nederland

Sara Kroos: ‘Vandaag wil ik dood, maar morgen niet’

Door Liesbeth Wytzes - 28 augustus 2015

Vanaf haar achttiende staat cabaretière Sara Kroos (34) op het toneel. Ruim tweehonderd keer speelt ze haar programma’s en ze heeft er altijd zin in, ook in Hoogezand.

Er zijn artiesten en kunstenaars die hun scheppend werk met de grootste moeite doen, die het toneel opgaan na een lange interne worsteling en stijf staan van de stress. Zo is het niet bij cabaretière Sara Kroos. Die vindt optreden heerlijk. ‘Ik sta altijd te popelen en ik heb altijd zin om te spelen, hoe ik me ook voel.’

Ze zegt zelden af. Eén keer moest ze stoppen omdat ze flauwviel, en één keer bleek na afloop van de voorstelling dat ze een geknapte blindedarm had. Opgewekte lach. ‘Ik heb een hoge pijngrens. En een hoog arbeidsethos.’ Kroos is zo iemand die met een brede lach over serieuze dingen kan praten: lachen is ook een manier om met tegenslagen om te gaan.

Met haar nieuwe voorstelling Doorgefokt staat ze vanaf november op het toneel; 6 september beginnen de try-outs en is ze bezig met het schiften van teksten, het daadwerkelijke samenstellen van de voorstelling.

Dat doet ze deels aan de grote keukentafel, met uitzicht op de Vecht. Links een imposant fornuis en een open haard; voor het rechter raam een boeiende constructie van krabpalen waar drie Siberische boskatten wonen.

Weeffouten

Kroos, lang, heldere blauwe ogen, krulhaar, staat zestien jaar op de planken. Wij, het publiek, zien het eindresultaat van een geheimzinnig proces. Hoe maak je een cabaretvoorstelling?

‘Ik heb altijd een opschrijfboekje bij me, zo’n zwarte Moleskine met een elastiek. Daarin maak ik notities. Als ik thuis ben, tik ik op de laptop. Eén zin uit dat opschrijfboekje wordt meteen een heel verhaal als ik het echt ga opschrijven. Elke voorstelling begint met een gedachte of een stelling.’ Doorgefokt begon een jaar geleden tijdens een etentje met vrienden. Aan tafel bleek dat er aan iedereen wel iets mankeerde.

‘Lichamelijke klachten of psychische klachten. Of een allergie. Daar ging ik over denken en toen besefte ik dat ik niemand ken met wie niet iets is. Dus ik dacht: wij zijn net als doorgefokte rashonden. Ik denk dan niet: hé, dat wordt iets. Maar ik ga er wel mee aan de gang. Ik vond het een interessante gedachte en het bleek ook dat je er veel grappen over kon maken. De weeffouten die we allemaal hebben, waren goed materiaal om mee te werken. Ik houd nu eenmaal erg van werken met imperfecties, onhandigheden, tekortkomingen.’

Ze schrijft altijd veel te veel en gaat op een bepaald moment met een stapel aantekeningen rond de tafel zitten met haar regisseur Jessica Borst, met wie ze vanaf het begin werkt.

‘Die hele stapel lees ik aan haar voor, zij schat dan een beetje in van: dat kan eruit, daar hebben we iets aan. Ik denk dat ongeveer driekwart sneuvelt; ik heb altijd heel veel materiaal. Samen bepalen we dan het overkoepelende idee.’

Want een voorstelling moet wel een rode draad hebben, een spanningsboog, één lijn, hoe je het ook wilt noemen. Soms moet daarnaar worden gezocht, soms dient die zich meteen aan, zoals in het geval van Doorgefokt. ‘Dat kwam zo uit. Heel prettig als iets meteen een kop en een staart heeft.’

Luxeprobleem

Een voorstelling duurt bij Kroos altijd 1 uur en 40 minuten, zo leert de ervaring. Maar nu heeft ze genoeg materiaal voor ruim 3 uur.

‘Ik heb haar voor de zomer een paar keer gespeeld, en er mag dus wel iets uit. Wel een luxeprobleem: ik hoef nooit te schrapen voor materiaal, maar er sneuvelt veel. Ik ben heel erg kritisch op wat er uiteindelijk overblijft. Nu ben ik die puzzel aan het maken, dat vind ik een leuk proces.’

Het is dus een soort polijsten. Is het ooit af? ‘Nee, ik blijf eraan klooien. De tafel is klaar en de gerechten ook, maar ik houd erg van snufje dit of een beetje dat erbij. Met de première hoort het af te zijn, en als je die vergelijkt met de laatste voorstelling twee jaar later, is het toch anders. Het zijn kleurverschillen.’

Ook tijdens de try-outs blijft Kroos eraan werken. ‘Dan schrijf ik ’s nachts door en slaap uit, ’s middags ga ik repeteren en
’s avonds speel ik het. Zo gaat het de hele tijd door tot het steeds meer is uitgekristalliseerd.’

Bij een optreden moet alles kloppen. Kleren, decor, muziek. Alles moet één geheel zijn en of nou iedereen in de zaal merkt hoe goed daarover is nagedacht, doet er niet eens toe. Het is ‘doorgeregen’, zegt Kroos: alles past bij elkaar.

‘Je kunt niet op het podium gaan staan en maar wat doen. Alles moet kloppen, daar ben ik streng in. Het mag geen één avond slordig zijn, maar het moet eruitzien alsof ik het zo uit m’n mouw schud, alsof het net zo makkelijk is als ik hier nu zit te praten.’

Wens

Sara Kroos was achttien toen ze voor het eerst op toneel stond, bij het Leids Cabaret Festival, waar ze prompt de Publieksprijs won. Geen opleiding, niets, maar wel een wens.

‘Ik wilde van jongs af aan cabaret doen. Ik had Brigitte Kaandorp gezien, Karin Bloemen, Lenette van Dongen en dat wilde ik ook. Maar ik dacht ook: dat is niet voor je weggelegd, je kunt niks, er zit niemand op je te wachten. Je weet wel, die leuke fase van je leven dat je echt heel blij bent met jezelf. Toen ik 17 was, dacht ik: je gaat het één keer proberen, zodat je niet denkt: had ik maar… als je oud bent.

‘In retrospect vind ik dat voor een vrouwtje van 17 een bijzonder helder inzicht. Ik had een programma gemaakt van een half uur, een half gedicht, een paar grappen, een paar liedjes. Er zat een impresario in de zaal, Harry Kies, en die zei: kom maar bij ons. Dat werd mijn eerste show, Honger.’

Haar programma’s zijn behoorlijk uitgesproken. Een conference heet Geiligheid, of Ik hou van sex. Nogal wat, voor een meisje met een calvinistische achtergrond. Of misschien komt het juist daardoor.

‘Het is wel een bepaalde drijfveer vanuit je opvoeding om de dingen hardop te zeggen en te relativeren. Ik ben opgevoed met het Hollandse dogma van “Daar hebben we het niet over,” en dan denk ik: daar hebben we het dus wél over en daarover wil ik een grap maken. Dat is wel een drijfveer geweest.’

Vervaarlijk

Kroos is nog steeds grof. Ze heeft er geen problemen mee om over bepaalde intieme zaken nogal uitgesproken te zijn. Inmiddels is ze ouder en heeft ze wat meer rust gevonden in haar leven. Maar dat betekent zeker niet dat ze milder is geworden, zegt ze, en ze kijkt nogal vervaarlijk.

‘Mijn scherpte en grofheid zullen altijd wel blijven, maar ik vlieg niet meer uit de bocht zoals vroeger. Dat was deels een reactie op mijn opvoeding en het gevolg van een turbulente tijd. Maar het zit ook in mijn karakter. Grof is mijn handelsmerk, dus dat blijft. Het is niet zo dat ik milder ben geworden omdat ik ouder ben en een dochter heb van 12.’

Het theater was lange tijd de veiligste plek in het leven van Kroos, de plek waar ze zich het meest thuisvoelde. Ze trad vijf keer per week op, nu drie à vier keer. ‘Toen had ik geen leven, maar nu gelukkig wel. Het theater was toen een veiliger plek voor me dan de supermarkt of zo.’ Weer die lach. Kroos heeft een vrouw, en een dochter uit een eerdere relatie.

In totaal staat ze ongeveer 240 keer op de planken met een voorstelling. Nu, aan het einde van de zomer, wordt ze onrustig omdat ze zin heeft om weer te beginnen. ‘En ik ben het nooit zat! Nooit! Ik speel een programma twee theaterseizoenen en ik zou het zo nog een jaar willen doen. Ik kan heel slecht zonder m’n vak. Het is toch een groot geluk dat ik die twee seizoenen kan spelen en die zalen vol zitten.

‘Ik ben het ook nooit zat om het land in te gaan. Ik heb er een hekel aan als mensen zeggen: moet ik weer naar Hoogezand-Sappemeer. Dat vind ik denigrerend. Het is elke avond anders, het publiek is anders.’

Verslaafd

Kroos rijdt zelf naar het theater, elke avond heen en in de nacht terug. Het is een ritueel waaraan ze hecht. Op de heenweg belt ze haar moeder, eenmaal in de coulissen haar vrouw en dan gaat ze op.

‘De opening is erg belangrijk; de eerste zin moet meteen raak zijn. Net als bij een boek of een film: het begin en einde zijn cruciaal. In die eerste paar seconden moet het gebeuren.

‘Als ik dan word afgeleid, of er gaat een telefoon, of ik struikel, wat gelukkig nog nooit is gebeurd, dan moet ik de voorstelling bijdraaien. Dat gaat de ene keer beter dan de andere. Ik wil graag beginnen met een lach en dat is soms even zoeken. Ik begin weleens met een lied en dan merk je dat mensen denken: het is nog niet begonnen. Zitten ze nog met hun telefoon.’

De zaal is elke keer anders, dat wil zeggen: het publiek is anders. Belangrijk voor een cabaretier, die zich soms tot dat publiek richt. Kroos zegt dat ze op de mensen reageert, zij het niet rechtstreeks. ‘Ik spreek ze niet meer aan, dat deed ik vroeger wel. Dat is voor die mensen niet zo leuk.’ (Is ze toch wat milder geworden.) Het klinkt ‘zweverig’, maar je moet het ritme van de zaal leren kennen.

‘Dat heeft met zo veel dingen te maken. Met de grootte, met de avond zelf – of het een dinsdag- of een vrijdagavond is – met een harde kern die lacht, soms zit er een gezelschap in de zaal dat elkaar kent. Ik leer het publiek in de eerste 10 minuten kennen en dan weet ik wat hun ritme is. Tikkie minder, tikkie meer… het is een spel waaraan ik verslaafd ben.’

Ze is ook bijna nooit nerveus. ‘Alleen voor de perspremière. Dan word ik beoordeeld en dan voel ik me heel onprettig. Alsof ik examen moet doen.’

Al het opgebouwde zelfvertrouwen verdwijnt even bij het begin van een nieuwe show. ‘Ik ga op 6 september weer beginnen en dan weet ik dat ik denk: o, ik ben niet grappig. Ik kan niks, deze voorstelling gaat nergens over.’

Spiegel

Is een cabaretier een hofnar? Houdt hij de zaal een spiegel voor? Is het alleen maar vrolijkheid? ‘Ik wil ze vooral heel erg laten lachen. Ik zou het hoogdravend vinden om het over een spiegel te hebben of een boodschap of een moraal, daar houd ik helemaal niet van. Ook niet van het opgeheven vingertje, want ik weet het ook niet.

‘Het enige wat ik doe, is grappen maken over de onhandigheden die ik zie, het gedoe, en daarmee relativeer ik het. Dan ben je in de zaal niet zo alleen, met je eigen gedoe. Dat is ook de reden dat ik boeken lees, naar de film ga. Dat biedt troost. Dat je niet alleen bent in dit achterlijke bestaan.’
Hier moet ze hard om lachen. ‘Het is heel troostend dat je met een hele zaal kunt lachen om dingen die misschien best naar zijn. Het mooiste wat ik kan bewerkstelligen, is dat die mensen met een goed gevoel de zaal uitgaan.’

Kroos schrijft graag en ze eet graag, dus niet zo gek dat er binnenkort een kookboek van haar verschijnt. ‘Een bakboek.’ Als ik het niet kan, kun jij het ook heet het, met op de omslag een stralende Kroos in haar eigen keuken, loeigroot mes in de hand om eens flink in een chocoladetaart te steken. Kroos schreef verhalen bij recepten van een vriendin, patissier Francis van Arkel.

‘Het gaat over afvallen en taarten bakken, inderdaad, twee tegenstrijdige dingen. Het gedoe als je bezig bent met je gewicht, en dat schommelt bij mij nogal. Het idee is dat je een recept maakt en terwijl de taart in de oven staat, lees je een verhaal van mij. Over troosttaart: met kaneel, amandelspijs, rozijn, appel. En voor mensen die afscheid hebben moeten nemen van iets of iemand, is er gezouten karamel, met het zout van tranen. Het zijn geen recepten waarvan je afvalt.’

Inspiratie

Is ze nooit bang dat ze het echt niet meer kan – schrijven, een voorstelling maken, optreden? ‘Nee, ik ben niet bang dat het voor altijd opdroogt, en ik geloof ook niet in inspiratie. Je gaat zitten en je gaat maken, de ene keer sneller dan de andere keer.

‘Ik geloof in concentratie en veel opschrijven en jezelf blijven voeden met dingen zien, blijven nadenken, wakker blijven. Voor mij is het rustgevend om vorm te geven aan de dingen die ik meemaak. Dan begrijp ik het beter, kan ik het beter overzien.’

Kroos beschrijft zichzelf als ‘een vrolijk mens met een sombere inslag’. Melancholisch ingesteld, met behoorlijke pieken en dalen. Maar ouder worden heeft voordelen.

‘Ik weet inmiddels: vandaag wil ik dood, maar morgen niet. Dat scheelt. Als iemand zou zeggen: je kunt dat inruilen voor een gematigd, kabbelend bestaan, zou ik het niet doen. Maar als ik somber ben wel! De een heeft hooikoorts als het lente wordt en de ander wordt somber als het herfst is. Dat hoort nu eenmaal bij mijn persoonlijkheid; een weeffoutje.’

Elsevier nummer 36, 5 september 2015

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.