nederland

Asscher: eens zien of verbod op salafisme kan

Door Tom Reijner - 10 december 2015

Het kabinet gaat salafistische organisaties in kaart brengen, en bekijken of deze orthodox-islamitische stroming kan worden verboden. Maar het is volgens minister van Integratie Lodewijk Asscher (PvdA) de vraag of een verbod wel ‘het meest effectief’ is.

‘We kijken nu anders tegen salafisme aan. Het salafisme is een bron van zorg,’ zegt Asscher donderdag.

Motie

De Tweede Kamer had om een aanpak gevraagd, omdat er zorgen bestaan over de invloed van salafistische clubs op radicalisering en jihadisme in Nederland. Eind november vroegen coalitiepartijen VVD en PvdA in een motie om salafisme in Nederland harder aan te pakken.

Steun is er van PVV, CDA, ChristenUnie, SGP, Groep Bontes/Van Klaveren en de onafhankelijke Kamerleden Houwers en Van Vliet. In de motie staat dat de regering het Openbaar Ministerie de opdracht moet geven te onderzoeken of salafistische organisaties kunnen worden verboden.

De activiteiten van deze clubs zijn in strijd met de openbare orde, waardoor een verbod wettelijk mogelijk is, zeggen deze partijen. PvdA-Kamerlid Ahmed Marcouch zei gisteren in een Kamerdebat dat jihadisme het product is van salafisme. ‘Ze vergiftigen onze kinderen, en die moeten we beschermen,’ waren onder meer zijn woorden.

Politieke ideologie

Asscher zei vandaag dat het kabinet de moties zal uitvoeren. Volgens hem is het goed dat het Openbaar Ministerie zal kijken of de wet nog ‘up-to-date’ is als het gaat om salafistische of om antidemocratische organisaties.

De aanpak is volgens hem wel lastig, omdat er drie stromingen binnen het salafisme zijn en niet iedereen een politieke ideologie nastreeft. Ook wil Asscher het verheerlijken van radicaalislamitische organisaties als Islamitische Staat strafbaar stellen – op nadrukkelijk verzoek van het CDA, dat groot voorstander is van aanpassing van de wet. ‘Ik ga er steeds meer voor voelen,’ aldus de vicepremier, schrijft De Telegraaf.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.