Gertjan van Schoonhoven

Schaatsnatie? Gedraag je dan niet zo dom!

Door Gertjan van Schoonhoven - 25 januari 2013

Voor schaatsen is stevig ijs nodig. Nederlanders gedragen zich zodra het vriest dommer dan ooit

Je kind het schaatsen onder de knie zien krijgen, behoort ongetwijfeld tot de mooiste episodes uit het leven van een ouder. Opgroeien is vallen en opstaan, en dit verder zo geleidelijke proces voltrekt zich op het ijs als het ware in een split second.

Dat is mooi om te zien, en ontroerend; ook omdat je beseft dat dit al eeuwen zo gaat. Elk land, elke ‘cultuur’ heeft zo zijn rite de passage voor het kind, en voor een Nederlands kind is dat leren schaatsen.

Schaatsnatie?

Is Nederland daarmee ook een ‘schaatsnatie’? Je hoort het vaak in deze tijd van het jaar, als het ene na het andere stomvervelende, want volledig door Nederlanders gedomineerde schaatstoernooi op televisie wordt afgewerkt, en de eerste vorst al leidt tot speculaties over een Elfstedentocht. Maar is het ook zo? Zijn ‘we’ wel een ‘schaatsnatie’?

Een land met een sterke drang tot schaatsen is Nederland zeker, maar tegelijk gedraagt Nederland zich, voor een vermeende schaatsnatie, dommer dan ooit.

Stevig ijs

Dat het voor een Elfstedentocht eerst lang hard moet vriezen, is een notie die geen enkele rol meer speelt in alle hysterisch voorbarige speculaties. Hetzelfde geldt voor alle waaghalzen die zich na een paar nachtjes lichte vorst al op écht natuurijs wagen. Om te kunnen schaatsen heb je, heel saai, stevig ijs nodig. En dus geduld. Maar dat geduld weten we steeds slechter op te brengen.

Schaatsen mag een nationale traditie zijn, ‘in onze genen’ zit het niet. Om het niet te verleren, moet je het telkens weer leren, zoals elk kind weet.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.