nederland

Smalhout: antisemitisme heet nu antizionisme, dat is chiquer

Door Hugo Camps - 02 juli 2015

Professor dr. Bob Smalhout is overleden. De oud-anesthesioloog en columnist overleed donderdagochtend in zijn huis in Bosch en Duin aan nierfalen. Smalhout is 87 jaar geworden.

‘Het einde van zijn leven sluit een jarenlange worsteling af met een gestaag teruglopende lichamelijke gezondheid,’ schrijft De Telegraaf, de krant die wekelijks een column van Smalhout publiceerde. ‘Zijn dood betekent een groot verlies voor deze krant, ook in persoonlijk opzicht voor de redactie en de hoofdredactie.

Interview

Hugo Camps interviewde Smalhout in februari 2009 voor weekblad Elsevier. De twee spraken over defensie, het onderwijs en de staat van Nederland.

Op zijn 81ste schrijft hij nog steeds boeken en geeft hij lezingen. Over de gezondheidszorg, de staat van het land en de Bijbel. Hij preekt zelfs, om mensen te troosten. Nestor Bob Smalhout waarschuwt voor oplaaiend antisemitisme. ‘Het heet nu antizionisme, dat is chiquer. Daarmee kun je in een grachtenpand wonen.’

Het sneeuwt in Bosch en Duin. Voor ik wegrijd, tikt hij nog even tegen het raam: ‘U hebt toch winterbanden, mag ik hopen.’ Winterbanden, dat anesthesioloog prof. dr. Bob Smalhout daaraan denkt. Terwijl hij twee uur lang met het fileermes langs de Nederlandse samenleving is gegaan.

Twee uur lang in een mooie woede verkeerde over nonchalance en teloorgang. Bij vlagen ook verdrietig was om zijn vrouw Mieki, die in een verpleeghuis tegen de duisternis van alzheimer vecht. En dan nu nog even la condition humaine op winterbanden.

Bob Smalhout (81) is een onverbeterlijke straatvechter. Met het woord. Nu vijftien jaar schrijft hij op zaterdag zijn column in De Telegraaf. Over normen en waarden, onderwijs, zorg, de nieuwe bemestingsmethoden, de Bijbel… Niets is de professor te gek. Tot diep in het land gevierd als buikspreker van Wakker Nederland. ‘Deze week heb ik weer vier lezingen.’

En CDA-minister Ab Klink van Volksgezondheid en Tweede Kamerlid Rita Verdonk mogen ook nog langskomen voor een adviesje. Hij weet niet van ophouden, deze drilboor van nationale verontrusting. Wanhoop kent hij niet, of toch?

‘Wekelijks op vrijdagmiddag, als ik om drie uur nog geen onderwerp heb voor mijn column. De wanhoop van de deadline is mij zeer bekend.’

Sober

We eten een stukje vlaai en later een kopje soep. Voor een uitgebreide lunch had de pensionado geen tijd. Werk, werk, werk. ‘Bourgondisch ben ik nooit geweest, nee. Ik heb een vreemde afkomst. Mijn vader was joods, mijn moeder protestants. Protestanten zijn per definitie sober. De joodse achtergrond van mijn leven heeft het besef aangescherpt dat je tot de laatste snik moet doorgaan met je talenten te gebruiken. Je moet alles uit de kast blijven halen. Mozes was ook tachtig toen hij zijn belangrijkste opdracht kreeg.

‘Mijn hele familie aan vaderskant is uitgemoord. Wel tweehonderd mensen. Ik heb verder niemand meer. Als ik wakker word, bespringt mij het gevoel dat ik als een van de weinige overlevenden de morele verplichting heb van het leven te maken wat ervan te maken is. Om een bijdrage te leveren aan deze maatschappij. Mede namens degenen die er niet meer zijn. Noem het een roeping. Zoals ik het zijn van arts ook altijd als een roeping heb beschouwd.

‘Laatst gaf ik een lezing op een informatiedag voor jonge artsen. Ik zei dus dat ik vijftig jaar arts ben en altijd heb geweten dat mijn vak geen gewone broodwinning is. En ook geen kantoorbaan. Arts ben je 24 uur per dag, je leven lang. De reactie op mijn speech was een homerisch gelach. Het leek wel alsof ik Toon Hermans was en de zaal in lachen uitbarstte. Zo leuk hadden ze het op deze dag nog niet gehad, die jonge artsen. Ze vonden mij volkomen belachelijk. Diep geschokt ben ik weggereden. Ik kan niet tegen zo’n mentaliteit.’

Een dokter met kantoortijden: gruwel in het gezicht van de nestor. ‘Je hoort het nu artsen zelf zeggen dat ze een kantoorbaantje hebben. Sterven kan alleen nog tussen negen en vijf. Als ik het woord “kantoortijden” tijdens mijn opleiding had gebruikt, was ik op staande voet ontslagen. En zo hoort het. Het is een uitholling van het arbeidsethos die je ook in andere geledingen van de maatschappij tegenkomt. Ik moet vaak aan Animal Farm van George Orwell denken. De boer wordt weggejaagd en de varkens gaan leidinggeven.

‘Vervang varkens door managers en we zijn helemaal bij de tijd. Managers: een plaag. Ze kunnen niks en ze gaan leiding-geven aan mensen die wel vakbekwaam zijn. Ik ken managers die jarenlang in een ziekenhuis hebben gewerkt en nooit een voet in de operatiekamer hebben gezet. Ergo: managers die hoofd van de operatieafdeling werden en die nooit een operatie hadden gezien. Dat is nu algemeen beleid hier in Nederland. En natuurlijk houden die managers zichzelf in stand. Ze spelen elkaar de bal toe om in hun hoge posities niet te worden verontrust door de beroepsgroep waar ze niets mee hebben.’

Managerscultuur

Zorg, onderwijs, de regering: overal kom je die onwetendheid tegen. ‘We hebben nu een minister van Defensie die niet eens het verschil weet tussen een generaal en een portier van een bioscoop. Hij had nooit een kazerne van binnen gezien. Daar was hij zelfs een beetje trots op. Natuurlijk maakt die Van Middelkoop de ene blunder na de andere en zegt hij de stomste dingen. De militairen zien hem niet eens staan. Ook ministers voelen zich managers. Het is de pest voor een land.

‘Je kunt wel zien dat er hoe langer hoe meer verzet komt tegen de managerscultuur. Heren die met gigantische bonussen naar huis gaan nadat ze met fusies en reorganisaties rampen hebben aangericht, worden toch een beetje melaats. Wat de mensen nog het meest stoort, is dat ze een kaste zijn geworden met eigen taal en rituelen. Met een geheimtaal waarbij ze zichzelf apart houden van de rest van de mensheid. Op lezingen voor managers zeg ik de vreselijkste dingen. Soms denk ik dan: toch maar een beetje voorzichtig zijn, Bob, want voor je het weet, slaan ze je in elkaar. Nee dus. Ze vinden het fantastisch.’

Alsof hij de zee ziet branden, zegt hij: ‘Je moet eens kijken naar de personeelsadvertenties van ziekenhuizen. In de tekst staat dat ze een topziekenhuis zijn met de beste artsen ter wereld, waar de patiënten centraal staan. En wat zoeken ze? Twee verwarmingsmonteurs. Ik word doodziek van die opgeblazen blabla. Altijd die stupide superlatieven.

‘Eigenlijk is er geen normaal beroep meer. De boekhouder is dood, de directeur bestaat niet meer, de secretaris is van de aardbol verdwenen. Koks hebben we ook niet meer, dat zijn nu foodmanagers. Een boekhouder is een financial accountmanager . Niemand heeft nog een normale naam.’

Archieven

Sinds jaar en dag fulmineert de columnist tegen de verloedering van het onderwijs. Hij spreekt van intellectuele criminaliteit. Gelukkig zitten zijn kleinkinderen op een Vlaamse school in Turnhout.

‘Op de lagere school is het vak geschiedenis al dertig jaar verdwenen. En dan hebben we het dus over de basis van alle kennis en cultuur. De jeugd wordt opgeleid zoals je katten en honden opleidt: geen verleden, geen toekomst, alleen hier en nu. Een schande. De leerkrachten zelf weten ook van niks meer. De gevolgen zijn rampzalig.

‘Nederlanders zijn niet trots meer op hun land. Er is geen nationaal besef meer. Trots zijn op je eigen land mocht niet meer na de oorlog, dat lag te dicht bij de vloek van het nationalisme. Vandaar dat het volkslied kinderen ook niet meer wordt aangeleerd. Vaderlandse liederen zijn geschrapt, lofliederen eruit gegooid.

‘In het onderwijs is een anticultuur ontwikkeld. Geschiedenis, kunst, literatuur zijn secundair geworden. Allicht loopt het bezoek aan concerten en musea dramatisch achteruit. Goed onderwijs is in principe autoritair. Maar autoriteit is in Nederland verdacht. Men is er kopschuw voor geworden. Niemand wil nog onder bevel staan in de Nederlandse samenleving.’

Zijn werkkamer barst van de archieven. Mappen met knipsels van vijf, tien, vijftien jaar geleden zijn met chirurgische precisie gesorteerd. Per onderwerp: religie, justitie, normen en waarden, klimaat, Pim Fortuyn en Geert Wilders. ‘Ik lees zeven kranten per dag. Dat moet ook als columnist. Ik wil bij de les blijven. Vaak komen hier politici over de vloer, maar ik heb me nooit geprofileerd als partijman.

Pensioen

‘Als arts voor het leven heb ik een medisch adviesbureau. Jaarlijks krijg ik zo’n vijfduizend brieven van mensen die medisch-sociale problemen hebben. Die krijgen allemaal een antwoord, met de hulp van mijn secretaresse over wie ik twee dagen in de week mag beschikken en die ik zelf betaal. Soms behandel ik patiënten nog in een ziekenhuis. Daarnaast werk ik één dag in de week bij een advocatenkantoor waar ik medische letselschade onderzoek. Ik ben laatst gevraagd voor een lezing over de mengvoederindustrie. Kost me toch weer dagen inlezen.’

In 1992, toen hij 65 werd, moest hij met pensioen. Alsof hij een dwarslaesie kreeg, zo voelde het. Het maakt hem nog elke dag boos. ‘Het is een basaal recht van de mens om zinvolle arbeid te verrichten. Als je die iemand ontneemt, vermoord je hem. Je kunt een marathonloper ook niet verbieden hard te lopen. Dat mensen worden beoordeeld naar hun geboortedatum en niet naar hun capaciteiten is te krankzinnig voor woorden. Met auto’s doet men dat niet, met mensen wel. Toen ik met emeritaat werd gestuurd, voelde ik me vernederd. De ene dag nog universitair topspecialist, de andere dag niets meer.

‘Ik geneerde me zo voor mijn lege dagen dat ik soms ’s ochtends in de auto stapte en de hele dag doelloos door Nederland reed om de buitenwereld het idee te geven dat ik werk had. Tussen de middag ging ik een boterhammetje eten bij een benzinestation of ging ergens op een parkeerplaats op een bankje zitten. Aan het eind van de middag reed ik weer naar huis. Een schijnbestaan was het. Vergeet niet, ik stam uit de jaren twintig toen werkloosheid een schande was.

‘Uiteindelijk ben ik gered door twee instanties. Een echtpaar dat televisiefilms maakte, kon het niet meer aanzien dat ik zo doelloos ronddoolde. Ze boden mij een kamer aan in hun pand met bureau, fax en telefoon. Ik moest maar eens een boek gaan schrijven, zeiden ze. Dat heb ik gedaan. Het werd mijn vaste kantooradres. Nog leuker was het aanbod van De Telegraaf om wekelijks een column te schrijven in de zaterdagkrant. Dat heeft mijn leven gered.’

Vertrouwen

Zijn vader was tekenaar, graveur, etser. Hij overleed toen kleine Bob twaalf jaar oud was. ‘Ik mis hem nog steeds, elke dag. Hij had allerlei boeken over de menselijke anatomie in de kast staan. Al vroeg raakte ik verslingerd aan die boeken, waarin ook nog te lezen was hoe hart en nieren functioneren. Als tienjarige wist ik al: ik word dokter. Ik had mijn autoped behangen met envelopjes met pleisters, jodium en verband. Ik hoopte altijd dat een vriendje een gat in zijn knie zou vallen, zodat ik kon uitrukken.

‘Mijn vader nam me elke zondag mee naar alle musea van Amsterdam. Ik ben gewassen in kunst. Nog steeds. Nee, dat is voor mij geen sluiproute naar troost. Troost ontstaat pas als mensen je laten voelen dat ze je vertrouwen, dat ze nog iets van je willen. Waardoor jij het idee krijgt: ik kan nog nuttig zijn voor anderen.’

Zijn vrouw Mieki, ooit begenadigd celliste, lijdt aan alzheimer. De professor heeft haar jarenlang thuis verzorgd, maar nu zit ze in een verpleeghuis. Het valt hem zwaar. ‘Ik leef continu met een schuldgevoel. Je bent dokter en je kunt zelfs je geliefde niet meer helpen. Het voelt zoals een badmeester die iemand ziet verdrinken en hem niet kan naspringen. De dag dat ik Mieki naar het verpleeghuis bracht, voelde alsof ik mijn vrouw had afgedankt. Zoals je een ouwe fiets de deur uit doet.

‘Soms is ze nog even helder en zegt dan: “Wat lief dat je bent gekomen.” Vervolgens: “Kom je me halen, neem je me mee naar huis?” Je weet niet wat je moet zeggen. Je gaat acuut dood van ellende. Als ik dan wegga, roept ze me nog na: “Moet ik niet eerst mijn koffer pakken voor ik met je meega?” Elke keer weer kom ik doodziek thuis. Ik begrijp de beslissing van Hugo Claus om uit het leven te stappen. Maar je kunt die niet voor een ander nemen.’

Intimiteit

Bob Smalhout heeft een mystieke zelfkant. Als waarnemend predikant trekt hij stampvolle kerken. Dan staat hij in toga en witte bef ergens te lande op de kansel. Het begon in de jaren tachtig nadat hij op verzoek van een krant een dubbele pagina had geschreven over de kruisdood van Christus.

Later is hij boeken over de Bijbel gaan schrijven. Preken als missie? Als sensueel genot? Als oratorisch hoogstandje? ‘Het is niet mijn bedoeling mensen een geloof op te dringen. Zelf ben ik bij geen enkel kerkgenootschap aangesloten. In het medische vak loop je altijd tegen de grenzen van het leven op. Dat heeft een sacrale intimiteit.

‘Je wordt geconfronteerd met onvoorstelbaar verlies en verdriet, en dan moet je toch iets zinvols kunnen zeggen. Onbewust nader je dan het religieuze in de mens. Overigens, in de tijd van de Bijbel was het nog een ongedeeld beroep: dokter en priester.

‘De mensen spreken me altijd aan als dominee. Ook omdat ik als voorganger graag bij de uitgang sta. Ik preekte op Terschelling en een man kwam op mij af: “Dominee, die professor die elke zaterdag in De Telegraaf schrijft, is dat familie van u?”

Antisemitisme

Smalhout was een vriend van Pim Fortuyn. En ja, hij mist een echte conservatieve partij. ‘Er wordt te veel kapotgemaakt in dit land. Ik weet nog dat mijn kleinkinderen, die toen tien jaar waren, ademloos zaten te luisteren naar Pim. Ze begrepen wat hij zei. Iedereen heeft het nu over populisme, maar wat is populisme? Het is een reactie op het holle gezwets van politici die zo graag in een soort geheimtaal spreken. Als je echt iets belangrijks hebt te zeggen, hoef je geen moeilijke woorden te gebruiken. Populisme berust op weerzin tegen versluierd taalgebruik.

‘Rechts mag weer een beetje. Wilders gaat te ver met zijn oneliners over de Koran. Dit soort beledigingen hebben geen nuttig effect. Ik moet wel waarschuwen voor de opleving van het antisemitisme. Het heet nu antizionisme, dat is chiquer. Daarmee kun je in een grachtenpand in Amsterdam wonen.’

Hij heeft een zoveelste boek geschreven: Portretten uit een bewogen tijd. Portretschetsen van gewone Nederlanders: een drogist, een binnenvaartschipper, een heilssoldaat. ‘Die simpele anonieme mensen dragen het land. Als arts was het me al opgevallen wat voor bijzondere mensen er soms in de bedden van het ziekenhuis liggen.’

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.