nederland

Waarom deze migratiegolf niet te vergelijken is met jaren negentig

Door Servaas van der Laan - 28 oktober 2015

Ter relativering van de huidige asielzoekersstroom wijzen migratiedeskundigen geregeld naar de jaren negentig. Maar die vergelijking is helemaal niet zo makkelijk te maken.

Terwijl sommige politici spreken van een ‘asieltsunami’, temperen anderen graag de paniek. Migratiehistorici benadrukken dat migratie van alle tijden is en dat de huidige instroom van asielzoekers vooral in historisch perspectief moet worden geplaatst.

Jaren negentig

En dan valt het wel mee, vindt ook hoogleraar migratiegeschiedenis Leo Lucassen. Via Twitter laat hij zijn volgers voortdurend weten dat we in de jaren negentig een grotere toestroom hadden dan nu.

De cijfers, afkomstig van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en verzameld door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) lijken de hoogleraar gelijk te geven. Terugkijkend had Nederland in de jaren negentig een langere periode met een relatief hoge asielinstroom.

Zo bedroeg de asielinstroom in het recordjaar 1994 bijna 53.000 en werden in de jaren erop aantallen van 42.215 (1998) en 43.895 (2000) gehaald. Die getallen liggen aanzienlijk hoger dan in 2014 (29.890) en 2013 (16.725). Alleen dit jaar lijkt het erop dat we de cijfers uit de jaren negentig gaan evenaren, indien de prognose van 50.000 tot 60.000 van het kabinet werkelijkheid wordt.

Lastige vergelijking

Maar de getallen laten zich niet altijd even makkelijk vergelijken. Volgens statisticus Han Nicolaas van het CBS heeft dat te maken met het feit dat er nu veel meer verschillende gegevens worden verzameld dan pakweg twintig jaar geleden.

‘In de jaren negentig zijn alle asielgroepen opgenomen in één totaalcijfer. In die tijd kon namelijk nog geen onderscheid gemaakt worden tussen eerste en volgende verzoeken – dat kan pas sinds 2007 – en was er ook geen informatie beschikbaar over nareizigers. Die is er pas sinds enkele jaren.’

Op één hoop

Wie een eerlijke vergelijking wil maken met de jaren negentig moet dus de cijfers van de totale instroom vergelijken. En dat gebeurt niet altijd. Zo vergeleek Lucassen de cijfers van de eerste asielaanvragen uit de jaren negentig met die van nu. Het resultaat liet hij zien in een staafdiagram op Twitter. Maar de ‘eerste aanvragen’ uit de jaren negentig betreffen feitelijk álle asielaanvragen. Onderscheid werd toen nog niet gemaakt, en nu wel.

Lucassen zegt in een reactie tegen elsevier.nl dat hij niet wist dat het CBS de cijfers vóór 2007 ‘op één hoop gooide’. ‘Ik maak geen misbruik van de cijfers, maar ben ervan uitgegaan dat wat het CBS publiceert ook klopt,’ zegt de hoogleraar die erkent dat het met deze cijfers moeilijk is om vergelijkingen te maken. ‘De vergelijking met de jaren negentig is dus inderdaad lastiger dan de CBS-cijfers (en daarmee die van mij) suggereren.’

Nicolaas zegt hierop dat de suggestie dat de cijfers niet juist zouden zijn, niet klopt. ‘Het CBS publiceerde in dit geval de cijfers die van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) kwamen. En die klopten, met alle mitsen en maren, maar ze waren wel juist.’ Lucassen paste de staafdiagram overigens aan (zie tweet hieronder)
https://twitter.com/Leolucassen/status/659646044146417664

Nieuw beleid

Er is nog een punt waarom vergelijkingen met vroeger mank gaan. Sinds 2014 hoeven nareizigers (zij die komen door gezinshereniging) geen asielaanvraag meer te doen en vallen dus niet langer onder de asielzoekers.

Bij binnenkomst krijgen nareizigers direct een afgeleide asielvergunning. In de hoge asielcijfers uit de jaren negentig zijn de nareizigers wel opgenomen.

Meer procedures

Nicolaas van het CBS noemt nog een verschil met de jaren negentig die vergelijkingen lastig, zo niet, onmogelijk maakt.

‘Wie wil vergelijken, moet bedenken dat asielzoekers in de jaren negentig veel vaker doorprocedeerden voor een sterkere vergunning dan vandaag de dag. Een substantieel aantal Bosniërs, bijvoorbeeld, kreeg in de jaren negentig de nu niet meer bestaande voorlopige verblijfsvergunning (VVTV). Velen van hen procedeerden door voor bijvoorbeeld de (ook niet meer bestaande) A-status. Dit doorprocederen houdt in dat in de jaren negentig het aantal personen dat een verzoek heeft ingediend duidelijk lager ligt dan het aantal ingediende verzoeken omdat personen meerdere keren een verzoek kunnen indienen en dus ook meerdere keren in de cijfers terecht kunnen komen.’

Joegoslaven

Tot slot zijn er de verschillen in samenstellingen van de groepen asielzoekers. In de jaren negentig bestond de asielstroom voor een substantieel deel uit (voormalig) Joegoslaven die vluchtten voor de Balkan-oorlogen. Een aanzienlijk deel ging weer terug toen de oorlog voorbij was.

Nu vormen de Syriërs de grootste groep. Het is de vraag of ook zij zullen terugkeren wanneer het conflict in hun thuisland voorbij is. Overigens merkt Lucassen terecht op dat er ook in de jaren negentig veel mensen uit het Midden-Oosten naar Nederland kwamen. Over het hele decennium gemeten is deze groep zelfs groter dan die van de Joegoslaven.

Pas op met cijfertjes

Cijfertjes vertellen kortom lang niet het hele verhaal. Vergelijkingen met het verleden zijn lastig te maken. Hetzelfde geldt ook voor voorspellingen. Prognoses die statistici maken, zitten er nog wel eens naast.

Wie de huidige migratiestroom toch aan de hand van statistieken probeert te begrijpen, doet er verstandig aan de volgende economische wijsheid in het achterhoofd te houden: ‘Statistiek is als een bikini. Het geeft een idee, maar houdt het essentiële verborgen.’

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.