nederland

Taal, ego’s en onzekerheid zitten humor in Brussel in de weg

Door Jelte Wiersma - 11 september 2015

Soms valt er iets te lachen in Brussel, maar niet vaak. Eigenlijk werkt alles humor tegen: taalverschillen, ego’s, onzekerheid van nieuwe lidstaten. Dat veel Europese instituties Franse wortels hebben, helpt ook al niet.

Humor gaat niet over grenzen, zei oud-eurocommissaris Frits Bolkestein (VVD) na zijn periode in Brussel. De veelheid aan talen en culturen in de Europese hoofdstad maakt het lastig om grappen te maken die iedereen begrijpt en leuk vindt. Wat werkt en wat werkt niet?

Het is dinsdagochtend 23 juni. Na een nacht vergaderen over Griekenland geeft de Duitse bondskanselier Angela Merkel een persconferentie. In de volgepakte zaal krijgt een Duitse journalist de beurt. Slaafs vraagt zij of ze een vraag mag stellen.

Merkel slaagt erin, ondanks de wallen onder haar ogen, een quasi-verbaasde blik op te zetten en zegt: ‘Ik dacht we daarvoor hier waren.’ Ze schiet in de lach om haar eigen grapje. Pas dan lacht de zaal met veelal Duitse journalisten en diplomaten.

Het is een typisch Duits-Brussels tafereel. Zelfs persconferenties zijn bloedserieuze aangelegenheden. Als zich dan toch eens een grappige situatie voordoet, weten Duitsers in een internationale situatie niet hoe zich te gedragen.

‘Mijn Duitse chef zei: “Humor is voor thuis”,’ vertelt Hessel Daalder (68). Hij was 41 jaar ambtenaar bij de Europese Raad. De Duitsers vallen in een onbekende situatie terug op waar ze goed in zijn: serieus doen. Pas als hun chef lacht, volgen de ondergeschikten. Onder Duitsers is humor hiërarchisch bepaald, althans: buiten Duitsland. Onderling hebben ook Duitsers in Brussel lol. Maar wel buiten kantoortijd.

Schade en schande

Dit defensieve gedrag in een internationale omgeving van Duitsers staat niet op zich. ‘Je weet met buitenlanders nooit precies hoe ver je kan gaan en wat als grappig wordt gezien,’ zegt Brenda O’Brian (53), een Ierse lobbyist. Zij werd door schade en schande wijs.

‘In Ierland is een speech niet goed als er geen grappen in zitten, dus ik probeer altijd wat. Ik was in Riga en presenteerde een bijeenkomst waar bedrijven uit verschillende Europese landen prijzen konden winnen. Ik zei: “Het lijkt het Eurovisie Songfestival wel.”

De enige in de zaal die lachte was een Ier.’ Ieren vinden het songfestival één grote grap, maar in Oost-Europa is het een bloedserieuze aangelegenheid. O’Brian, met zelfspot: ‘Dit was niet één van mijn beste momenten.’

De toetreding van tien Oost-Europese landen tot de Europese Unie in 2004 heeft het maken van grappen niet eenvoudiger gemaakt, luidt de Brusselse consensus. De massa jonge, talentvolle Oost-Europeanen zoekt in Brussel een goedbetaalde baan en is bloedserieus. Spot incasseren is er niet bij.

‘Er zijn nogal wat nationale gevoeligheden,’ zegt een Britse directeur van de Europese Raad met gevoel voor understatement. Hij wil anoniem blijven.

Dat ondervond de Tsjechische kunstenaar David Cerný. Omdat Tsjechië dat jaar voorzitter van de Unie was, maakte hij in 2009 het geestige kunstwerk Entropa voor in de hal van de Europese Raad.

Duitsland werd één grote snelweg, Italië één groot voetbalveld en Nederland bleek in zee verdwenen. Slechts de toppen van minaretten waren nog zichtbaar. Een schokgolf ging door de Unie-instituties. De Bulgaren en Slowaken dienden officiële protesten in.

Verontwaardiging

Zeker Polen zijn hypergevoelig. Zij zijn sinds hun toetreding veranderd van onzekere Oostblokkers in trotse, zelfbewuste Europeanen. Ze horen er volledig bij, daar is geen twijfel over. Toch leidt alles wat er op zinspeelt dat dat niet zo is, nog steeds tot verontwaardiging.

Nadat een man vertelde dat hij uit Polen kwam, vroeg een Nederlander eens: ‘Polen? Waar ligt dat ook alweer, in oostelijk Duitsland of westelijk Rusland?’ De Pool protesteerde hevig.

Een beroemde grap komt van de verdreven Oostenrijkse kroonprins Otto von Habsburg (1912-2011), van 1979 tot 1999 lid van het Europees Parlement voor de Duitse CSU. De afspraak was dat vergaderingen eindigden als een belangrijke voetbalwedstrijd begon.

De kroonprins viel vaak in slaap. Hij werd wakker gemaakt door een collega toen een vergadering werd beëindigd voor een wedstrijd. ‘Oostenrijk-Hongarije is begonnen,’ zei de collega. Von Habsburg repliceerde bijna tachtig jaar na de val van het Habsburgse Oostenrijks-Hongaarse Rijk: ‘Tegen wie spelen we?’

Het Engels is dan wel de lingua franca in de Brusselse bubble, ‘het is something-ish,’ zegt de Britse europarlementariër Molly Scott Cato (52). Ietsig. ‘Niet het Engels dat ik spreek.’ Het gebrek aan taalbeheersing leidt tot terughoudendheid en  vervlakking. Voor je het weet, zeg je iets net verkeerd, met alle misverstanden van dien. Het gevolg is dat men quasi-beleefd lacht om elkaars eenvoudige grapjes. Daar blijft het bij. ‘Je lacht in de Brusselse bubble om iemand, niet over iemand. En zeker niet samen mét iemand,’ zegt de Britse directeur van de Europese Raad.

De uitspraak van het Engels en de manier van praten helpen ook niet mee om elkaars grappen te begrijpen. Finnen hebben een groot gevoel voor humor, maar ‘hun grappen werken nooit,’ zegt O’Brian. Zij houden verhalen op dezelfde toonhoogte, in hetzelfde tempo, op hetzelfde volume. Daarmee hebben ze zichzelf beroofd van een heel instrumentarium dat nodig is om een grap begrijpelijk te maken.

Seksistisch

Juist doordat Europa zo heterogeen is en mensen elkaar slecht verstaan, zijn de rode lijnen vaag. Als mensen een grove grap al snappen, halen ze hun schouders op: zal wel bij die ander zijn cultuur horen. Terwijl juist grappen vaak alleen werken als voor iedereen duidelijk is waar de grenzen liggen. Humor is hét instrument om taboes bespreekbaar te maken of te doorbreken.

De Amerikaanse lobbyist Angus Kelly (37): ‘Ik zeg tegen iedereen die Europa wil begrijpen: het is geen land. Amerika kent meer rode lijnen, is politiek correcter. Je wordt er als oorlogsmisdadiger behandeld als je iets racistisch of seksistisch zegt.’ Het type mens dat in Brussel werkt, helpt ook niet mee.

‘In Brussel worden we betaald om onszelf en de organisaties waarvoor we werken heel serieus te nemen. Iedereen die nieuw de Brusselse Europese wijk binnenkomt, zet daardoor een rem op humor,’ zegt Kelly.

Hessel Daalder: ‘Zeker mensen die net het concours, de selectieprocedure voor een baan bij een EU-instelling, hebben doorlopen, vinden zichzelf erg belangrijk. Dat komt ook doordat ze zo veel verdienen. Daardoor denken ze dat ze wel belangrijk moeten zijn. Als Nederlander stoorde ik me daaraan. Relativeren kan men niet.’

Daalder zat vaak vergaderingen voor en zei, als mensen eindeloos zaten te discussiëren: ‘Dit is zó belangrijk, dit moeten we de Europese Commissie en de Europese Raad voorleggen.’ De ironie ontging velen. ‘Om de vergadering dan toch tot een einde te brengen, zei ik: “Ik weet het ook niet, maar we beslissen nu, want ik wil vanavond voetbal kijken.” De Britten en Nederlanders waren het vaak met me eens.’

Krab

Wat de humor ook hindert, is dat de Europese instituties op Franse leest zijn geschoeid. Daalder: ‘Kijk maar eens in Franse kranten. De cartoons gaan altijd over een vrouw op het strand die een krab in haar bh heeft.’ Fransen praten liever over een nieuwe bureaucratische structuur dan dat ze hun intellect aanwenden voor goede grappen.

Daarmee zijn ze hoogst succesvol in Brussel. Terwijl humor vaak het beste middel is om een publiek voor je te winnen, is dat publiek in Brussel afwezig. In zo’n technocratische omgeving gedijen de Fransen, maar gedijt niet de humor.

Wie het grappigst zijn? Rondvragen leert dat naast de Britten, de Grieken, Tsjechen en Italianen goed scoren. Zij hebben zelfspot, ironie en relativering. Fransen, Polen en Spanjaarden krijgen weinig bijval. Nederlanders gelden als vrolijk, maar niet als geestig.

Elsevier nummer 38, 19 september 2015

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.