Afshin Ellian Afshin Ellian

Ik, banneling, begraaf mijn dierbaren in mijn hoofd

Door Afshin Ellian - 24 april 2013

Vorige week voerden mijn zus en ik onbewust ons laatste gesprek. Normale mensen vliegen naar hun land van herkomst om hun dierbaren te begraven. Maar ik ben een banneling, ik mag niet terug en kan niet terug.

Hoe moet je als banneling rouwen? Hoe moet je tranen omzetten in woorden, om zo te eren wat verloren is gegaan? Ik heb iets heel groots verloren. Een hoofdstuk, nee een boek is afgesloten.

Zonsopgang

Er is nu echt niemand meer die waarachtig en met gezag mijn vragen kan beantwoorden over mijn geboorte en mijn omgeving.

– Wanneer zien we elkaar weer in Iran?

– Ik kom zoals ik vluchtte, heel onverwacht. Ik zal ’s nachts over je muren klimmen. Ik zal je onverwachts wakker maken. En dan gaan we samen naar de Kaspische Zee om de zonsopgang te bekijken. Dat deden we vroeger ook.

– Ach, djoen, wat lief, je belooft het mij. Maak ik dit echt mee?

– Ja, absoluut.

In 2009:

– Hoe gaat het? Waar zijn je kinderen nu?

– Ze gaan demonstreren. Maar de nieuwslezer zegt dat mijn kinderen agenten van Israël zijn. Ik, maar ook mijn kinderen hebben nooit een Israëliër gezien. En we hebben geen idee waar Israël ligt. Ongelooflijk! Ze beledigen ons.

– Ik ben erg ziek, wie weet, misschien nadert het einde van mijn verhaal.

– Nee, je mag nooit zonder mijn toestemming heengaan. Nooit.

– Ik zal mijn best doen om te blijven. Ik zal je bevel gehoorzamen.

Donker

Ze waren kennelijk van plan om mij niet in te lichten. Toch belde mijn zus op. Ze wilde niet met mij, maar met iemand anders spreken. En toen barstte het verdriet los. Ik omhelsde haar in mijn gedachte. Maar wat is er gebeurd?

Fffe, Fa, Fati is heengegaan. Mijn wereld werd donker. Na een gedwongen stilte brak de brok in mijn keel en bracht een pijnlijke kreet uit.

Mijn zus Fati is gestorven aan een hartaanval. Ze leed al een tijdje aan allerlei ziektes. Waarom was zij zo belangrijk voor mij?

Zij was niet zomaar een zus. Zij was mijn schaduwmoeder: de vrouw die op alle foto’s naast mij staat. Zij bedacht en bracht mijn verjaardagstaartjes. Zij was nog steeds de enige die op mijn verjaardag en die van mijn kinderen belde. Ik was haar eerste kind.

Verliefd

Lang geleden bestond de militaire dienst voor vrouwen nog. Mijn zus moest in uniform dienen in het leger van de alfabetisering. Dat was bedacht door de sjah. Vrouwen moesten kinderen en volwassenen in afgelegen dorpen onderwijzen. Daar ontmoette mijn zus haar man.

Ook hij zat als dienstplichtige in het onderwijs. Ze werden verliefd. Ik was de eerste die het kamertje zag dat ze hadden gehuurd. Daarna zag ik als eerste al hun materiele en geestelijke ontwikkelingen.

Haar man was een vrolijke whiskydrinker die ruim een decennium geleden overleed aan kanker.  Zijzelf was een seculiere vrouw zonder hijab, islamitische kledingvoorschriften. Na de islamitische revolutie werden vrouwen verplicht om de hijab in acht te nemen. Mijn zus was echter niet ongelovig, en bad zelfs. Maar haar geloof was een individuele aangelegenheid. Niemand had er last van. En dat was bijzonder.

Kwetsbaar meisje

Fati was een engel, de zachtaardigheid zelve. Op een dag trof mijn vader haar terwijl zij aan het huilen was. Hij omhelsde haar en zei: ‘Mijn verdrietige prinses! Is deze keer de kat van de moskee gestorven?’ Zij was vaak in rouw voor anderen, dierbaren van haar vrienden.

Op zo’n moment zag ik hoe een gezagvolle vrouw die leiding gaf aan een grote school, als een klein kwetsbaar meisje in de armen van mijn vader verdween.

Zij zou met mijn moeder naar Holland komen. De bureaucratie weigerde mee te werken. Het duurde zo lang, dat intussen mijn moeder was gestorven. Ik heb mijn moeder, nadat ik ben ondergedoken, nooit meer gezien.

Toen, op de dag van haar begrafenis, heb ik mijn zus gevraagd om voor mij een handjevol aarde van haar graf mee te nemen. Dat deed zij voor mij. En toen zij uiteindelijk naar Nederland kwam, gaf zij dat aan mij: een handjevol aarde van het graf van mijn moeder. Die aarde heb ik nog steeds.

Imams

Vier weken was zij bij ons. Mijn zoon keek me met verbazing aan toen zij het islamitische gebed verrichtte. Daarna, vooral ’s avonds, dronk ik wodka, terwijl zij salade voor mij maakte. We spraken uiteraard over de islam.

Continu praatte ik tegen haar op beledigende wijze over de islam, als de bron van alle ellende in de islamitische wereld. En wat deed zij? Zij luisterde aandachtig en vertelde mij nieuwe grapjes over de sjiitische imams. Eigenlijk was zij het eens met mijn kritiek op de institutionele islam. Maar haar geloof was individueel, anti-politiek, anti-ayatollahs en tegen elke vorm van geweld.

Toen ik onderdook, gebeurde er veel in onze familie. We hadden al twee executies achter de rug. Het ministerie van Onderwijs vond een signaal om haar voor korte tijd te ontheffen van haar directeurschap bij een grote school. Het zou immers ongepast zijn wanneer iemand uit een contrarevolutionaire familie zomaar directeur zou blijven. Zij weigerde zich in het openbaar tegen mij en andere moeilijke familieleden te uiten.

Trots

Velen deden dat helaas wel. Na een tijdje mocht zij haar functie weer uitoefenen.

Tijdens haar korte verblijf in Nederland legde ik haar de godsdienstvrijheid uit. Daarvan was zij erg onder indruk. In Iran bestaat godsdienstvrijheid niet. Ze bewonderde de Nederlandse vrijheid en tolerantie. Eenmaal thuis vertelde zij anderen trots over haar Europese ervaringen. We hebben elkaar niet meer gezien. Vorige week voerden we onbewust het laatste gesprek.

Normale mensen vliegen naar hun land van herkomst om hun dierbaren te begraven. Maar ik ben een banneling, ik mag niet terug en kan niet terug. Ik begraaf mijn dierbaren in mijn hoofd.

Bloemen

Toen ik nog een klein jongetje was, zei ik ooit tegen mijn zus: dosetdaram, ik hou van je. Dat had zij aan iedereen verteld. Nu vroeg ik haar zoon om een bos bloemen met de tekst ‘dosetdaram‘ naar haar graf te brengen.

Ik worstel nog steeds met een vraag: hebben ze haar ook namens mij gekust? Heeft iemand namens mij in haar oren gefluisterd: dosetdaram?

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.