nederland

De veelzijdige Diederick Slijkerman een wonderkind? Welnee!

Door Liesbeth Wytzes - 19 mei 2015

Wonderkind? Welnee, zegt historicus, jurist en theoloog Diederick Slijkerman (45), biograaf van staatslieden als Van Hogendorp. Kwestie van veel interesses en weinig slaap.

Voor een gepromoveerd historicus heeft Diederick Slijkerman een tamelijk onverwachte baan: hij is hoofd juridische dienst van het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG), een instantie die geneesmiddelen beoordeelt voordat ze op de markt worden gebracht

Maar goed, hij is naast historicus, jurist. En theoloog. Hij deed eindexamen in negen vakken, spijkerde  in de zomervakantie Latijn bij, leerde later Grieks. ‘Grieks leren kon alleen als ik de vooropleiding theologie deed, toen heb ik die hele studie maar gedaan. Dat liep dus wel een beetje uit de hand.’

En hij deed de vooropleiding conservatorium piano en orgel aan de Schumann Akademie, een hogeschool. Slijkerman had tot voor kort zelfs een officiële aanstelling als organist.

Pfff… een wonderkind! Welnee, zegt Slijkerman, ook nog getrouwd en vader van twee puberdochters. Hij vindt gewoon heel veel dingen leuk. ‘En ik heb weinig slaap nodig. Het gaat om de balans. En ik kan me goed concentreren.’

Spionage

Bij het CBG dragen medewerkers een pas aan een blauw koord; bezoekers krijgen een rood koord. Ze zijn daar namelijk nogal bang voor bedrijfsspionage; het is voor bepaalde ondernemingen erg interessant om te weten wat voor geneesmiddelen hier zoal worden gepresenteerd.

Bij het CBG worden dus geneesmiddelen gekeurd voor- en nadat ze op de markt worden gebracht. ‘Je moet een vergunning hebben voor je de markt op mag, die wordt aangevraagd door vooral de farmaceutische industrie, maar kan ook van apotheken of drogisterijen komen. Wij beoordelen of iets echt werkt, of het effectief is, of de kwaliteit in orde is. We gelden als streng maar rechtvaardig: als je hier een handelsvergunning krijgt, heb je enige zekerheid dat je die in andere landen ook krijgt.’

Slijkerman is zo iemand die, als hij ergens werkt, eens om zich heen kijkt en denkt: zo, wat kan ik hier nog meer doen?
Hij werd bekend met zijn voortvarend geschreven biografie van staatsman en een van de founding fathers van het moderne Nederland Gijsbert Karel van Hogendorp (1762-1834), Wonderjaren. Die schreef hij in zijn vrije tijd.

Hij promoveerde in 2005 op Het geheim van de ministeriële verantwoordelijkheid, ook een boek dat hij naast zijn gewone werk schreef. Eerder werkte hij als jurist bij de Raad van State, schreef daar voor het interne blaadje en dacht toen dat het leuk zou zijn profielen te maken van de vicevoorzitters van de Raad. Ook dat werd uiteindelijk een boek, In dienst van de kroon.

Slijkerman ging rechten studeren in Leiden toen de arbeidsmarkt slecht was. Hij dacht: ik ga internationaal recht doen, en dan kan ik naar het buitenland. Vertegenwoordiger worden of zo. Hij wilde naast die studie Spaans studeren om zijn kansen op een internationale baan te vergroten, maar dat werd hem afgeraden. Eerst maar eens rechten halen.

‘Toen was ik wel een beetje verontwaardigd, maar ik dacht: dan ga ik er wel geschiedenis bij doen. Dan heb ik ook geen gedoe met talenpracticum. Ik ging een vakje volgen en toen ik na een jaar op het bord keek, bleek dat ik mijn propedeuse had gehaald. Ja, dat ging wel harder dan ik had gedacht. Ik vond het heel erg leuk.’

Saamhorigheid

Slijkerman moest ook nog in dienst, als een van de laatste lichtingen. Hij kwam bij het Regiment Van Heutsz, ruwe types met wie hij het goed kon vinden. ‘Dat was wel een cultuurschok. Er heerste enorme saamhorigheid, ik had heel goed contact met die jongens, juist omdat ik er zo buiten viel.’

Na anderhalve maand werd hij overgeplaatst naar de kazerne in ’t Harde, op de Veluwe. ‘Daar had ik veel vrijheid, en toen ben ik de monumenten op dat kamp gaan inventariseren. Praten met oudgedienden. Dat had nooit iemand gedaan.’

Daarna werd hij bedrijfsjurist bij Philips, bij toeval. Hij vond het al snel ‘een harde wereld’.  En hij ontdekte dat hij het leuk vond om met mensen om te gaan. Hij ging naar de Raad van State. ‘Dan had ik naast ervaring bij het bedrijfsleven ook ervaring bij de overheid.’

Destijds was Willem Scholten vicevoorzitter van de Raad van State. ‘Een moeilijk iemand, die dat donders goed wist van zichzelf. Iemand die van vormen hield en dat cultiveerde. Hij had van die Mitterrand-achtige trekjes, continu mooie dienstauto’s, vond zichzelf heel bijzonder.

‘Omdat ik voor het interne blad schreef, kwam ik op het idee over de vicevoorzitters te schrijven. Over hen was niet veel bekend. Ze vinden zichzelf heel belangrijk, nog steeds. De pers bijvoorbeeld neemt het jaarverslag van de Raad heel serieus, citeert er ook uit.’

Een van Scholtens voorgangers, Frans Beelaerts van Blokland, had zo’n hoge pet op van zichzelf dat wie hem in zijn kamer bezocht, moest buigen en vervolgens achterwaarts vertrekken. Alsof de vicevoorzitter eigenlijk de Koning was. ‘Zijn achterneef was heel erg verontwaardigd dat ik dat opschreef, maar ik had het uit een verslag van Beelaerts zelf.’

Vergetelheid

In 2005 ging Slijkerman bij het CBG werken, halftime. ‘Toen ik hier binnenkwam, had je eens in het jaar een WOB-verzoek. Er gebeurde helemaal niets. Inmiddels is de afdeling steeds groter geworden en nu bestaat de juridische afdeling uit 25 man.’

Omdat die baan voor vier dagen was, had Slijkerman tijd om die biografie van Van Hogendorp te schrijven. Het fascineerde hem dat Van Hogendorp in de vergetelheid is geraakt, en in reputatie overvleugeld door Thorbecke.

Intussen is hij begonnen met de biografie van liberaal econoom, wethouder, minister en hoogleraar Willem Treub (1858-1931). ‘Ik werd benaderd met zijn correspondentie aan een minderjarig meisje. Echt honderden brieven.’

Die werden hem aangeboden door de eigenaar van het antiquariaat waar de brieven lagen, thans minister van Justitie Ard van der Steur. ‘Een correspondentie die Treub twintig jaar onderhoudt, nadat hij in 1913 minister was geworden. Dat meisje noemt hem “oom”, dus het leek alsof ze zijn nichtje was. Maar dat is dus niet zo. Ze noemde hem oom omdat ze hem al zo lang kende, Treub was bevriend met haar vader.’

Eenmaal bezig vond Slijkerman andere brieven van Treub. ‘Ook in het buitenland heb ik archieven met brieven gevonden. Het is een soort speurwerk, je gaat schatgraven, ontdekt allerlei connecties.’

Treub heeft jammer genoeg veel vernietigd. Misschien heeft dat te maken met zijn gecompliceerde liefdesleven: hij trouwde en scheidde drie keer. En met het ‘nichtje’ van de brieven kreeg hij ook een verhouding.

‘Dat hield hij heel erg geheim. Ze is dan wel meerderjarig. Zelfs als minister scheidde hij, en dat in die tijd! Voor hij ging scheiden, woonde hij in een hotel in Amsterdam samen met een getrouwde vrouw. Dat werd getolereerd. Dat relativeert wel hoe je naar die tijd kijkt. Wij denken dat niets kon, maar dat is dus niet zo. Treub verkeerde ook in artistieke kringen. Als wethouder in Amsterdam heeft hij er bij zijn laatste raadsvergadering nog voor gezorgd dat Berlage de beurs ging bouwen. Dat was een vriend van hem. Hij maakte trouwens veel ruzie, dat is ook leuk.’

Maar als Treub alleen een ingewikkeld privéleven had gehad, zou Slijkerman niet zo geboeid zijn geweest. Zo’n biografie moet wel wat verder gaan dan anekdotiek, hoe spannend ook.

Geld

‘Treub heeft veel betekend voor Amsterdam. Politici als Floor Wibaut en Henri Polak zijn heel bekend, maar hij heeft de basis gelegd voor hun werk. Hij vond – heel opmerkelijk voor een liberaal – dat de nutsbedrijven die toen in particuliere handen waren, van de overheid moesten zijn. Dat heeft Amsterdam veel geld opgeleverd en daarmee heeft Wibaut later de woningbouw bekostigd.

‘Treub voerde de maximumwerktijd en het minimumloon in. En hij heeft ervoor gezorgd dat Nederland redelijk welvarend en veilig door de Eerste Wereldoorlog is heengekomen.’ Nederland was dan wel neutraal, dat betekende niet dat we niets van die oorlog merkten: we zaten er middenin.

‘Treub heeft toen echt een beslissende rol gespeeld. Zonder hem had de boel kunnen instorten. Hij heeft ervoor gezorgd dat Nederland economisch en sociaal op de been bleef. In het begin was het ieder voor zich: winkels werden bestormd, er was nergens meer iets te krijgen, er was geen geld meer, alles kwam tot stilstand. Hij heeft toen heel snel en goed ingegrepen, anders hadden we zelfs een burgeroorlog kunnen krijgen. De grens tussen beschaving en wildernis is niet zo groot.’

Treubs honderdste geboortedag is nog uitgebreid gevierd, in 1958, met allerlei hoogwaardigheidsbekleders. Daarna is hij in de vergetelheid geraakt, en nu kennen we hem hoogstens nog van de Treublaan. ‘Ja, ik houd me bezig met tragische figuren,’ zegt Slijkerman op opgewekte toon.

Wil hij Treub en Van Hogendorp dan hun rechtmatige plaats in de geschiedenis teruggeven? Dat is wel wat veel gezegd. Maar het boeit Slijkerman dat sommige waarheden en feiten verdwijnen, dat in de vergetelheid raakt wat er echt is gebeurd en er mythen en halve waarheden voor in de plaats komen. ‘Ik ben geïnteresseerd in wat er achter de schermen gebeurt, wat je niet ziet, omdat het zich achter gesloten deuren afspeelt. Dat komt ook doordat historici heel veel van elkaar overschrijven.’

Neem nu de figuur van Van Hogendorp. We leren op school dat hij met Leopold van Limburg Stirum en Frans van der Duyn van Maasdam deel uitmaakte van het zogeheten Driemanschap van 1813, dat in de negentiende eeuw de Fransen opvolgde. Op een toon van: hoe vaak moet ik het nog zeggen: ‘Het was een twéémanschap! Van Limburg Stirum zat helemaal niet in de regering, die was legeraanvoerder en gouverneur van Den Haag. Maar alle geschiedenisboekjes hebben het altijd maar over dat driemanschap.’

Veelzijdig

Slijkerman begint steeds met het bestuderen van de oorspronkelijke bronnen. In het geval van Treub betekent dat ook: alles lezen wat Treub heeft geschreven.

‘Dat is ontzettend veel, honderden boeken, over van alles, overal had hij een mening over. Hij was economisch zo goed, ik heb rijksbegrotingen gezien met commentaar, die fileert hij echt. Heel scherp, heel slim.’

Zelfs de opgewekte Slijkerman, die vaak zegt dat hij dingen ‘lachen’ vindt, en ‘grappig’, zakt de moed wel eens in de schoenen. Nu bijvoorbeeld zit hij even in de put. ‘Het is een enorme klus en af en toe zie ik het niet meer zitten. Het is zoveel, overweldigend. Maar zo’n zwart gat duurt bij mij heel kort. Ik denk al snel: niet zeuren.’

Als je zo lang en zo intensief bezig bent met iemand, wordt die persoon je dan sympathieker? In Wonderjaren blijft Van Ho­gendorp op afstand. ‘Van Hogendorp is mij wel nader gekomen. Maar je hoeft iemand niet aardig te vinden, dat dacht ik vroeger. Ik denk: je schrijft over iemand zoals hij was.’

Bij het CBG werkt Slijkerman nu vijf dagen.  ‘Hier moet ik de zaak managen. Ik ben veel aan het regelen. ’s Avonds en in het weekeinde doe ik dan iets heel anders. Ik werk bijna elke avond. Je kunt veel doen in weinig tijd. Ik doe het met heel veel plezier. Als het zou moeten, deed ik het niet. Het is een diep gevoelde behoefte, maar ook een soort uitlaatklep. ‘

Van Hogendorp, Treub, vicevoorzitters, orgelspelen, het gezin (‘dat komt echt op de eerste plaats!’) – is dat niet wat veel? Dat is nu juist de bedoeling. ‘Op zich ben ik veelzijdig. Te veelzijdig waarschijnlijk! Ik wil geen super-expert zijn. Ik heb me nooit op één ding willen focussen. Dat zou ik niet willen en niet kunnen; ik ben gehandicapt door mijn eigen enthousiasme.’

Slijkerman vindt het moeilijk om te zeggen wat de rode draad is die door zijn bezigheden loopt, zo verschillend is alles wat hij doet en zo breed zijn belangstelling. Tijdens zijn studie was dat ook zo.

‘In Leiden wilde ik zo breed mogelijk afstuderen. Ook vond ik oudheidkunde heel interessant. Een potscherf kan iets zeggen over economie, economische relaties, wat de machtscentra waren. Achter zo’n scherf gaat een hele wereld schuil.’

Elsevier nummer 21, 23 mei 2015

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.