nederland

Jaap de Jong: ‘Ik wilde het woord beter begrijpen’

Door Liesbeth Wytzes - 20 februari 2016

Ook al leven we in een beeldcultuur, hoogleraar retorica Jaap de Jong (55) blijft geloven in de kracht van het woord. Dat is nu eenmaal subtieler en preciezer dan het beeld.

Toespraken en debatten zijn in: veel Nederlanders volgen de Amerikaanse verkiezingen, waarin het woord een grote rol speelt. En de VPRO zendt een serie uit getiteld Speeches. Elke aflevering behandelt één geruchtmakende toespraak. Ook in Nederland is speechwriting een vak geworden: vijftien jaar geleden bestond het amper. Nu hebben politici de beschikking over behendige speechschrijvers.

Een goede speech flans je niet zomaar in elkaar. Die moet voldoen aan een aantal regels, weet Jaap de Jong, hoogleraar journalistiek, nieuwe media en retorica aan de Universiteit Leiden.

In de retorica gaat het om drie zaken. De eerste daarvan is ethos. De spreker moet zijn publiek ervan overtuigen dat hij betrouwbaar is en weet waarover hij spreekt. Een redenaar als Barack Obama vertelt in bijna elke toespraak wel iets over zichzelf, een herinnering, een anekdote.

Dan logos. Wat de spreker zegt, moet kloppen, met argumenten zijn onderbouwd. En tot slot pathos: gevoel. Daarmee raakt de spreker zijn publiek, maken zijn woorden extra indruk. Sinds Aristoteles (384-322 voor Christus) hanteren we dat onderscheid. In 2.500 jaar is er dus niet veel veranderd op dit gebied.

‘Nou… Er zijn periodes dat het accent helemaal op pathos lag of juist helemaal op logos. Er moet wel een balans zijn tussen die drie, dat kan per keer anders uitpakken. Het is niet zo dat je per se een geslaagde toespraak houdt als je deze drie ingrediënten maar gebruikt. Het is geen recept voor cake bakken. Het is ook deels een kunst om mensen te overtuigen.’

In het boek Beïnvloeden met emoties, mede samengesteld door en met bijdragen van De Jong, signaleert hij hernieuwde belangstelling voor de positieve kanten van pathos. ‘Na de Tweede Wereldoorlog waren we dat pathos totaal beu.’ Ook in de Nederlandse politiek was de toonzetting over het algemeen rustig en terughoudend. In het parlement hielden de heren toespraken op kalme toon. ‘Rustig, bedachtzaam, bedaagd. En we hadden tot vijftien jaar geleden het schrapbesluit: de voorzitter schrapte als iemand misschien eens wat grof was. En een opmerking als “u jokt” hoorde daar ook bij. Het was een gesprek tussen hoogopgeleide lieden die elkaar moesten overtuigen.’

Te veel pathos willen we niet, maar het is wel een onmisbaar ingrediënt. ‘In de hele geschiedenis zie je dat de marginalen succes boekten met een heel andere communicatiestijl. Kuyper, Troelstra, sommige katholieke sprekers, de communisten. Die gebruikten altijd meer pathos. Wil je aandacht krijgen, dan moet je iets anders doen. Vooral op die manier kregen ze grote steun van de burgers, die wel in waren voor meer emoties in de politiek.’

Haags accent

Hoe zit het met PVV’er Geert Wilders? ‘Zijn speechschrijver Martin Bosma heeft een talent. Er komen zo veel reacties op Wilders, omdat zijn woorden op rantsoen zijn. Hij geeft zelden een interview, je kunt hem niet ter verantwoording roepen. Hij twittert en kan zich zo de scherpste uitspraken veroorloven. Soms is hij ook wel geestig.’

Jaap de Jong leerde de kracht van het woord op straat. ‘Melkboer’ werd hij genoemd, als jongen in Den Haag. Hij zegt het met een mooi Haags accent. Dat was het beroep van zijn vader. Zijn vrienden heetten ‘hond’ of ‘paard’.

‘Zo sprak je elkaar aan. Je moest sterk zijn op straat; als je de sterkste was, had je privileges. Maar je wilde ook weer niet de hele tijd vechten. Je moest het dus ook verbaal goed doen.’

De Jong en zijn vriendjes vormden de ‘Newtonboys’, de gang uit de Newtonstraat, vlak bij de Regentesselaan en de Galileï­straat. Als enige van zijn straatvrienden ging hij niet naar een vakschool, maar naar het vwo. ‘Ik kon een beetje leren.’ De eerste dag op school werd hij meteen door de rector in z’n nekvel gegrepen wegens een vechtpartij.

De Jong begreep al vroeg hoe groot de kracht van het woord kan zijn, al was hij zich dat toen nog niet ten volle bewust. Die lijn in zijn loopbaan werd pas later duidelijk: connecting the dots, zoals Steve Jobs in een beroemde toespraak in 2005 zei.

Het belang van het woord werd nog versterkt door de christelijke opvoeding, met zondags kerkbezoek en dagelijkse bijbel­lezing. ‘We waren hervormd, een tikkie zwaar. Ik ben ook bevlogen christelijk geweest in mijn jeugd. Ik luisterde serieus naar die preken en naar de techniek die de dominee gebruikte, en vroeg me af waarom de ene preek me wel boeide en de andere niet. Ik ben bijbelstudie gaan doen. De sfeer in ons gezin was heel verbaal, en op straat leerde ik verbaal zijn op een andere manier. Ik kreeg waardering voor overtuigende woorden.’

Politieke arena

Op school las De Jong Multatuli’s Max Havelaar in één ruk uit, en hij werd bijzonder gegrepen door het achtste hoofdstuk, waarin Havelaar zijn beroemde toespraak tot de hoofden van Lebak houdt. Dat is weliswaar een toespraak in een roman, maar het is ook politiek. De schrijver was assistent-resident in het toenmalige Nederlands-Indië en zeer geraakt door wat hij daar zag.

De Jong ging Nederlands studeren, in Leiden. Hij las graag, dacht dat hij letterkunde zou doen en leraar zou worden. Maar van zijn hoogleraar Toine Braet hoorde hij dat er nog een vak was naast taal- en letterkunde: taalbeheersing. ‘Ik had geen idee dat je dat ook kon studeren. Toespraken; persuasieve teksten. Braet vertelde dat Aristoteles en Cicero en Quintilianus de oudste taalbeheersers waren en die hadden er al heel diep over na­gedacht. Over hoe belangrijk het was dat je effectief kon zijn in de rechtszaal, in de politieke arena. Dat je mensen blij kon maken of ontroeren. Dat goed spreken loonde, belangrijk was, je carrière kon maken of breken.

‘Braets eigen onderzoek toonde aan dat die antieke theorie nog steeds overeind stond, zij het wat meer gepreciseerd. En dat die theorie ook volgens sociaal-psycho­logisch onderzoek waarheid bleek te bevatten. Ik wist niet wat ik hoorde. In een cultuur waarin het woord zo belangrijk was, wilde ik het beter begrijpen.’

Elk jaar gaat De Jong met zijn studenten naar de Algemene Beschouwingen in de Tweede Kamer. Dat levert interessante informatie op. Bijvoorbeeld: het belang van een stem. ‘Als iemand een moeilijke stem heeft, is het heel zwaar in de politiek. Ik weet nog dat mijn studenten binnen de kortste keren afhaakten toen Mariëtte Hamer van de PvdA het woord voerde. De inhoud was misschien goed, maar ter plaatse word je toch niet gegrepen. Dat heeft te maken met de muzikaliteit van de voordracht. Buma van het CDA heeft ook geen heel aangename stem. Daar kun je niet zo veel aan doen.’ Premier Rutte? ‘Die is goed hoor. Hij deed de HJ Schoo-lezing uit zijn hoofd, echt opmerkelijk. Hij staat nooit met de mond vol tanden.’

Bloeiperiode

In Max Havelaar staat mooi omschreven wat een goede spreker bezielt: ‘Het is waar dat hij zelf, die bij zulke gelegenheden sprak als een apostel, een ziener, later niet juist wist hoe hij gesproken had, en zijn welsprekendheid had dan ook meer de eigenschap van te verbazen en te treffen, dan door bondigheid van redenering te overtuigen,’ schrijft Multatuli.

Zo geïnspireerd zijn speeches natuurlijk meestal niet; er moet hard aan worden gewerkt. Niet alleen aan de tekst, ook aan de voordracht. De Jong deed onderzoek naar speeches uit een duistere periode van de geschiedenis: de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog en de bloeiperiode van het Derde Rijk.

‘Ik heb me verdiept in de manier waarop Hitler sprak, ik wilde uitzoeken wat er typerend was aan zijn welsprekendheid. Ik heb heel veel naar die opnames geluisterd. Het waren heel lange toespraken die rustig begonnen, met plezier, humor, iets wat die dag in de krant stond. Dagelijkse dingen, zo van: ik ben één van jullie.

‘Na een tijdje begon hij dan over actuele problemen van werkloosheid en armoede, hij legde uit hoe het zo was gekomen, en wie het hadden gedaan, en pas op het einde draaide hij echt warm. Het publiek dronk ook tijdens die toespraken, dus de stemming zat er dan goed in. Hij reageerde als een stand-up comedian op wat er werd teruggeroepen. Op het einde echt met stemverheffing.’

‘Later heeft hij dat verder ontwikkeld en kon hij ijzingwekkende pauzes laten vallen. Het Sportpaleis was ook gebouwd op één spreker, met een grote adelaar erachter, en mensen wachtten meestal al uren en waren helemaal opgehitst door de vorige sprekers. En dan ging Hitler daar staan en wachtte nog even. Hij oefende er ook enorm op, voor de spiegel. Hitler voelde zijn publiek aan en hij creëerde angst, met die knokploegen. Die toespraken waren echt een onderdeel van zijn politiek.’

Wie die redevoeringen nu hoort, schrikt van het woedende gebral. Maar toehoorders werden destijds betoverd. Dat komt ook door de muzikaliteit van een speech.

‘Ik vergelijk het wel met de muziek van Bach: een thema met variaties. Muzikaliteit doet iets bijzonders. De cadans ook. Als je eenmaal denkt: de spreker is een goed persoon, dan ga je mee in de cadans. Dat gebeurt vaak als Obama spreekt. Je schakelt je kritische denken wat uit als je in die cadans komt. Je laat je meeslepen. Daarom zijn we zo bang voor sprekers die daar al te goed in zijn: die betoveren je. Al is dat in Nederland wel lang geleden.

‘Denk bijvoorbeeld eens aan die speech van Obama na de schietpartij in Charleston in 2015; een lofprijzing van de doodgeschoten dominee Clementa Pinckney. Een geweldige speech waarin hij onverwacht Amazing Grace zong. Als je ziet wat Obama retorisch allemaal in huis heeft. Ongelooflijk. Allemaal fraaie drieslagen, ritmisch prachtig, en die mooie bariton.’

De Troonredes vallen af: die zijn weinig overtuigend omdat de persoon die ze uitspreekt er maar weinig greep op heeft. Dat was anders bij de bijna perfecte speech van koningin Beatrix op Koninginnedag 2009, na de aanslag in Apeldoorn.

‘Heel indrukwekkend en precies goed. Geen fout woord erin. Geen clichés of iets wat vals klonk, of te groot. Al mag je op grote momenten wel grote woorden gebruiken. Het was bescheiden en raak, het klopte met haarzelf, met een gevecht tegen de emotie. En we waren blij dat ze het meteen deed: een dag later was het minder overtuigend geweest.’ Haar redevoering bevatte alle elementen, plus nog één bijzondere toevoeging: kairos, het juiste woord op het juiste moment.

Rekwisiet

Eén van De Jongs favoriete speeches is de TED Talk van generaal Peter van Uhm, in 2011. ‘Why I chose a gun, heet die speech. Waarom ik voor het geweer koos. Van Uhm heeft een paar dingen tegen: zijn Engels is tamelijk beroerd. Hij heeft geen muzikale stem. Het begint stroef. Maar toch is het ontroerend, overtuigend. Dat komt ook doordat je weet dat zijn zoon is omgekomen, al zegt hij daar niets over. Dat is heel sterk.

‘Er is ongelooflijk hard gewerkt aan die speech door hem en zijn speechschrijver Annelies Breedveld. Ze kregen er zelfs twee keer een prijs voor, de Cicero Award. Waarom is die speech zo goed? Een hoge ­militair in uniform vertelt een verhaal; dat maakt al indruk. En dan – en dat doen ­weinig mensen – neemt hij een rekwisiet mee. Dat geweer. Zoiets kan goed werken, maar ook totaal misgaan. Denk maar aan oud-GroenLinks-leider Jolande Sap en de stekkerdoos. Daar waren we ook bij met onze studenten. Die riepen alleen maar: “O nee…”.

‘Maar bij Van Uhm was het publiek echt onder de indruk van dat geweer. Dat toonde aan hoezeer we zo’n wapen zijn ontwend. Een goed teken, zegt hij in zijn speech.

‘En denk eens aan de speech van Ronald Reagan, toen precies dertig jaar geleden het ruimteveer Challenger neerstortte. Door die rede heeft hij dat ruimteprogramma in stand weten te houden. Een ideale speech.’

Het woord boeit hem nog steeds. ‘We leven in een beeldcultuur, maar ik ben ervan overtuigd dat woorden het belangrijkst blijven wanneer het gaat om ideeën en plannen. Het woord is zo subtiel, heeft zo veel lagen. De precisie van woorden kun je nooit met beelden evenaren. Het is een enorm belangrijk wapen.’

Elsevier nummer 8, 27 februari 2016

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.