoals Polen. Texas en Polen: beide conservatief, eens arm maar steeds welvarender en, door een grote bevolking, machtiger. Beide met rauwe manieren en een militaire agenda. Brussel moet daar nog aan wennen.

En ook aan het toenemende aantal EU-sceptici in het kielzog van Farage. Brussel wordt er minder gemoedelijk van.

5 Files en openingstijden

Beide steden zijn een magneet voor jonge mensen, zegt Amandine Muskus (35). De Frans-Amerikaanse werkte in Washington voor het ministerie van Transport en vertegenwoordigt in Brussel onder meer BOVAG en TüV, organisaties die auto’s keuren.

‘In Washington zijn appartementen duur en is het gewoon dat jongeren samenwonen. In Brussel zie je dat ook steeds meer.’

Toch blijven er grote culturele verschillen. ‘In D.C. hebben universiteiten eigen clubs. Als je nieuw bent, kun je daar als alumnus naartoe en leer je meteen nieuwe mensen kennen, van verschillende generaties. Dat bestaat in Brussel nauwelijks. Je ziet eenzaamheid, dat is treurig. Daarom heb ik met anderen YPFP opgericht, een netwerkclub voor young professionals met afdelingen in Brussel, Londen en Amsterdam, en 30.000 leden.’

Wat haar meteen opviel: vrouwen dragen in D.C. broekpakken en mannen pakken. ‘Mede omdat alles op televisie wordt uitgezonden. De standaard is gezet door mannen. Vrouwen die serieus willen worden genomen, gedragen zich mannelijker.

In Brussel zijn vrouwen vrouwelijker, met jurkjes en hoge hakken. Ik heb altijd flatjes in mijn tas, omdat ik niet de hele dag op hoge hakken kan lopen. Ik zie dat andere vrouwen dat hier ook zijn gaan doen.’

Nog steeds verbijsterend voor Amerikanen: de openingstijden van sportscholen en restaurants en het gebrek aan service. In D.C. kun je om vijf uur ’s ochtends naar de sportschool en is het niet ongebruikelijk dat een ministerie om zes uur de eerste persbriefing geeft. In Brussel gaat het tempo ook omhoog. De cultuur van urenlange lunches en diners wordt langzaam ingeruild voor D.C.-stijl-koffiebars waar de ontmoetingen kort zijn.
Met 55.000 ambtenaren en 20.000 lobbyisten (13.000 in D.C.) plus duizenden diplomaten, politici en journalisten is Brussel zo groot geworden en er zijn zo veel crises dat tijd een factor is geworden, net als in D.C. En het zijn allebei autosteden met eindeloos veel tunnels en fly-overs.

Er staan dagelijks monsterlijk lange files van welvarende diplomaten, lobbyisten en anderen van en naar hun villa’s in de voorsteden.

6 Media: lachen om elkaar

In geen stad lopen meer internationale journalisten rond dan in Washington: 1.500. Nummer twee is Londen, als financieel centrum, en nummer drie is Brussel met 1.122 geaccrediteerde verslaggevers, en dat aantal groeit; in Washington krimpt het.

‘Maar de cultuur is volledig anders,’ zegt de Amerikaanse freelance-journalist Teri Schultz (48). Zij werkte 6,5 jaar in Washington voor CNN, Fox News, ABC en CBS en sinds acht jaar in Brussel voor onder meer de Amerikaanse publieke radio.

Schultz: ‘Ik vertrouw in Brussel alleen de persbureaus AP en Reuters. De kranten zijn vaak partner van hun land of hebben een relatie met een partij of vakbond. Journalisten laten reizen betalen door de Europese Unie. Journalisten van de Balkan worden zelfs volledig gesubsidieerd. Daar snap ik niets van. Ik mag niks aannemen boven de 25 dollar en betaal reizen zelf. Wij Amerikanen worden daarom uitgelachen.’

De hoeveelheid talen en media is in Brussel veel groter, de redacties zijn kleiner. Doordat journalisten uit de Unielanden verschillende interesses hebben, is de verslaggeving uit Brussel veel diffuser.

Schultz: ‘In D.C. loopt iedereen achter dezelfde verhalen aan. Aan de andere kant: er wordt dieper gegraven en als woordvoerders of politici niet open zijn, maken wij dat veel duidelijker dan in Brussel.’
Persconferenties van de Europese Commissie gaan wel steeds meer lijken op die in D.C. Woordvoerders kennen een aantal journalisten bij naam en geven die, net als in het Witte Huis gebeurt, het woord door ze bij hun voornaam te noemen.

Vooral hun goedgezinde journalisten krijgen het woord – dat is in beide steden hetzelfde. De gerespecteerde Amerikaanse mediagroep Politico maakt in april haar entree in Brussel met 25 verslaggevers. In één klap de grootste speler. ‘Misschien dat Brussel nóg meer D.C. wordt,’ zegt Schultz.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.