nederland

Cabaretier Daniël Arends: ‘Ik weet precies hoe goed een grap is’

Door Liesbeth Wytzes - 05 juni 2015

Daniël Arends (35) twijfelde nooit: hij werd cabaretier. En dat is gebeurd. Met zijn supergeestige programma’s vol razendsnelle grappen trekt hij volle zalen.

Daniël Arends draagt een paars T-shirt en heeft van dat haar dat altijd goed zit. Hij kijkt bewonderend naar een meisje verderop in het café. ‘Mooi gezicht. Daar zou ik wel een tijdje naar kunnen kijken. Tot ze heel doorgrondelijke dingen gaat zeggen.’ Doorgrondelijk, zoiets als niet ondoorgrondelijk, oppervlakkig?

‘Nou, je hoopt toch dat iemand leuk is, iets verrassends zegt. Niet dat ik veel verwachtingen heb hoor, van de mensen. Ik vind eigenlijk niet dat ik er recht op heb dat iemand iets verrassends zegt.’

Misschien heeft niemand dat recht, maar als het gebeurt, is het inderdaad leuk. Ga naar een optreden van Daniël Arends en je weet zeker dat je verrassende dingen te horen krijgt, die heel erg leuk zijn. Dit bijvoorbeeld: ‘Eten bij een ander stel vind ik na kinderporno of oorlog of op een stukje Lego staan, het allerergste van de hele wereld!’

De lach komt na het stukje Lego, want iedereen kan zich voorstellen hoe dat voelt. Het is een absurde toevoeging na enormiteiten als kinderporno en oorlog. Dat is een kracht van Arends: hij heeft oog voor het absurde. Hij gebruikt herkenbare situaties en geeft er een idiote draai aan, en altijd razendsnel. Hij heeft zelfspot en diepgang.

Het gaat ergens over bij Arends, zonder dat hij erop uit is om te provoceren. In het gesprek is hij snel, serieus, springt van de hak op de tak.

Arends, klein en met een neiging tot molligheid, omschreef zichzelf een keer als ‘een dikke Wibi Soerjadi’. ‘Ik vertrouw erop dat als ik mezelf belachelijk maak, het stiekem ook over anderen gaat.’

Chillen

Voor de leek is het onbegrijpelijk hoe zo’n programma van anderhalf uur continu grappen, zonder stiltes of aarzelingen, tot stand komt. Heeft Arends, net als de onlangs overleden Amerikaanse komiek Joan Rivers, kasten vol grappen? Noteert hij invallen en grappen in een klein boekje dat hij altijd bij zich heeft?

Nee. ‘Mijn boekers vragen wat ik volgend seizoen ga doen. En dan zeg ik: een hartstikke leuk programma, ik noem het Carte Blanche, en dat gaan ze dan verkopen. Maar dan is er nog niks. Alleen de titel.’

Daar zou je behoorlijk zenuwachtig van kunnen worden: het idee dat allerlei theaters en zalen zijn uitverkocht, avond aan avond, dat mensen de kaartjes al in huis hebben en zich verheugen op een mooie avond – maar er is nog niks.

‘Nee hoor, dan zit ik gewoon ergens in Indonesië op een stoepje te chillen. En over een maand moet ik op het podium staan. Met een titel als Carte Blanche, waarmee ik nu optreed, denk ik: het zal wel goed komen.’

Veel improviseren dus, geen avond lijkt op een andere, al zitten er natuurlijk veel vaste onderdelen in. Een nieuw programma maken? Gaat eigenlijk vanzelf. ‘Het is niet zo moeilijk. Ik begin gewoon met één grap die ik heb bedacht, vaak ook niet een heel leuke grap. Dan komt de rest vanzelf.’

Die opmerking over het Legoblokje onthoudt hij tot hij haar kan maken. En dat dat goedkomt, weet hij na duizenden optredens wel. Arends treedt vaker op, zegt hij, dan andere cabaretiers.

‘Ik ben ook nooit meer bang; ik heb al zo vaak opgetreden. Ik heb ook nog heel lang in de Amsterdamse club Toomler opgetreden, stand-up comedy, toen het voor het geld al niet meer hoefde. Tot mijn kindje er was, had ik niks beters te doen met mijn leven.’

Arends heeft een dochter van drie met zijn vriendin, singer-songwriter Eefke den Held. Hij werd geboren in Indonesië, geadopteerd toen hij een baby was, en groeide op in Bussum. In vier gymnasium ging hij van school.

‘Ik moest op school al die dingen leren, maar ik snapte niet waarom. Het gaat erom wat je wél wilt, en dat je dat dan doet. Ik wist al lang wat ik wilde worden. Ik wilde cabaret doen en eigenlijk meteen optreden.’ Arends zag eens een cabaretier optreden en wist: dat zou ik ook kunnen.  Hij ging naar de Akademie voor Kleinkunst in Amsterdam.

In 2006 deed hij een programma met Jan Jaap van der Wal, in 2007 had hij zijn eerste eigen programma: Joko 79. Sindsdien maakt hij bijna elk jaar een soloprogramma. Komend seizoen is hij bovendien een van de nieuwe teamcaptains in het satirische nieuwsprogramma Dit was het nieuws.

Lui

Hij stond niet al vanaf zijn derde liedjes te zingen en zat niet in het schoolcabaret. ‘Nee, ik deed niks, thuis ook niet. Niks geen liedjes aan de ­piano.’

Hij snapt ‘de jeugd’ niet. ‘Het probleem is dat ze geen mentaliteit hebben, maar daar net niet mee kunnen leven. Dat beseffen ze, en daarom zuipen ze.’ Wat is dan mentaliteit? ‘Een richting hebben. Iets willen, en dat alle vezeltjes in je leven en in je systeem zich in die richting zetten. Ik heb het nooit begrepen als iemand geen mentaliteit heeft. Ik snap niet wat iemand dan doet met zijn leven. Als je iets wilt, waarom zit er dan niks in jou wat dat voor elkaar krijgt?’

Die mentaliteit had Arends wel. En het is echt niet zo dat het altijd zo makkelijk is geweest. ‘Ik moest er gisteren nog aan denken dat de zalen helemaal niet altijd vol zaten. Er is een seizoen geweest waarbij ik in grote zalen stond, en dan zaten er tachtig mensen in een zaal voor vijfhonderd. En dat viel me niet op. Dat zag ik gewoon niet, omdat ik bezig was. Ik wilde het vooral heel goed doen. Die drang had ik echt. Als er nu tachtig mensen zouden zitten, zou het me weer niet opvallen. Je doet het eigenlijk voor jezelf.’

Dat mag zo zijn, maar de zalen zitten inmiddels wel vol, en Arends is een bekende cabaretier geworden, krijgt lovende kritieken. Succes levert weer een nieuw probleem op. ‘Ik vind succes helemaal niet makkelijk of zo. Het maakt lui, en je kunt er gedesillusioneerd van raken, en mensen willen de hele dag iets van je. Dan denk je: is dit het nou? Of je krijgt er waandenkbeelden door. Dat je ertoe doet. Dat je echt “De Artiest Daniël Arends” bent.’

Showbizz-imago

Maar dat is hij toch ook? ‘Nee, ik ben gewoon een jongen die ’s ochtends opstaat en toevallig dit werk heeft. Het is m’n werk maar. Belachelijk om je identiteit te ontlenen aan wat je doet, en niet aan wie je bent.’

En die kritieken? NRC Handelsblad schreef over Carte Blanche: ‘Onwaarschijnlijk veel steengoede grappen, vlijmscherp, feilloos getimed, puntgaaf geformuleerd, alert, supergeestig.’ Arends zegt: ‘Ik heb keihard gewerkt om ervoor te zorgen dat ik zelf weet hoe goed iets is. Of ze me nou de grond inboren of ophemelen, dat maakt niet uit. Ik weet precies hoe goed iets is.’

Carte Blanche, waarmee hij afgelopen jaar door het land tourde en dat volgend seizoen nog te zien is, gaat over imago. ‘Daar kun je wel een goede twintig minuten over uitweiden. Over mijn showbizz-imago en de identiteit die je opbouwt om je te beschermen tegen de buitenwereld. En dan net zolang door blijven praten tot die twee op de een of andere manier in elkaar grijpen.

‘Ik ben natuurlijk eigenlijk een acteur die de kans heeft gekregen om zich een decennium lang op één rol te storten. En die jongen die ik speel, lijkt heel erg op mij, maar hij zegt en doet net andere dingen dan ik zeg en doe.’

Als je alles uit jezelf moet halen, en dat moet je als artiest, kunnen er momenten van grote twijfel zijn. Heeft Arends die ook?

‘Ja, ik twijfel heel erg. Dan denk ik ineens: o, ik ben al niet meer van deze tijd. Ik ben ouderwets, zoals cabaretiers dat kunnen hebben. Dat je denkt: ik ben wel goed, maar niet meer van deze tijd. Er is minder aansluiting in de details. Freek de Jonge maakt echt heel erg goede dingen, maar die vind ik toch van een andere tijd. Dat merk je gewoon. Kwaliteit zit soms in andere dingen dan inhoudelijk sterk zijn, of heel goed weten wat je doet, wat je theatraal kunt. Dat is langzaam verschoven naar: kun je zo echt en normaal mogelijk contact maken met de mensen in je zaal.

‘Op een gegeven moment zien mensen liever iets wat minder goed in elkaar zit, maar wel echter is, meer van deze tijd. Iets wat troost kan bieden. Bij heel veel cabaretiers die echt heel goed zijn, is dat vaak niet zo. Door hun vakmanschap verheffen die zich een beetje boven de rest. Dan wordt het heel cerebraal en intellectueel.’

En zich verheffen is niet iets wat Arends wil, integendeel. Hij wil niet vergeten dat zijn succes vluchtig is. ‘Ik wil niets ophangen aan de volle zalen die ik nu heb. Hoe goed je ook bent, dat gaat over. Dus haal je niets in je hoofd. Ga niet denken dat je het voor elkaar hebt, op een rijtje hebt.’

Bevrijdend

Net als het voor CEO’s of voorzitters van voetbalbonden moeilijk is om te weten wanneer ze een stapje terug moeten doen, kan dat dus ook zo zijn voor artiesten.

Volgens Arends hebben die een houdbaarheidsdatum. Wanneer weet je dan of het over is? ‘Ik zou het helemaal niet moeilijk vinden om te zeggen: luister, we huren steeds zalen voor vijfhonderd of achthonderd man, dat mogen er best tweehonderd zijn. Het gaat er toch om dat je iets moois doet voor de mensen die jouw bedoelingen begrijpen.’

Het is niet zo erg als er eens een wat mindere avond tussen zit. ‘Laatst zei iemand tegen me: “De verschillen tussen voorstellingen zijn niet zo groot als jij denkt.” De zaal heeft geen vergelijkingsmateriaal, die mensen maken het maar één keer mee, maar ik honderden keren. Dat was echt een fijn en bevrijdend inzicht.’

Een grap maken moet een middel zijn, geen doel. ‘In de films van Quentin Tarantino, die ik heel goed vind, zit zo veel agressie. Maar als ik de bioscoop uitloop, blijft er een zacht gevoel over van een filmmaker die zijn verlangen naar vrede misschien wel met geweld uitdrukt. Dat is mooi: de hele avond lachen, en dan blijft er toch een soort ernst hangen. Dat wil ik. Dat heeft me altijd zo aangetrokken in cabaret. Je kunt grappen ergens voor gebruiken.’

Het ideale programma zou tegelijk licht en zwaar moeten zijn, en over alles moeten gaan. Net als bij Shakespeares stukken. ‘Daar zitten platte grappen in, maar ook filosofische inzichten. Ik wil veel vertellen op een lichte manier.’

Arends vindt dat hij een mooi leven heeft. Hij treedt veel op, tweehonderd keer per jaar, dat is zijn werk. Maar hoe breng je dat op, avond aan avond voor een zaal staan? ‘Waarom zou ik dat niet volhouden? Ik werk een half jaar per jaar zo’n beetje en dan nog de helft van de week. Als dát al niet lukt!’ Als hij niet werkt, doet hij niks.

‘In die tijd leef ik een beetje met mijn rug naar de toekomst. Ik sta niet zo heel actief in het leven, dat is gewoon zo. Ik zou graag nieuwsgierig willen zijn, dat is een eigenschap die ik niet heb. Ik ben ook best jaloers op mensen die dat wel hebben. Er zit echt een Javaan in mij die gewoon wil hangen. Er is ook niets wat ik heel graag wil.’ Behalve dan cabaretier zijn.

Weg met dat ego

Een komiek vindt hij zichzelf niet. ‘Ik wil wel altijd een wat zwaardere ondertoon hebben, ik voelde dat dat erin zat. Ik probeer altijd vrolijk te doen over dingen waarmee we allemaal worstelen.’

Arends zegt dat hij veel ‘negatiefs’ in zich heeft. ‘Maar dat kan ik gelukkig omzetten in iets waar we wat aan hebben. Ik erger me, vooral aan mezelf. Daar komt ergernis ook vandaan. Jij doet moeite om zacht te praten in je telefoon, terwijl andere mensen keihard schreeuwen. Dan denk je: waarom doe jij geen moeite om zacht te praten, terwijl mijn gesprekken veel interessanter zijn?

‘Weet je wat irritant is? Als mensen heel langzaam pinnen. Eerst alles gaan lezen. Dat je denkt: je hebt dit toch echt wel eerder gedaan! Het geld in hun portemonnee stoppen en dan pas weglopen. Dan wil je ze toch met hun hoofd tegen die automaat duwen en zeggen: “Waar je ook pint, weet dat zo iemand als ik achter je kan staan. Onthoud dat gewoon!”‘

Arends had lang de bevestiging nodig van het publiek, hoe klein dat eerst ook was. ‘Alles wat ik heb bereikt, heb ik bereikt door die drang naar bevestiging. En op een gegeven moment was ik in staat om dat mezelf te geven. Ik dacht, voor wie doe ik het dan? Het publiek had ik er niet meer voor nodig.

‘Nu is het een kwestie van mooie dingen maken en die weggeven. Niet ijdel zijn. En weg met dat ego. Sta je je eenzaamheid te vieren, of het samenzijn? Ik houd er enorm van als iemand het toneel opkomt en zegt: “Wat zijn we toch eenzaam. Met z’n allen.” Ik heb steeds minder de behoefte om te laten zien dat ik wel wat waard ben.’

Elsevier nummer 24, 13 juni 2015

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.