nederland

Ambulance Wens vervult laatste wensen: ‘Wat een afscheid hè?’

Door Jenny Velthuys - 08 juni 2015

Nog één keer naar de zee of een haven. Voor het laatst naar het Rijksmuseum of vliegtuigen kijken op Schiphol. De van oorsprong Rotterdamse Ambulance Wens vervult laatste wensen van terminale patiënten. ‘Wat een afscheid hè, boef?’

‘Zelf zou ik, denk ik, euthanasie plegen,’ zegt Hans Valken (57). Hij bedoelt: als hij zou horen dat hij ziek was en niet meer beter zou worden. ‘Maar je weet zoiets pas echt als het zover is.’

Het is ochtend en we rijden over de snelweg naar Spijkenisse, waar een man wacht met asbestkanker. Die gaat vandaag voor de laatste keer naar het strand. Op het velletje met informatie dat Hans bij zich heeft, staat dat diens levensverwachting nog enkele weken is.

Dagelijks vervult de Stichting Ambulance Wens laatste wensen van terminale patiënten. Ze gaan naar het buitenland, naar huis of een andere plek die mooie herinneringen oproept. Sommigen bezoeken een familielid dat zelf ook niet meer kan reizen. Opvallend veel mensen willen naar zee.

Toen Hans vanochtend wegreed met de ambulance, werd hij uitgezwaaid door Elly, die de wensen bij de stichting inplant. Samen met oprichter Kees is zij de enige betaalde kracht. Elly was een beetje jaloers op Hans. ‘Er is niets mooier dan zo’n wens vervullen,’ zei ze met een dweperige blik. ‘Als mensen terminaal zijn, is er niks meer voor ze. Het is zulk dankbaar werk.’

Toen ging de telefoon. Elly nam op. ‘Die wens gaan we realiseren voor jullie. Ik neem aan dat er tijdens een aanval gespoten moet worden? Ja hoor, helemaal geen probleem.’

Frits Doove (65) ligt sinds februari thuis in bed. Asbestkanker. Door een raam dat uitkijkt op de Oude Maas ziet hij de schepen aan zich voorbijtrekken. Vorig jaar zat hij zelf nog op een cruise. In de kamer zitten zijn vrouw Ineke en dochter Jacqueline met gezin te wachten.

Sandra, de andere dochter van Frits en Ineke, is met haar gezin al op het strand. De ambulance moet er zo zijn. Jacqueline wilde haar vader eerst zélf naar het strand rijden, maar dat kon niet meer. Gelukkig wist Ineke van de stichting.

Onwennig

In de strandtent bij Hoek van Holland zetten Hans en de verpleegkundige Frits met brancard en al in een hoek zodat hij uitkijkt over zee. Het waait hard, op de golven verschijnen witte koppen. Binnen is de sfeer wat onwennig. Frits hield altijd zo van broodjes kroket. ‘Wil je die, pa?’ vraagt Sandra. ‘Ze hebben echte Van Dobben.’

Hans en de verpleegkundige trekken zich terug aan een tafeltje. Als alle kleinkinderen buiten spelen, loopt Hans op Frits af. Die ligt nog steeds met opgetrokken knieën op bed. ‘Is er zo nog iets anders wat je wilt zien? Ik begreep dat je ook naar de pier wil?’

Frits schraapt zijn keel. Jachtig zoekt hij Ineke, maar die ziet hij zo snel niet. Lichte paniek. ‘Ik wil graag even naar de kinderen kijken.’ Het is nog een klus om zijn brancard om te draaien. Maar als dat eenmaal is gelukt, verandert er iets in Frits. Hij ontspant.

Achter de strandtent is een kleine heuvel met een glijbaan en wat andere speeltoestellen. Kleinzoon Luuk rent er met open armen tussendoor, zijn handen laverend op de wind. Sofie is met Stan aan het spelen. De kleine Damian en Justin zitten in het zand bij de glijbaan.

Frits hoort niets – niet het geruis van de wind, geen stemmen, geen gelach. ‘Dit is, denk ik, de eerste keer dat hij in het zand speelt,’ zegt hij over Justin, zijn jongste kleinkind. De komende dagen zal Frits volgens zijn dochters pretlichtjes in zijn ogen hebben als eraan terugdenkt.

Hij wijst naar de pier. ‘Daar aan de overkant zie je nu die containerterminals. Vroeger, in de jaren zeventig, was het nog een echt strand. We gingen daar als jongelui altijd ’s nachts vissen. We hadden pás auto’s met van die grote speakers aan de zijkant, en dan gingen we onze eigen muziek draaien. Yes, Jim Morrison, Queen.

‘En later, toen we eenmaal onze wilde haren kwijt waren – letterlijk en figuurlijk – kwamen de kinderen en dan gingen we daar barbecuen. Vorig jaar zijn mijn vrouw en ik hier ook nog geweest. Ik ben echt een family man.’

Frits perst de anekdotes eruit. In zijn verhalen zit zo’n levenslust. Alles wil hij delen, niks mag worden vergeten. ‘We zijn altijd met elkaar op vakantie geweest. Dan gingen we naar Italië. Met mijn broer samen. Lekker met de auto. Later, toen de kinderen niet meer meegingen, gingen we naar Toscane, naar Umbrië.’

Zwaailichten

Een week later rijdt in Veenendaal een ambulance over de weg. Achter de ambulance rijden drie politieauto’s, hun blauwe zwaailichten knipperen. Binnen ligt politieman Aad van de Kleut (52). Zoon Ben (11) zit naast hem. Aads andere zoon Bas (14) en zijn vrouw zitten in de Mercedes die voor de ambulance uit rijdt.

Wanneer ze onder een viaduct doorgaan, klinken buiten sirenes. Twee motorrijders salueren. ‘Wat een afscheid hè, boef?’ zegt Aad tegen Ben. Door de grote ramen aan de zijkant en achterkant kunnen ze alles zien. ‘Dat is ook het leuke, hè? Je maakt ook wel heel leuke dingen mee! Ondanks dat het niet zo leuk is. Toch?’

Aad kreeg vorig jaar last van zijn rug. Hij had net de bestrating gelegd in de tuin, dus hij dacht dat het in het ergste geval misschien een hernia was. Het leven ging door. Als fervent hardloper meldde hij zich bijvoorbeeld met collega’s aan om mee te doen met de Roparun, een estafetteloop vanuit Hamburg en Parijs naar Rotterdam waarmee geld wordt ingezameld tegen kanker.

Aad was in 2010 al eens vanuit Parijs gestart. Hij vond het geweldig om mee te maken, vooral hoe het is om ’s nachts een Frans dorp in te rennen.

In 2015 wilde hij vanuit Hamburg starten. Maar de rugpijn werd erger. Uiteindelijk liet hij toch maar een scan maken. De volgende dag moest hij naar het ziekenhuis. Er zat een tumor in zijn ruggewervel. Op 7 januari kreeg Aad te horen dat hij uitgezaaide prostaatkanker heeft.

Zijn collega’s van de Meldkamer in Utrecht belden meteen met Stichting Ambulance Wens om ervoor te zorgen dat hij toch bij de start kon zijn. Vanochtend werd Aad uitgezwaaid door vrienden en collega’s. De organisatoren hielden een spandoek vast. ‘Aad goes Roparun’ stond er in feestletters op.

Op oude foto’s ziet hij eruit als een stoere man, met gespierde armen en een fiere blik. Nu oogt hij eerder lief. Door het vocht is zijn gezicht rond geworden. Zijn armen zacht. Hij ziet er niet eens zozeer ziek uit. Het is meer dat hij iemand anders is geworden.

Elke keer als de verpleegkundige vraagt hoe het gaat, draait hij zijn gezicht naar haar toe. ‘Gaat goed hoor. Prima zo. Ik zat trouwens op jullie site te kijken en toen zag ik foto’s van andere mensen die jullie vervoerden. Dat zijn écht mensen die op sterven na dood liggen, hè? Dan voel ik me bijna schuldig, zeg maar…’

De verpleegster gaat er niet op in. ‘Hij houdt zich groot,’ zullen zij en Kees Veldboer later tegen elkaar zeggen.

Koppige man

Rotterdammer Kees Veldboer (55) richtte in 2007 de Stichting Ambulance Wens op. ‘Kees krijgt alles voor elkaar,’ zeggen de vrijwilligers over hem. Sommigen moesten wennen aan zijn manier van doen. Hij schijnt nogal koppig te zijn. ‘Maar zijn hart zit op de juiste plek,’ zeggen ze in koor.

In 2010 zegde hij zijn baan als ambulancechauffeur op. Inmiddels werken er 230 vrijwilligers voor hem en heeft hij een kantoor en zes eigen ambulances. En een vakantiehuis in het bos, waar patiënten drie dagen naartoe kunnen als ze willen. De stichting heeft inmiddels een vermogen ter waarde van 1,1 miljoen euro, opgebouwd uit giften van Rotary’s, bedrijven en particulieren.

Ritjes doet Kees niet veel meer. Maar naar Hamburg rijdt hij mee zodat de vrouw en kinderen van Aad ook bij de start van de Roparun kunnen zijn. Een goed moment om hem te leren kennen.

‘Ik moet hier de weg af volgens de tomtom.’ Veldboer krijgt denkrimpels in zijn voorhoofd. ‘Maar hún hadden gezegd dat ik er bij afslag 37 pas vanaf moest.’

Wie ‘hun’ is, is niet duidelijk. Voor Veldboer is het een keuzemoment. Luistert hij naar de tomtom? Hij rijdt door. Vervolgens blijkt er een wegversperring te zijn. ‘Dus dat is wat de tomtom bedoelde…’ Het zal exemplarisch blijken. Nog een paar keer moet Veldboer kiezen tussen zijn eigen inschatting en de tomtom. Maar Veldboer is een eigenwijze man.

Dat spreekt ook uit de geschiedenis van zijn stichting. Toen hij twee artsen in het bestuur had zitten die wilden dat de stichting een ‘professionaliseringsslag’ zou maken, had Veldboer er letterlijk slapeloze nachten van. ‘Ze wilden meer richtlijnen, meer protocol. Op een gegeven moment zei ik tegen ze: of jullie weg, óf ik weg. Met regels is het niet spontaan meer. Mijn vrijwilligers krijgen een ritformuliertje, voor de rest moeten ze zelf bepalen hoe ze wensen vervullen. Wil iemand na zijn wens nog ergens anders naartoe? Dan doe je dat. Gewoon doen. Zo gaat dat. We draaien al acht jaar en er staat, volgens mij, een goeie stichting.’

Op dit moment vervult de stichting gemiddeld vier wensen per dag.

Zeeman

Veldboer kwam op zijn idee toen hij nog ambulancechauffeur was en hij Mario Stefanutto ophaalde. Stefanutto moest van het Vlietland Ziekenhuis in Schiedam naar het toenmalige Dijkzigt Ziekenhuis in Rotterdam voor een behandeling. Hij lag al op de brancard toen iemand van Dijkzigt belde om te vertellen dat de behandeling was uitgesteld.

‘Waar wil je dan naartoe?’ vroeg Veldboer. ‘Laten we een biertje drinken,’ antwoordde Stefanutto grappend. Maar toen bleek dat Veldboer het serieus bedoelde, bedacht Stefanutto, die vroeger zeeman was, dat hij graag nog eens naar het Westerhoofd van Vlaardingen wilde om afscheid te nemen van de haven. Eenmaal daar had hij tranen in zijn ogen.

Veldboer vond het zo bijzonder dat hij keek of er meer mogelijk was. Hij regelde een rondvaart bij een rederij, die ook enthousiast was. De ambulance leende hij van zijn werkgever. Enkele weken later zat Veldboer bij de notaris om een stichting op te richten. Er waren ongetwijfeld meer zieke mensen die nog iets wilden afsluiten.

Laatst vervulde de stichting een wens van iemand die naar het Rijksmuseum wilde. Het Rijksmuseum had er een foto van getweet. De foto ging viral – de hele wereld over. Veldboer: ‘Dat heeft de wereld wakker geschud dat wij bestaan. Er reed laatst een Noorse verslaggeefster met ons mee en de BBC heeft me geïnterviewd. Over hoe we het voor elkaar krijgen om bijvoorbeeld iemand op een brancard op een besneeuwde bergtop te zetten. Blijkbaar omdat ik in mogelijkheden denk.’

Buiten breekt de zon door. Langs de snelweg liggen glooiende graslanden, boerderijen met houten steunbalken en rieten daken, dennenbossen. In de buurt van Hamburg wordt het opnieuw zoeken.

In een woonwijk rent een Duitser in korte broek de weg op. Hij schreeuwt naar Veldboer, die een verbaasd gezicht trekt. ‘Versta jij hier iets van?’ De man heft zijn armen hoog op en zwaait ze naar achteren. ‘Ein Pfau Vogel!’ Geen reactie. ‘A real big bird.’ Veldboer haalt zijn schouders op. Als Veldboer verder rijdt, blijkt er een pauw op een trap te zitten. ‘Doelde die Duitser daarop?’

Langs de weg rennen al wat mensen in felgekleurde pakjes. Maar waar is de start van Roparun? Opeens rijdt een motorrijder met een grote opkrullende snor langs die naar Veldboer gebaart dat hij achter hem aan moet rijden.

Steunbetuigingen

Een half uur later ligt Aad in de zon op zijn brancard. Om hem heen staan zijn gezin en een grote groep collega’s. Aad glimlacht enthousiast, schudt handjes, maakt grapjes. André Hazes klinkt. Op het terrein hebben de mannen opgewekte stemmen en betraande ogen. Er komt ook nog een interviewster langs met cameraman. Aad houdt een keurig praatje over hoe mooi het is om toch nog in Hamburg te kunnen zijn.

Vlak voor de start wordt hij naar het veld gereden waar zijn collega’s zullen wegrennen. Mensen spuiten confetti rond, het team danst wild op een medley van Nederlandse liedjes. ‘En we gaan nog niet naar huis, nog lange niet…’ Aad klapt vanaf zijn brancard mee. Hij lacht. Telt af. Tien, negen, acht … Als het startsein klinkt, steekt hij sportief een vuist in de lucht.

Toch vraag je je af hoe leuk dit nou eigenlijk voor hem moet zijn. Wanneer de mensen zijn weggerend en de deuren van de ambulance gesloten, slaakt hij een zucht. Hij is moe. Maar op zijn Facebookpagina zal hij later een enthousiast verhaal houden. En het is opvallend hoeveel steunbetuigingen hij krijgt.

Misschien is dat voor Aad nog wel belangrijker dan zijn eigen welzijn. Dat hij tot het einde een positieve indruk kan achterlaten. Eerder zei hij dat zijn ziekte misschien wel moeilijker was voor zijn vrouw en kinderen dan voor hemzelf. ‘Daar hebben zij toch ook niet om gevraagd? Iemand van wie je houdt, tussen je vingers zien doorglippen?’

Op de terugreis de volgende dag zal Aad veel slapen. Veldboer is opgewekt. Dat moet ook, want morgen staan er weer nieuwe wensen op de planning. Iemand zal de vliegtuigen vanaf Schiphol zien opstijgen. En iemand anders zal voor de laatste keer naar de haven van Scheveningen gaan.

Elsevier nummer 24, 13 juni 2015

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.