nederland

Anton de Man, gepromoveerd op zijn 82ste, zit nog vol energie

Door Liesbeth Wytzes - 07 september 2015

Aan levenslust ontbreekt het Anton de Man (87) niet. Op zijn 82ste promoveerde hij. Hij correspondeert met hoog­leraren, schrijft boekjes. Hij wil wel 250 jaar worden.

Als de lift in de Rotterdamse serviceflat Prinsenwiek opengaat, komt er eerst een trage stoet bejaarden met rollator uit, gevolgd door een ongeduldige meneer met grijs haar. Anton de Man dartelt zowat door de gang.

Hij is 87, wil dat eerst niet zeggen, lacht er verbaasd en verlegen bij. De Man was zestien jaar lang met groot plezier voor D66 lid van de gemeenteraad van Roosendaal, was daar zelfs fractievoorzitter. Hij keerde later terug naar Rotterdam en richtte daar een Ouderenpartij op, maar die haalde niet genoeg zetels.

Hij is initiatiefnemer van de Hemsterhuisleerstoel, genoemd naar de vergeten Friese filosoof Frans Hemsterhuis (1721-1790) die hij zeer bewondert. Dit is maar een kleine keuze uit de veelheid aan activiteiten die De Man ontplooit.

We moeten het zo zien: ‘Je moet op verschillende dobbers drijven. Ik wil geen raad geven, hoor, maar je kunt beter op meer dobbers staan. Want er komt altijd een moment dat je er eentje kwijtraakt. En dan heb je nog iets anders.

‘Mensen pesten je, of ze maken je zwart. Dat gebeurt overal en hier ook. Dan zeggen ze tegen iemand: moet je haar zien met haar imitatiebontjasje. Zo’n vrouw staat te huilen in de lift. Dan loop je verdriet op. Dat is mij ook overkomen. En als dat gebeurt, kun je zeggen: nou, dan hou ik ermee op. Maar dan moet je wel vijf of zes andere leuke dingen hebben. Dan kun je iets loslaten.’

De Man heeft in zijn leven zo veel dobbers gehad, en nog steeds, dat het de toehoorder werkelijk duizelt. Hij leert Russisch, heeft een schotel op het dak laten zetten en kijkt ’s ochtends naar het Russische nieuws. ‘Verstaan is moeilijk, daar verbaas ik me elke ochtend over.’

Weetgierigheid

Hij mailt zijn lerares in het Russisch, spreekt Spaans, Duits, Frans en Engels, hij speelt tennis en bridge, hij promoveerde in 2010 op zijn 82ste, schrijft boeken, onderhoudt contacten met wetenschappers aan vooraanstaande universiteiten. En nog voorzitter van de bewonersvereniging ook. Je zou een voorbeeld aan hem kunnen nemen, en zeker niet alleen als je bejaard bent.

Bovendien heeft hij bij het ouder worden niets verloren van zijn levenslust en weetgierigheid. Soms kost het hem wel moeite: tennissen bijvoorbeeld. ‘Doen we drie keer in de week, we zijn allemaal boven de 75. ’s Morgens ga ik voor het raam staan en denk: ik hoop dat het regent, dan hoef ik er niet naartoe. Ik ben te moe en te oud om van hier naar de keuken te lopen! Ik ga toch en na anderhalf uur zeggen we: nou, we scheien ermee uit, en thuis heb ik weer zo veel energie!’

Broeders

Laten we beginnen bij zijn jeugd.

‘Mijn vader was politieman in Rotterdam. Hij kwam uit de mobilisatie en de overheid stelde heel veel politiemensen aan, en hij kon in Rotterdam gaan werken. Dat was wat. “Vast weekgeld, vaste armoe,” zei mijn moeder altijd. We waren zo katholiek als wat, ik ook. Ik ben altijd een heel brave jongen geweest. We hadden een groot gezin met negen kinderen. Ons huis was redelijk ruim, met een tuintje ervoor, in Rotterdam-Zuid. Er was toen een PvdA-wethouder die zei dat ook arme mensen mooie huizen mochten hebben.

‘Mijn vader had een dienstfiets en wij hadden met de rest één fiets, die was altijd kapot. Ik was zo onhandig, ik kon de band er niet eens afhalen. Mijn vader had een stukje land gehuurd waar hij in zijn vrije uren aardappelen verbouwde, en groente zoals peentjes. Dan kwam hij met zakken vol groente en moest ik hem helpen. Het waren jutezakken en daar had ik zo’n afschuw van. Dan liet ik de aardappelen ernaast vallen en werd hij zo kwaad.’

Fietsen repareren kon hij niet, en sjouwen met groente in jutezakken ook niet. Maar hij kon ‘verschrikkelijk goed’ leren. Hij was op school bij de broeders van Saint Louis in Oudenbosch; die kwamen bij zijn ouders thuis om te zeggen dat hun zoon slim was en moest doorleren.

‘Thuis kon ik niks, ik was zo onhandig. Maar daar op school heb ik ontzettend veel geleerd. Dat waren allemaal zulke intelligente mensen. Thuis hadden we geen boeken. Soms gaf mijn moeder me 6 cent, dan kon ik naar de bibliotheek. Ik was echt heel goed in leren en ik heb mijn hele leven gedacht: “Dat zal ik bewijzen ook!” En dat denk ik nu nog.

‘Ik mocht niet naar de hbs. Dan moest je je boeken zelf betalen, en de hbs in de buurt was niet katholiek. Toen ben ik naar de ulo gegaan, bij die broeders dus, dat was geweldig goed. Ik had de hoogste cijfers van Rotterdam, dat kwam zelfs in de krant.

‘Ik kon intern in het broederhuis in Oudenbosch; daar leerde je voor onderwijzer. Ik heb er vier gouden jaren gehad. Een broeder zei: “Jongens, ik zal de regels van het huis vertellen. Je mag hier alles, als het maar normaal is.” Dat is toch mieters?’

De Man wilde net zo goed worden als die broeders. En die deden daar alles aan. Rijk was het instituut niet, maar als hij een bepaald boek wilde hebben, kreeg hij het.

Overconcentratie

Ook de boeken van schrijvers als Rousseau en Voltaire, die toen nog op de katholieke index van verboden boeken stonden. Hij denkt weleens: slim zijn is eigenlijk een gebrek. ‘Een soort overconcentratie. Dan ben ik bezig, ik zit boven te typen, ik zie niks, ik hoor niks.’

De Man werd onderwijzer in Apeldoorn. ‘Ik vond het wel leuk, maar ik was veel te aardig. Niet dat ik geen orde kon houden. Maar tijdens mijn les zaten ze aardrijkskunde te leren voor de volgende les. En ze deden niet wat ik ze opdroeg.’

Hij dacht dus: ik moet uit het lager onderwijs. In de avonduren deed hij MO Frans, om naar het middelbaar onderwijs te kunnen overstappen. ‘Ik ging naar de dokter, want ik was zo moe! Ik snapte niet waarom. Maar ik stond voor een klas met 47 jongetjes. Ik dacht: ik kan dit niet. Toen kreeg ik dat gevoel van vroeger terug, dat vader zei: “Hij kan geen fiets repareren.” Nou, hij kan ook geen lesgeven, dacht ik.’

Waarom Frans? ‘Ik wilde iets doen wat iedereen veel te moeilijk vond. En er zijn 100 miljoen mensen in de wereld die Frans spreken.’

De Man haalde eerst de onderwijsaktes MO-A en -B, ging vervolgens een universitaire studie Frans volgen en studeerde af in 1975. Datzelfde jaar haalde hij het diploma voor tolk/vertaler. ‘Voor bedrijven. Dat verdient beter dan een boekje vertalen. En daarvan heb ik mijn gezin weten te onderhouden.’

De Man heeft uiteindelijk 26 jaar voor de klas gestaan, werd directeur van een ulo in Utrecht, werkte drie jaar op Curaçao. ‘Bij terugkomst dacht ik: ik ga parttime lesgeven en pedagogiek studeren. Dan word ik onderwijs­inspecteur, ben ik betrokken bij het onderwijs en kan er nog iets doen, maar hoef niet meer voor de klas.

‘Ik ging een paar colleges volgen en het derde college ging over psychologie. Dat vond ik zo geweldig! Ik dacht bij voortduring: had ik dat vroeger maar geweten! Ik ging op een holletje, heel hard, naar het secretariaat van de faculteit aan de Kromme Nieuwegracht en vroeg of ik me nog kon inschrijven voor psychologie.’

Goed mens

In die tijd werd hij ook actief bij D66. Dat kwam deels doordat hij zijn geloof ‘een beetje’ begon te verliezen. Er waren dus meer partijen mogelijk dan alleen een christelijke. Maar ook doordat hij D66’ers als Jan Terlouw bewonderde.

‘Daar zaten goeie mensen bij. Terlouw, echt een wetenschapper en een goed mens. En wetenschap kan helpen om de wereld beter te maken. Dat moet de wetenschap doen.’ Zijn geloof is niet helemaal verdwenen. Integendeel, het lijkt bezig aan een kleine comeback.

‘Ja, nu geloof ik weer een beetje: ik begin bang te worden.’ Hier moet hij zelf hartelijk om lachen.

De Man kwam in 1978 in de gemeenteraad van Roosendaal en had het daar zestien jaar lang naar zijn zin. ‘Ik werd echt
geëerd in Roosendaal, het klinkt misschien raar, maar ik was daar echt iemand.’

Intussen studeerde hij in 1982 af in de sociale psychologie. Toen de partij de zetels in de gemeenteraad verloor, vertrok De Man naar Rotterdam. ‘Ik wilde dicht bij een universiteit wonen. Eerst wilde ik promoveren bij die geluksprofessor, Ruut Veenhoven, over het geluksgevoel van dementerende ouderen. Daarvoor hebben we een opzet gemaakt, maar dat liep mis. Ik wilde heel graag promoveren en ik had haast, want dat wilde ik wel doen voor ik dood ging.’

Hij zocht een onderwerp. ‘Ik had al een proefschrift geschreven over het dichtwerk Roman de la Rose, maar ik had het te druk en mijn promotor overleed. Ik heb smoesjes verzonnen om niet te hoeven promoveren, maar het is gelukt. Want uiteindelijk wilde ik laten zien dat ik intellectueel alles kan.’

Iemand wees hem op Frans Hemsterhuis, een vergeten Friese filosoof die tijdens zijn leven in hoog aanzien stond en wel de Friese Socrates werd genoemd.

‘Ik heb geprobeerd te promoveren op Hemsterhuis als filosoof, maar ik merkte elke keer dat ik op dat gebied kennis tekort kwam. Ik weet gewoon niet wat die Plato en Socrates allemaal hebben gedaan! Maar gaandeweg kwam ik erachter dat Hemsterhuis veel meer literair was. Toen ontdekte ik een professor in Antwerpen die over hem had geschreven. Dat was zo allemachtig schitterend dat ik hem mailde: ik zou wel bij u willen promoveren.’

De computer kende inmiddels ook geen geheimen meer voor hem. ‘Ik heb echt mijn best gedaan om goed te leren mailen en te schrijven, en met Windows om te gaan.’

De Antwerpse hoogleraar, Paul Pelckmans, bleek zeer behulpzaam. ‘We gingen elkaar mailen en joh, dan kwam ik ’s morgens mijn bed uit en had ik liggen nadenken, en dan typte ik een stuk. Dat stuurde ik naar Antwerpen en dan was ik de hele dag benieuwd wat hij zou terugschrijven. En elke dag schreef hij terug!

‘Ik had de ervaring: schrijf eens honderd bladzijden en kom over een paar maanden terug en wat je op bladzij 80 hebt staan, moet op bladzij 20 komen. Dat schiet niet op. Dan staat er: zoals ik op pagina zoveel heb verteld…, maar dat heb je dan nog niet verteld. Deze man deed elke dag een stukje en ik kreeg zo veel respect voor hem. Ik las alles over Hemsterhuis. In zijn tijd was hij heel erg bekend; mensen als Goethe en Kant refereerden aan hem.’

Trots

In 2010 promoveerde De Man aan de Universiteit Antwerpen op De bekendheid van Nederlandse schrijvers in Europa in de late achttiende eeuw. ‘Het was de mooiste dag van mijn leven. Ik was heel zenuwachtig, maar daarna was ik opgetogen. We hebben een bus laten komen met alle vrienden en een feest gegeven; de champagne zat tegen het plafond.’Sindsdien pleit De Man voor een Hemsterhuisleerstoel, die aan de Universiteit Antwerpen moet komen. ‘Maar dat zal wel na mijn dood zijn.’ Hij heeft contact met een hoogleraar in Parijs, Nathalie Kremer, expert op het gebied van de Verlichting, voor wie hij teksten schrijft. Wie weet gaat hij later dit jaar zelf wel naar Parijs om college te geven. Hij vertelt het aarzelend, want hij wil niet opscheppen, maar hij is er wel een beetje trots op.

Klopte het maar wat Descartes heeft berekend: de mens kan 250 jaar worden. Daar moet je toch niet aan denken. Grote ogen: ‘Ik wel, joh! Ik hoop echt dat ik nog niet dood hoef en dit nog jaren kan doen!’

De Ouderenpartij kwam niet in de gemeenteraad. Maar hij moest toen vaak naar het stadhuis en kwam weer in contact met D66. Hij keerde terug bij die partij, werd ‘lijstduwer’ en kwam in de commissie voor de waterschappen. Als hij nou naar Parijs gaat, gaat hij daar ook even kijken hoe het met het waterschap staat. ‘Want schoon water voor zo veel mensen is een hele klus.’

Hij schrijft kleine boekjes, ‘aftrekseltjes’ van zijn proefschrift, zo lang dat je ze tijdens een gemiddelde treinreis kunt lezen.
Hij is 87 jaar. Is het leven geworden wat hij ervan hoopte?

‘Uiteindelijk wel. Ik heb tegenslagen gehad, maar ook een leuk leven. Ik ben altijd erg vrolijk geweest en ervan overtuigd dat je alleen het beste moet eten. Ik heb het echt leuk. Toen ik halverwege de vijftig was, had ik het zwaar. Mijn vrouw en een dochter werden ernstig ziek. En nu zou ik tegen mensen van die leeftijd willen zeggen: als je eens wist hoe leuk het kan worden! Het is geweldig! Je kunt van alles doen, het leven is veel fijner als je ouder bent. Als je maar ergens mee bezig bent. Vroeger ging je dood als je 55 was. Nu heb je nog een heel leven.’

Elsevier nummer 37, 12 september 2015

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.