nederland

Mark Schneiders: ‘Wie over zee komt, is ondernemend’

Door Liesbeth Wytzes - 09 juli 2015

Bankier Mark Schneiders (59) werd, een beetje tot zijn verrassing, CEO van het Koninklijk Instituut voor de Tropen. Het KIT moet geld verdienen. Daar helpt hij graag bij.

Wat bezielt een internationale bankier om een goede positie in de wereld van de haute finance op te geven om ­algemeen directeur te worden van het Koninklijk Instituut voor de Tropen (KIT) in Amsterdam?

Mark Schneiders, die voor ING in Venezuela woonde, in Hongkong, New York en Genève, die voor een private-equityfonds heel Afrika afreisde, deed dat.

Met Afrika heeft hij een bijzondere band, hij groeide er op. Toen hij dertien was, was zijn vader diplomaat in Nigeria. Schneiders moest in Nederland naar school, maar voelt zich in Nigeria nog steeds thuis.

‘Als ik daar het vliegtuig uitkom, en die geur ruik… dat is echt mijn jeugd.’ Laatst was hij weer in Lagos. ‘Een ruige stad, gigantisch veel verkeer, vochtig, warm, elke vijf minuten valt de elektriciteit uit, er wonen dertien miljoen mensen, het is er vervuild. Maar op een borrel zei iemand tegen me: het is hier net New York! Die energie! Die mensen zijn ondernemers, the sky is the limit. Het is een plezier om met ze te werken.’

Olifantenslurf

Het KIT was het grootste gebouw van Amsterdam tot het Academisch Medisch Centrum werd gebouwd. Het dateert van 1926 en staat waar eens een begraafplaats was. Van buiten oogt het wat ontoegankelijk, maar de hal is indrukwekkend, met prachtig marmer, trappen, balustrades.

De gangen zijn lang en statig, met grote zalen en ontvangst­ruimtes; er is een eikenhouten deur waarachter zich een manshoge kluis bevindt. In die kluis bleek onder meer de hamer van het parlement van Nederlands-Indië te liggen.

Er zijn lambriseringen, versieringen, zelfs deurkrukken en raamklinken zijn versierd: als olifantenslurf of haantje. ‘Leden van het Koninklijk Huis hadden hier werkkamers.’ We spitsen onze oren. Wie dan? Dat wil hij niet zeggen. ‘Maar we hebben een Clauszaal. Misschien is dat een indicatie.’

Het instituut dateert van de hoogtijdagen van het kolonialisme en liet zien wat die kolonies te bieden hadden; er werd ook handel gedreven. Eén van de kamers lijkt een bibliotheek, alleen staan er geen boeken in de kast, maar allemaal houtsoorten uit Indië en de andere kolonies, bedoeld voor de verkoop.

Verontwaardiging

In één kamer, Schneiders wijst aan, zijn boven de haard de begrippen vermeld waarom het hier draait: hygiëne, handel, volkenkunde. Zo was het en zo is het eigenlijk nog steeds, al is hygiëne nu gezondheidszorg. Ergens in een gang staan op een tegeltableau de namen van de families en instanties die het gebouw destijds bekostigden.

Een trots en statig gebouw met een lange, kleurrijke geschiedenis. Des te groter was in 2011 de klap, toen het ministerie van Buitenlandse Zaken besloot om per 1 januari 2014 de subsidie van 20 miljoen euro te stoppen, met een overbruggingsperiode van twee jaar. De verontwaardiging was enorm en de schok onder het personeel ook.

Het Tropenmuseum fuseerde vervolgens met twee andere volkenkundige musea, dat in Leiden en het Afrika Museum in Berg en Dal, en stond voortaan los van het KIT, waaraan het huur ging betalen. Die musea heten nu officieel Nationaal Museum van Wereldculturen. Het laboratorium voor tropische ziektes maakt nog steeds deel uit van het KIT, maar is sinds de jaren tachtig gevestigd in het AMC.

Zwaar werk

De enorme bibliotheek moest elders worden ondergebracht en er moest domweg geld worden verdiend. ‘De helft van de inkomsten bestond uit subsidie, de rest werd zelf verdiend. Dat moest 100 procent worden.’

Geld verdienen? Dan haal je een bankier in huis. Schneiders werkte alweer tien jaar in Nederland bij een private-equityfonds dat net door een ander private-equityfonds was opgekocht. Hij werd begin 2014 gebeld, ‘geheadhunt’ zegt hij, of hij niet eens wilde nadenken over de positie van algemeen directeur van het KIT. ‘Dat is toeval. Je wordt niet op een ochtend wakker met de gedachte: ik wil directeur van het KIT worden.’

Dat kende hij amper en hij zei dus ook niet meteen ja. ‘Ik ben eerst maar eens gaan kijken. Er was een interim-manager die zwaar werk had verricht. Er was veel veranderd: het museum was losgemaakt van de rest van de organisatie, de bibliotheek was weg. Er was negatieve publiciteit geweest, de mensen waren flink door elkaar geschud, er waren ontslagen gevallen. Er heerste een constant gevoel van crisis en desondanks vond ik de sfeer echt goed.’

Ondernemingszin

Kennelijk was er ook niemand die dacht: zo’n bankier, wat moet die hier. ‘Nee, ik werd vriendelijk ontvangen.’ Schneiders ziet er wel uit als bankier, keurig, in zijn blauwe pak, smetteloos wit overhemd en zilveren manchetknopen.

Het was duidelijk dat er een nieuwe geest door het oude pand zou gaan waaien; rustig achteroverleunen en elk jaar subsidie vangen was er niet meer bij. Ondernemingszin, daar gaat het nu om.

Sinds kort is bekend dat het Tropenmuseum structureel in het budget zit van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, waar het sinds de fusie onder valt. Dat betekent, als alle plannen worden goedgekeurd, kans op een jaarlijkse subsidie van 5,5 miljoen euro.

Schneiders heeft eens goed om zich heen gekeken en hoewel hij nog maar ruim een jaar in dienst is, is er al heel wat veranderd, ook door zijn voorgangers natuurlijk. ‘Het KIT bestaat deels uit een gebouw en deels uit een organisatie.

Die organisatie telt een aantal afdelingen: internationale gezondheidszorg, biomedisch onderzoek, landbouw, en intercultural professionals: mensen die naar het buitenland worden uitgezonden en hier worden begeleid om in een andere cultuur te leven en zaken te doen.

‘We doen dus heel veel en we hebben heel veel kennis in huis. Daarvoor worden we ook ingehuurd. Maar juist omdat we actief zijn op veel verschillende terreinen is het wel eens lastig om voor het voetlicht te brengen wat we precies doen.’

Schneiders laat op een kaart zien waar het KIT werkzaam is: zowat de hele wereld. ‘Het zwaartepunt ligt in Afrika. We zijn echt een kennisinstituut, een soort Nyenrode voor de ontwikkelingslanden.’ Overigens moeten we die tegenwoordig, een beetje eufemistisch, low- and middle-income countries noemen, een term die Schneiders zelf amper gebruikt.

Afrika

Kan de directeur voorbeelden geven van wat het KIT precies doet? ‘Waarom groeien landen, waarom groeien economieën? Dat heeft toch vaak te maken met een goed bedrijfsklimaat en de mogelijkheden die er zijn op zakelijk gebied. Philips bijvoorbeeld is in Kenia bezig met het opzetten van een model­kliniek, met zonnepanelen waar mensen tegen betaling hun mobiele telefoon kunnen opladen.

‘Daar adviseren we. Philips heeft in Nairobi een innovatiecentrum voor de Afrikaanse markt en als ze dit goed doen, kunnen ze het concept over het hele continent uitrollen.’

Schneiders ziet Afrika groeien. ‘We hebben in Nederland een prachtige samen­leving, maar er is al een heleboel gedaan.

Ga naar Afrika en het ondernemerschap spat ervan af. Geweldig! En dat geldt voor heel veel Afrikaanse landen. Bijna overal heb je jonge, goed opgeleide mensen die ­allerlei zakelijke activiteiten beginnen. In sommige van die landen groeit de economie echt heel hard. Er heerst ook een gevoel van opgang. Wat overheden in Afrikaanse ­landen niet doen, kan worden opgepakt door private ondernemingen.’

Je zou dus kunnen zeggen dat het ideaal van een kleine overheid, dat in Nederland door zoveel politici wordt bepleit en dat maar niet van de grond komt, in Afrika bestaat.

Kantoortjes

‘Heel goed dat er in Nederland een minister is die zowel handel als ontwikkelingssamenwerking in haar portefeuille heeft. Een interessante combinatie, waarbij wordt geprobeerd het bedrijfsleven bij ontwikkelingslanden te betrekken.’

Het KIT doet ook impact assessment: kijken of een programma goed is uitgevoerd. Ze staan dus als het ware aan het begin van een programma, adviseren, of aan het eind, controleren. ‘We zitten als kennisinstituut niet aan de uitvoerende kant.’

Het gebouw van het KIT, door burgemeester Eberhard van der Laan betiteld als ‘paleis’, is een sterk punt. Daarmee kan dus geld worden verdiend, dat weer ten goede komt aan het werk van het KIT. De deftige ruimtes waar vroeger de directie zetelde, zijn nu te huur voor lezingen. Een deel van het gebouw wordt verhuurd aan bedrijven, maar die moeten wel een band met het KIT hebben.

Er komt een business center, waar mensen kantoortjes kunnen huren. Op 1 augustus wordt restaurant De Tropen geopend, ingericht door binnenhuisarchitect Piet Boon. Achter het gebouw, in het Oosterpark, staat sinds 1960 het Tropenhotel, dat sinds kort ook door het KIT wordt uitgebaat.

Tijdgeest

Aan de overkant bezit het KIT een pand dat voor verhuur geschikt wordt gemaakt, daarover is Schneiders in gesprek met de gemeente. De hoge hekken die het Oosterpark scheidden van het museum, zijn weggehaald: je kunt straks vanuit het museum zo het park inlopen.

‘Dat zal allemaal een hoop reuring geven. We willen dat het gebouw opener wordt, dat mensen het beter leren kennen. Het complex is prachtig, en om dit te kunnen ontwikkelen heb je ondernemerschap nodig. Nou, dat hebben wij wel.’

Alleen al van het woord ‘ontwikkelingshulp’ gaan bij sommige mensen de haren recht overeind staan. Die vinden dat die kostenpost in tijden van bezuiniging als eerste mag sneuvelen. Wat dat betreft heeft Schneiders de tijdgeest tegen.

‘Nou, het gekke is dat wij in Nederland er zo over denken, in het Verenigd Koninkrijk bijvoorbeeld zijn de budgetten juist verhoogd. Ontwikkelingsgeld is zeker nodig op een aantal gebieden. Wij hebben hier ook als taak om de armsten te bereiken, en dat valt nog niet mee. De kloof tussen arm en rijk mag niet te groot worden; dat geeft uiteindelijk politieke instabiliteit. Dat heb ik in Venezuela meegemaakt: uiteindelijk kwam Hugo Chávez daar om de armen te mobiliseren.’

Voorkennis

In veel Afrikaanse landen mag de economie dan booming zijn, er is daar ook vaak corruptie. Groeistuipen, denkt Schneiders. ‘Dat hadden wij hier 150 jaar geleden ook. Toen bestond het begrip “transparantie” niet, en zag niemand kwaad in handelen met voorkennis. Kennelijk zijn dat fasen waar een land doorheen moet.’

Schneiders vertrok 35 jaar geleden uit Nederland om internationaal carrière te maken. Bij terugkeer, tien jaar geleden, trof hij een ander land aan.

‘Het thema nu is immigratie. Mijn vrouw is buitenlands, Belgisch, Franstalig. België is niet ver, maar toch een heel andere cultuur. Destijds vond iedereen dat charmant en wilde Frans met haar spreken. Toen we terugkwamen, moest ze soms uitleggen waarom ze Frans sprak. Als ze in een winkel Frans sprak met de kinderen, keken mensen haar aan met zo’n blik van: praat gewoon Nederlands.

‘Maar we zijn een immigrantenland; mijn familie is hier tweehonderd jaar geleden uit Zwitserland gekomen. Van die immigranten hebben we allemaal veel profijt gehad. Ik vind de discussie nu erg verstard. In Zuid-Amerika is iedereen immigrant, dat zorgt voor een heel dynamische wereld. Het leuke van Nederland was altijd dat het zo op het buitenland was gericht; ik vind het jammer dat dat nu minder is.’

Over zee

Ja, dat kan allemaal wel waar zijn, maar de ene immigrant is de andere niet. ‘Nee, maar ik denk dat bijvoorbeeld de mensen die nu over zee komen, zeer ondernemend zijn. Als je dat niet durft, blijf je thuis. Kijk naar de Verenigde Staten: die mensen komen binnen, de eerste generatie zijn ze allemaal Rus of Marokkaan, een paar generaties later zijn het Amerikanen geworden.

‘We zullen eraan moeten wennen, want we kunnen de deur niet dichtgooien en ik denk dat het goed is voor de samenleving. Al merk ik wel dat sommige mensen dat ver vinden gaan.’

Ook al houdt Schneiders van Afrika, voor zijn vakantie heeft hij een andere bestemming uitgezocht: Portugal. ‘Veel voormalige Portugese kolonies zoals Angola en Mozambique investeren in Portugal, en heel veel Portugezen gaan naar die landen omdat de economie er beter is. Daar is een soort omgekeerde take-over aan de gang.’

Elsevier nummer 29, 18 juli 2015

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.